ECLI:NL:GHARL:2026:2444

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.333.026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 BWArt. 1:94 BWArt. 1:142 BWBoek 1, titel 8.2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwikkeling huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie na echtscheiding

Partijen zijn in 2018 op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Na het verzoek tot echtscheiding van de vrouw in 2021 is de echtscheiding uitgesproken op 5 juli 2023. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van €1.000.000 aan de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden, maar partneralimentatie afgewezen. De man kwam hiertegen in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de vrouw niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een gegarandeerde betaling van €1.000.000, ondanks het gemaximeerde verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. Correspondentie en berichten van de man werden anders geïnterpreteerd dan door de rechtbank, waarbij het hof concludeert dat er geen ondubbelzinnige toezegging was. De rechtbanksbeslissing over de betaling wordt vernietigd en partijen moeten het verrekenbeding conform de huwelijkse voorwaarden uitvoeren.

Daarnaast wijst het hof het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie af, omdat zij onvoldoende inzicht gaf in haar inkomen en vermogen, waardoor haar behoeftigheid niet is vastgesteld. De reeds betaalde €300.000 wordt aangemerkt als voorschot en mag worden verrekend met een eventuele toekomstige betaling. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de veroordeling tot betaling van €1.000.000 en wijst partneralimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing van behoeftigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.333.026 en 200.356.791
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 519060 en 537882)
beschikking van 23 april 2026
inzake
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in (het principaal) hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep (zaaknummer
200.333.026),
verder te noemen: de man,
advocaat: nu mr. R. van Coolwijk, daarvoor mr. T.J. Bakx,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeente1] ,
verweerster in (het principaal) hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep (zaaknummer
200.333.026),
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: nu mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens, daarvoor mr. P.J.W.M. Sliepenbeek.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 juli 2023, uitgesproken onder beide voormelde zaaknummers en de beschikking van die rechtbank van 14 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 537882.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van het geding met zaaknummer
200.333.026tot 3 september 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
2.2
Nadien hebben de advocaten van partijen zich onttrokken en heeft zich voor ieder van hen een nieuwe advocaat gesteld.
2.3
Het verloop van de procedure met zaaknummer
200.356.791blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;
- het verweerschrift met producties 29 tot en met 32;
2.4
In beide zaaknummers zijn ingekomen:
- een journaalbericht van mr. Hageraats-Bouwens van 12 februari 2026 met producties 16
tot en met 24;
- een journaalbericht van mr. van Coolwijk van 13 februari 2026 met producties 2 tot en
met 24;
- een journaalbericht van mr. Hageraats-Bouwens van 25 februari 2026 met een brief en
productie 25.
2.5
De mondelinge behandeling in beide zaaknummers heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden. Daar zijn partijen in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.6
Mr. Hageraats-Bouwens heeft bezwaar gemaakt tegen de door mr. Van Coolwijk op 13 februari 2026 overgelegde producties. Die zijn volgens mr. Hageraats-Bouwens omvangrijk en niet is duidelijk wat hiermee wordt aangetoond. Mr. van Coolwijk heeft desgevraagd geen bezwaar tegen het binnen de tiendagentermijn overgelegde stuk van
mr. Hageraats-Bouwens van 25 februari 2026, mits zijn stukken van 13 februari 2026 worden toegelaten. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat alle overgelegde stukken worden toegelaten. Ten aanzien van de door mr. Van Coolwijk overgelegde stukken heeft het hof medegedeeld dat die tijdig, in overeenstemming met het procesreglement, zijn overgelegd en eenvoudig te doorgronden zijn.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2018 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
3.2
De vrouw heeft [in] 2021 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De man heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek (verzoek tot uitspreken van de echtscheiding) gedaan. Nadien hebben partijen hun verzoeken aangevuld en gewijzigd.
3.3
Bij de beschikking van 5 juli 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 augustus 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.4
Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking van 5 juli 2023:
  • de vrouw opgedragen bewijs te leveren die de conclusie rechtvaardigt dat zij recht heeft op betaling door de man aan haar van € 1.000.000;
  • het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud (partneralimentatie) afgewezen;
  • het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van € 300.000 afgewezen; en
  • iedere verdere beslissing aangehouden.
3.5
De man is van de beschikking van 5 juli 2023 in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof:
-
primair:
de vrouw te veroordelen om aan hem € 300.000 te vergoeden;
-
subsidiair:
voor recht te verklaren dat hij een eventueel aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het bedrag van € 300.000, of zo de man een lager bedrag dan € 300.000 aan de vrouw moet betalen te bepalen dat de vrouw het verschil aan de man moet terugbetalen en voor het geval hij geen bedrag aan de vrouw hoeft te voldoen te bepalen dat de vrouw € 300.000 aan hem moet terug betalen.
Kosten rechtens.
3.6
De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft zelf ook hoger beroep ingesteld (incidenteel hoger beroep). Zij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen, voor zover daarbij haar verzoek tot partneralimentatie is afgewezen en - opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat de man met ingang van 26 november 2023 een bedrag van € 6.899 netto per maand moet betalen. Kosten rechtens.
3.7
De mondelinge behandeling van dat hoger beroep heeft op 15 maart 2024 plaatsgevonden. Bij beschikking van 3 september 2024 heeft het hof iedere beslissing aangehouden, in afwachting van de procedure bij de rechtbank over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.8
Na bewijsleveringen en getuigenverhoren heeft de rechtbank bij beschikking van 14 april 2025 inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de man veroordeeld om aan de vrouw € 1.000.000 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2021 tot de dag van algehele voldoening. Verder is beslist dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen en zijn de verzoeken van de vrouw voor het overige afgewezen.
3.9
De man is ook van die beschikking in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof die beschikking al dan niet gedeeltelijk te vernietigen en het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans te bepalen dat de man niet gehouden is om uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag aan de vrouw te voldoen. Althans een zodanig bedrag vast te stellen als het hof juist acht. Kosten rechtens.
3.1
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de grieven van de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen en de beschikking van 14 april 2025 te bekrachtigen.
3.11
Het hof zal de beide zaken/zaaknummers gelijktijdig behandelen en beoordelen.

4.De omvang van het geschil

Ter beoordeling ligt bij het hof voor:
of de man € 1.000.000 aan de vrouw moet betalen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, omdat de vrouw daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen;
of de man de al aan de vrouw betaalde € 300.000 kan verrekenen met hetgeen hij op grond van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw moet betalen;
of de vrouw tegenover de man een aanspraak op partneralimentatie heeft.

5.De motivering van de beslissing

a. de vergoeding van € 300.000
5.1
In de tussenbeschikking van 3 september 2024 heeft het hof de stellingen van partijen ten aanzien van de € 300.000 beoordeeld; naar het oordeel van het hof moet de betaling van de man aan de vrouw van € 300.000 worden aangemerkt als een voorschot op het bedrag dat de vrouw uiteindelijk in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (na ontbinding van het huwelijk door welke oorzaak ook) zal ontvangen. Het hof ziet geen aanleiding om op dat oordeel terug te komen.
5.2
Het hof heeft in genoemde tussenbeschikking ook overwogen dat dit niet betekent dat het primaire verzoek van de man kan worden toegewezen en dat het subsidiaire verzoek van de man onder voorwaarden kan worden toegewezen. Het hangt er daarbij vanaf of en zo ja hoeveel de man op grond van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw moet betalen. De rechtbank heeft inmiddels in de beschikking van 14 april 2025 overwogen dat de man aan de vrouw € 1.000.000 moet voldoen inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Van die beslissing is de man in hoger beroep gekomen en het hof zal daarover eerst beslissen alvorens wordt toegekomen aan de verzoeken inzake het voorschot van € 300.000 en de partneralimentatie.
b. de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
5.3
In de huwelijkse voorwaarden van partijen is onder meer het volgende opgenomen:
Achtergrond van deze huwelijkse voorwaarden
(…)
1. (…) De reden voor het maken van deze huwelijkse voorwaarden is in de woorden van de aanstaande echtgenoten:
het handhaven van bestaande vermogensverschillen”.
(…)
1.2
geen wettelijke gemeenschap van goederen
- Er bestaat tussen de echtgenoten geen wettelijke gemeenschap van goederen in de zin van artikel 1:94 Burgerlijk Pro Wetboek.
(…)
2.2
terugbetaling (vergoedingen)
hoeveel is de vergoeding?
