In deze ontnemingszaak heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de economische politierechter. Betrokkene was veroordeeld voor twee overtredingen van artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, waarbij financieel voordeel werd behaald. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €20.036,02, een bedrag dat niet in geschil is.
De politierechter had de betalingsverplichting op nihil gesteld vanwege onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek, de draagkracht van betrokkene en overschrijding van de redelijke termijn. Het hof oordeelt dat de onvolkomenheden reeds in de strafzaak zijn meegewogen en dat de draagkracht van betrokkene onvoldoende is onderbouwd om matiging te rechtvaardigen. Wel wordt de betalingsverplichting verminderd met €5.000 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis en legt betrokkene een betalingsverplichting van €15.036,02 op aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslissing is genomen op 22 april 2026 door de economische kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden.