Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2412

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
200.360.759
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c lid 1 BWArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbreiding videobelcontact tussen vader en minderjarige onder regie GI

De rechtbank Overijssel wees het verzoek van de vader af om samen met de moeder het gezag over de minderjarige te krijgen en bepaalde dat de omgang onder regie van de gecertificeerde instelling (GI) moest plaatsvinden. De vader verbleef in een penitentiaire inrichting en de minderjarige woonde bij pleegouders sinds december 2024.

In hoger beroep bevestigde het hof het besluit over het gezag vanwege het onaanvaardbare risico dat de minderjarige klem zou raken tussen de ouders, mede door de verstoorde verstandhouding en de kwetsbare situatie van de moeder. De vader kan vanwege zijn detentie en restricties ook niet adequaat deelnemen aan gezamenlijk gezag.

Het hof oordeelde dat het huidige videobelcontact tussen vader en minderjarige te weinig frequent is om een band op te bouwen en besloot dit uit te breiden naar minimaal eenmaal per maand. Fysiek contact werd nog niet toegestaan vanwege de onrust en het terugplaatsingstraject van de minderjarige. De regie over verdere omgang blijft bij de GI.

De beschikking van de rechtbank over het gezag blijft in stand, de omgangsregeling wordt aangepast en het hoger beroep van de vader wordt deels toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het gezag bij de moeder en breidt het videobelcontact tussen vader en minderjarige uit naar minimaal eenmaal per maand onder regie van de GI.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.759
(zaaknummer rechtbank Overijssel 266296)
beschikking van 9 april 2026
inzake
[verzoeker](de vader)
die verblijft in de PI [plaats]
advocaat: mr. E. Uijt de Boogaardt
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A. Heidema
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo (O)
en
opa en oma (mz)(de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam]

1.Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft het verzoek van de vader om (samen met de moeder) het gezag over [de minderjarige] te krijgen, afgewezen. Verder heeft de rechtbankbepaald dat aan de omgang van de vader met [de minderjarige] onder regie van de Gl invulling moet worden gegeven.
Het hof beslist dat de beslissing van de rechtbank over het gezag in stand moet blijven en dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] moet worden uitgebreid naar minimaal eenmaal per maand videobellen. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2018 geboren. De moeder heeft alleen het gezag over hem.
2.2.
De rechtbank heeft de vader in een tussenbeschikking van 17 januari 2022 vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen. De vader heeft [de minderjarige] vervolgens bij de burgerlijke stand erkend [in] 2022.
2.3.
Op verzoek van de rechtbank heeft de raad onderzoek verricht naar het gezag over en de omgang van de vader met [de minderjarige] . De raad heeft op 31 oktober 2022 een rapport uitgebracht met een advies. Bij brief van 16 april 2024 heeft de raad een aanvullend rapport en advies aan de rechtbank gegeven.
2.4.
Naar aanleiding van een melding van de gemeente over [de minderjarige] , heeft de raad een beschermingsonderzoek uitgevoerd. De raad heeft op 19 november 2024 een rapport uitgebracht en de rechtbank verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. Deze verzoeken heeft de rechtbank toegewezen; [de minderjarige] staat sinds 12 december 2024 onder toezicht van de GI en [de minderjarige] woont vanaf 12 december 2024 met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders (opa en oma van moederszijde).