Een echtgenoot van wie geld is gebruikt (in de zin van artikel 1:87 Burgerlijk Pro Wetboek) voor het vermogen van de andere echtgenoot, heeft recht op terugbetaling van een geldbedrag. (…)
2.3
niet jaarlijks het inkomen delen
De echtgenoten hebben geen jaarlijks verrekenbeding van inkomsten zoals geregeld in Boek 1, titel 8.2 Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat zij aan het einde van het kalenderjaar niet samen hun inkomen delen dat overblijft na betaling van de huishoudkosten.
(…)
3. Bij echtscheiding
3.1
delen waarde vermogen
wat wordt bij echtscheiding gedeeld?
Als een echtscheidingsverzoek wordt ingediend, delen de echtgenoten de waarde van alle goederen en schulden die zij hebben, met uitzondering van:
- de goederen en schulden van een bedrijf van een echtgenoot en dat wat daarvoor in de plaats is gekomen;
- het vorderingsrecht (en de bijbehorende betalingsverplichting) ontstaan door de correctie betaling kosten van de huishouding beschreven in artikel 2.1 van deze huwelijkse voorwaarden voor het kalenderjaar waarin het echtscheidingsverzoek is ingediend én voor het jaar daaraan voorafgaand;
- de vergoedingsrechten (en de bijbehorende betalingsverplichting) die zijn ontstaan omdat is betaald aan goederen die in waarde niet worden gedeeld;
- de pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is en andere oudedagsvoorzieningen zoals koopsompolissen, lijfrenten, aanspraken vanwege oudedagsverplichtingen en bankspaarrekeningen voor een aanvullend pensioen;
De vordering van de vrouw is echter gemaximeerd op een miljoen euro (€ 1.000.000,00). Eventuele heffing van inkomsten- of schenkbelasting of andere belasting komt ten laste van de man.
Dit is een verrekenbeding zoals geregeld in Boek 1, titel 8.2 Burgerlijk Wetboek.
peildatum
Voor de waarde en de samenstelling van het vermogen dat wordt gedeeld, geldt als peildatum de dag waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend. (…)
5.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen met een
gemaximeerdbedrag, waarbij aan het einde van het huwelijk berekend moet worden wat er te verrekenen valt. Tegen dit oordeel komt geen van partijen in hoger beroep op, zodat dit in rechte vast staat. De vraag die in hoger beroep nog voor ligt is of de vrouw er niettemin, gelet op diverse berichten, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij hoe dan ook een miljoen euro zou ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit zo is en daarvan is de man in hoger beroep gekomen (zaaknummer
200.356.791).
5.5
Het hof is, in tegenstelling tot de rechtbank, van oordeel dat de vrouw er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij hoe dan ook € 1.000.000 zou ontvangen bij de echtscheiding. Het hof zal dat hierna toelichten.
5.6
In de correspondentie in aanloop naar de uiteindelijke echtscheiding, waarvan citaten in de beschikking van de rechtbank zijn opgenomen, ziet het hof niet dat aan de vrouw op enig moment een toezegging is gedaan dat zij sowieso een miljoen euro zou ontvangen. Kennelijk is de vrouw ervan uitgegaan dat er een zodanig vermogen was dat zij bij de uitvoering van het verrekenbeding dat miljoen euro wel zou krijgen, maar dat houdt niet in dat zij daar ook gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Als ook de man in de veronderstelling verkeerde dat er voldoende vermogen was om tot het maximum te verrekenen bedrag te komen, dan nog mocht de vrouw naar het oordeel van het hof, gelet ook op de duidelijke bewoordingen in de huwelijkse voorwaarden, er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij dit ook daadwerkelijk zou krijgen als er gerekend zou gaan worden ter uitvoering van het verrekenbeding. Op de zitting bij het hof is namelijk duidelijk geworden dat geen van partijen daadwerkelijk wist wat de omvang van de (te verrekenen) vermogens van partijen was; niet bij aanvang van het huwelijk en ook niet toen duidelijk werd dat het huwelijk op een echtscheiding zou uitdraaien. Indachtig de in de huwelijksvoorwaarden expliciet gemaakte afspraak dat de vrouw maximaal een miljoen euro zou toekomen bij toepassing van het verrekenbeding, kan dan geen sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen dat de vrouw zeker een miljoen zou ontvangen als resultaat van de verrekening.
De berichten van de man en de voorstellen die hij in die berichten deed leiden er ook niet toe dat er aan zijde van de vrouw een zodanig gerechtvaardigd vertrouwen kan worden aangenomen. Het hof waardeert die berichten en voorstellen anders dan de rechtbank. Die berichten en voorstellen van de man moeten naar het oordeel van het hof worden gezien in het licht van pogingen van de man om het huwelijk alsnog te redden, zoals ook door de man ter zitting bij het hof is betoogd. Partijen hebben ook sessies gevolgd bij een relatietherapeut. Tegen die achtergrond en in die periode deed de man enkele voorstellen en noemde hij verschillende bedragen, maar hij deed daarin niet een ondubbelzinnige toezegging aan de vrouw dat zij bij de echtscheiding gegarandeerd een miljoen euro zal ontvangen.
5.7
De rechtbank wijst op een e-mail van 4 september 2018. Dat is een e-mailbericht voorafgaand aan het huwelijk. Nu echter in rechte vast staat dat partijen geen vast bedrag zijn overeengekomen maar een gemaximeerd bedrag, is correspondentie van voor het huwelijk en van voor de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden niet meer relevant. Op basis van die correspondentie kan immers geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de vrouw bij echtscheiding een vast bedrag van een miljoen euro zou ontvangen. De rechtbank hecht ook waarde aan een e-mailbericht van de man van 9 oktober 2019 en vermeldt daarbij dat dit bericht ziet op de situatie dat de man eerder zou overlijden dan de vrouw. Daaruit zou de vrouw volgens de rechtbank hebben mogen afleiden dat het vermogen van de man meer is dan vijf miljoen euro. Het moge zo zijn dat de vrouw daaruit heeft afgeleid dat er op dat moment meer dan vijf miljoen euro was, maar dat rechtvaardigt nog niet de gedachte dat zij bij een echtscheiding gegarandeerd een miljoen euro zou ontvangen. Deze e-mail ziet op de situatie van overlijden waarbij een ruimere verrekening is overeengekomen die ook de waarde van de onderneming van de man omvat. Die brief dateert bovendien van bijna twee jaar voor het door de vrouw ingediende echtscheidingsverzoek.
5.8
Ook de door de rechtbank geciteerde appberichten van de man van 27 en 28 mei 2020 overtuigen het hof niet. Daarin zegt de man dat hem bijstaat dat de vrouw bij scheiding een netto bedrag zal ontvangen. Dat klopt ook, want dat staat in de huwelijkse voorwaarden. Er wordt, zoals de rechtbank ook al opmerkt, in dat bericht echter geen concreet bedrag genoemd. Niet valt in te zien hoe de vrouw hieruit dan toch mocht afleiden dat zij het gemaximeerde bedrag van een miljoen euro zeker zou ontvangen, temeer omdat partijen, zoals hiervoor al gemeld, toen niet wisten wat de omvang van hun (te verrekenen) vermogens was en dus ook niet waar toepassing van het verrekenbeding toe zou leiden. Als het door de rechtbank geciteerde gedeelte wordt bezien in de context van de gehele overgelegde tekst van die berichten, komt daaruit komt een beeld naar voren van een man die nog steeds van zijn vrouw houdt, niet wil scheiden, haar wil geruststellen en haar vertrouwen wil herwinnen.
5.9
Ook uit het door de rechtbank genoemde bericht van 10 november 2020 volgt dat de man nog zielsveel van de vrouw houdt, gefrustreerd is dat zij hem niet vertrouwt en zich gekwetst voelt door de uitlatingen van de vrouw die hem kennelijk voor leugenaar uitmaakt. Ook beseft hij dat er geen toekomst meer voor hen samen is en reageert hij op de vraag van de vrouw wat de volgende stappen zijn. Vervolgens noemt hij vermogensbestanddelen en bedragen, aandelen die de vrouw al heeft, dat hij auto’s zal verkopen om geld vrij te maken en bedragen aan haar zal overmaken. Daarbij constateert hij enigszins sarcastisch dat de vrouw dan in twee en half jaar een miljoen van de man heeft gehad. Hij schrijft: ‘
Volgend jaar, als er meer wordt verkocht wordt dit bedrag zsm aangevuld met € 450.000. Tot een totaal van € 1.000.000 en ben je miljonair. Gefeliciteerd. Dat heb je snel gedaan in 2,5 jaar. Is mij niet gelukt.’ Verderop in het bericht schrijf hij: ‘
Maar ook hoop ik dat je vrede hebt met het feit dat je mij in 2,5 jaar € 1.000.000 lichter hebt gemaakt. Ik wilde je beschermen. Ik heb eerst € 250.000 op jouw rekening overgemaakt. Voor als mij iets zou overkomen. Ik wilde niet dat mijn kids je iets zouden aandoen. Daarom ook dat geld. En ik wilde ook dat je als er iets tussen zou komen je ook zonder mij verder kon leven. Daarom ook € 1.000.000.’ Het zijn voorstellen om tot een afronding te kunnen komen zonder een langdurige gerechtelijke procedure. Alles bij elkaar komt hij dan opgeteld over de afgelopen twee en half jaar op een miljoen uit. Dit is het enige bericht in het dossier waar de man een miljoen euro noemt, maar niet zodanig dat de vrouw daaruit mocht afleiden dat zij hoe dan ook een miljoen euro bij het einde van het huwelijk zou ontvangen. Uit het hele bericht komt een beeld van teleurstelling en emoties naar voren. In dat licht moeten ook de daarin genoemde voorstellen worden gezien. Wellicht heeft de man hierbij het maximum van een miljoen euro uit de huwelijkse voorwaarden in het achterhoofd gehad, ervan uitgaande dat de vrouw bij toepassing van het verrekenbeding wel aan dit bedrag zou komen, maar dat rechtvaardigt nog niet dat vrouw er ook op mocht vertrouwen dat dit zo zou zijn. Er was immers nog geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding en beide partijen wisten niet wat de omvang van het te verrekenen vermogen was. Wel kenden zij het gemaximeerde verrekenbeding dat zij twee en half jaar eerder waren overeengekomen en in hun huwelijkse voorwaarden hadden opgenomen. Uit de hele gang van zaken rondom de echtscheiding vloeit naar het oordeel van het hof niet voort dat de vrouw er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij bij het einde van het huwelijk een miljoen euro zou ontvangen.
5.1
Het hof zal dus de beslissing van de rechtbank van 14 april 2025 vernietigen. De grieven 1 en 2 van de man slagen. Partijen zullen alsnog het tussen hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding moeten uitvoeren. In dat kader zal eerst duidelijk moeten worden wat het vermogen van ieder van partijen op de peildatum was. Vervolgens zal moeten worden gekeken welke vermogensbestanddelen van die vermogens onder het verrekenbeding vallen en welke waarde die op de peildatum hadden. Eerst dan kan worden vastgesteld of aan de vrouw een bedrag toekomt en hoeveel. En als daar een bedrag uitkomt, is dit op grond van de huwelijkse voorwaarden gemaximeerd op een miljoen euro. Het hof adviseert partijen om het verrekenbeding met behulp van een notaris uit te voeren.
5.11
Het voorgaande betekent ook dat het hof het subsidiaire verzoek van de man in zaaknummer
200.333.026zal toewijzen betreffende verrekening met het voorschot van € 300.000.
wettelijke rente over het te betalen bedrag
5.12
In zijn derde grief in zaaknummer
200.356.791komt de man op tegen het oordeel dat hij over het bedrag wat hij aan de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden moet voldoen de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 16 maart 2021.
5.13
Ook deze grief slaagt. Op zichzelf is de overweging van de rechtbank juist dat een vordering uit hoofde van en periodiek of finaal verrekenbeding ontstaat in het in de huwelijkse voorwaarden bepaalde tijdstip of op het in artikel 1:142 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek bedoelde tijdstip. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen het volgende overeengekomen:
Bij een gezamenlijk echtscheidingsverzoek moet het bedrag binnen twee jaar worden betaald na de uitspraak van de rechter. Bij een eenzijdig echtscheidingsverzoek moet het bedrag binnen twee jaar worden betaald nadat de uitspraak van de rechter is ingeschreven bij de gemeente.
5.14
Over het moment waarop die vordering opeisbaar is hebben partijen dus afspraken gemaakt. Er is dan ook pas sprake van verzuim nadat de vordering opeisbaar is en eerst vanaf dat moment wordt de wettelijke rente verschuldigd.
c. de partneralimentatie
5.15
In haar (incidenteel) hoger beroep in zaaknummer
200.333.026heeft de vrouw gesteld dat zij zal afzien van een aanspraak op partneralimentatie wanneer zij door de rechtbank en het hof in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de door haar verzochte € 1.000.000 in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Nu het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de € 1.000.000 niet in stand laat, zal het hof ook oordelen over de partneralimentatie.
5.16
Op de mondelinge behandeling heeft de man zich geconformeerd aan het toepassen van de hofnorm ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte, zodat partijen het daar over eens zijn. Die behoefte is door bij de rechtbank al vastgesteld op € 6.899 netto per maand.
5.17
Vervolgens zal moeten worden bezien in hoeverre de vrouw in staat is om zelf in die behoefte te voorzien. Er is pas sprake van behoeftigheid als een onderhoudsgerechtigde niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist en zich deze middelen in redelijkheid ook niet kan verwerven. Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn te verlangen dat op dat vermogen wordt ingeteerd.
5.18
De duur van de onderhoudsverplichting is afhankelijk van de duur van het huwelijk en vangt niet eerder aan dan op het moment van inschrijving de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In het onderhavige geval is de echtscheidingsbeschikking op 21 augustus 2023 ingeschreven en heeft de advocaat van de man ter zitting onweersproken verklaard dat de bijdrageverplichting op 3 februari 2026 is geëindigd. De onderhoudsverplichting strekt zich dus uit over een periode van ongeveer twee en half jaar, welke periode al is geëindigd. Vaststelling van het inkomen en vermogen van de vrouw zou dus eenvoudig moeten zijn.
5.19
De vrouw heeft echter geen volledig inzicht gegeven in haar inkomen en in het geheel niet in haar vermogen. Ten aanzien van 2025 ontbreken inkomensgegevens. Wel heeft de vrouw een aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd waaruit blijkt van een inkomen uit uitkering/pensioen van € 83.070. Nu gegevens over 2025 ontbreken gaat het hof ervan uit dat dit in 2025 niet minder zal zijn. De man heeft in eerste aanleg al gesteld dat de vrouw een erfenis heeft ontvangen wegens het overlijden van haar moeder. Volgens de man gaat dat om ongeveer een half miljoen euro. De vrouw heeft dat niet weersproken en evenmin bevestigd. Ook in hoger beroep heeft man dit weer aan orde gesteld en ook daar heeft vrouw dat niet weersproken of bevestigd en is daar ook niet op ingegaan, terwijl dit wel had gekund en gemoeten. Zeker nu het kennelijk om een substantiële erfenis gaat. Het is immers de vrouw die stelt dat zij onvoldoende middelen heeft om in haar behoefte te voorzien. Dan ligt het op haar weg om dit aan te tonen als dit wordt betwist. Dat heeft zij niet gedaan, zodat haar behoeftigheid niet is komen vast te staan en het hof haar verzoek om partneralimentatie zal afwijzen. Daarbij neemt hof ook in overweging dat de vrouw tot eind november 2023, mede volgens overgelegde aangiften inkomstenbelasting van 2019 tot en met 2022, over een aanzienlijk arbeidsinkomen beschikte. Ook beschikt zij, volgens die aangiftes en de aangifte 2024 over een behoorlijk eigen vermogen in de vorm van banktegoeden.
5.2
Gelet op het vorenstaande komt het hof niet meer toe aan beoordeling van de draagkracht van de man.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de man in zaaknummer
200.356.791. Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 14 april 2025 vernietigen, voor zover daarin de man is veroordeeld om in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw € 1.000.000 netto te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2021. Verder zal het hof voor recht verklaren dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het bedrag van € 300.000 dat al aan de vrouw is voldaan, of zo de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000 aan de vrouw moet voldoen bepalen dat de vrouw het verschil aan de man moet terugbetalen en voor het geval de man op grond van het verrekenbeding geen bedrag aan de vrouw hoeft te voldoen bepalen dat de vrouw de € 300.000 aan de man moet terug betalen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 5 juli 2023, voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie is afgewezen, bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep (in beide zaaknummers) compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 april 2025, voor zover daarin de man is veroordeeld om in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw € 1.000.000 netto te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2021;
7.2
verklaart voor recht dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het bedrag van € 300.000 dat al aan de vrouw is voldaan, of zo de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000 aan de vrouw moet voldoen, dat de vrouw het verschil aan de man moet terugbetalen en voor het geval de man op grond van het verrekenbeding geen bedrag aan de vrouw hoeft te voldoen, dat de vrouw de € 300.000 aan de man moet terug betalen;
7.3
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 juli 2023, voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie is afgewezen;
7.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in beide zaaknummers in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en
L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.