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank – na wijziging van zijn verzoeken – verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorg-/omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader, zolang hij nog in [plaats] is gedetineerd, wekelijks een belmoment heeft met [de minderjarige] en dat hij een begeleid bezoekmoment krijgt met [de minderjarige] .
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader over het gezag afgewezen en over de omgang bepaald dat hieraan in het kader van de ondertoezichtstelling onder regie van de Gl invulling wordt gegeven (als het gaat om duur, frequentie en/of begeleiding).
3.3.
De beslissing over de omgang mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing is door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4
De beslissingen zijn vastgelegd in de eindbeschikking van 28 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en hij komt daarom in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en hem alsnog met de moeder samen het gezag geeft over [de minderjarige] . Als omgangsregeling verzoekt de vader het hof te bepalen dat hij één keer per maand één uur begeleid omgang met [de minderjarige] mag hebben in de systeem-/ familiekamer van de PI [plaats] – en dat de Gl verder de regie heeft over de duur, frequentie, vorm en opbouw van het overige omgangscontact met [de minderjarige] .
4.2.
De moeder is het wel eens met de beslissingen van de rechtbank en wil dat deze in stand blijven.
4.3.
De GI vindt ook dat de beslissingen van de rechtbank in stand moeten blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 23 oktober 2025
  • het verweerschrift van de moeder
  • de stukken van de vader, ingediend op 26 februari 2026
  • de stukken van de vader, ingediend op 10 maart 2026
4.5.
De zitting bij het hof was op 5 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de vader
  • de advocaat van de vader
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet over het gezag?
5.1.
De tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die niet eerder het gezag samen met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [1]
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders als de vader ook het gezag krijgt.
Vast staat dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Hoewel er in 2024 sprake was van enige verbetering in hun contact, zijn er vervolgens nieuwe ontwikkelingen geweest waardoor de situatie juist weer is verslechterd.
De moeder heeft in september 2025 een afkick- en behandeltraject afgrond. Duidelijk is dat zij in het verleden ernstig getraumatiseerd is geraakt. De moeder heeft verklaard dat zij hevige fysieke en emotionele reacties (paniek, stress, verhoogde hartslag, buikpijn enzovoort) ervaart bij het idee dat zij het gezag samen met de vader moet uitoefenen. Zij werkt met professionele ondersteuning aan verder herstel, maar bevindt zich nog steeds in een kwetsbare fase. [de minderjarige] woont sinds december 2024 bij zijn opa en oma en de GI heeft meegedeeld dat binnen de ondertoezichtstelling wordt gewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige] bij zijn moeder. Dat gaat stapsgewijs; [de minderjarige] verblijft drie keer per week bij de moeder met één overnachting van de zondag op de maandag.
Het hof is van oordeel dat (het toewerken naar) terugplaatsing bij de moeder thuis erg belangrijk is voor [de minderjarige] en niet in gevaar moet worden gebracht. De moeder voorziet de vader maandelijks van informatie over de ontwikkelingen van [de minderjarige] , maar heeft daar al professionele ondersteuning bij nodig. Aannemelijk is dat het uitvoeren van gezamenlijk gezag in combinatie met haar herstelproces en het terugplaatsingstraject een te zware opgave is voor de moeder.
Daar komt bij dat de vader, hoe onfortuinlijk ook, inmiddels al bijna anderhalf jaar in een penitentiaire inrichting verblijft in afwachting van een plek in een tbs-kliniek waar hij behandeld gaat worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat sprake is van lange wachtlijsten voor de tbs-klinieken. Het is waarschijnlijk dat de plaatsing van de vader nog heel lang zal duren. De vader kan zich dus de komende jaren in ieder geval niet vrij bewegen en heeft te maken met allerlei restricties. Dit bemoeilijkt eventueel overleg met de moeder en GI over [de minderjarige] . Ook in praktisch opzicht zijn er dus belemmeringen voor de uitvoering van het gezamenlijke gezag.
Zoals de raad heeft vastgesteld hebben beide ouders nog een langdurig traject voor de boeg. Het hoger beroep van de vader slaagt daarom niet.
Wat staat in de wet over de omgang?
5.3.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de vader het afgelopen jaar ongeveer eenmaal per zes tot acht weken een videobelmoment met [de minderjarige] heeft gehad en dat dit goed verloopt. Het hof vindt de frequentie van dit contact erg laag en te weinig om een band op te kunnen bouwen tussen vader en zoon.
In het verslag van [naam1] over het verloop van de contactmomenten wordt beschreven dat [de minderjarige] hiervoor door een medewerker van [naam1] wordt opgehaald bij zijn opa en oma. Bij [naam1] gaan de medewerker en [de minderjarige] vervolgens samen videobellen. De vader en [de minderjarige] zijn blij om elkaar te zien en te spreken, zij tonen interesse in elkaar en de vader kan [de minderjarige] goed begrenzen. Volgens de medewerker van [naam1] is het wenselijk om het contact verder te versterken met fysieke omgang.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op dit verslag gereageerd en verteld dat het contact met zijn vader belangrijk is voor [de minderjarige] . Toch ziet de GI nog geen ruimte voor uitbreiding van het contact, omdat [de minderjarige] op dit moment al met veel onrust en veranderingen in zijn opvoedsituatie te maken heeft.
Het hof ziet op dit moment ook, wegens de situatie van de vader in combinatie met het terugplaatsingstraject van [de minderjarige] , (nog) geen ruimte voor een uitbreiding naar fysiek contact tussen [de minderjarige] en zijn vader. Dit zal een te grote belasting en verandering veroorzaken voor [de minderjarige] en voor zijn opvoedingsomgeving.
Voor een geringe uitbreiding van de videobelmomenten ziet het hof wel mogelijkheden, ook al wordt er gewerkt aan een terugplaatsingstraject naar de moeder en vormt het contact van [de minderjarige] met zijn vader een belasting voor zijn verzorgers. Het hof weegt daarbij mee dat niet gesteld of gebleken is dat het contact met zijn vader achteraf een negatieve weerslag heeft op [de minderjarige] . Het hof passeert daarom het advies van de raad om de regie volledig bij de GI te laten. Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige] dat de frequentie van het videobellen wordt uitgebreid naar eenmaal per maand.
De regie voor eventuele verdere uitbreiding van het contact tussen de vader en [de minderjarige] in de toekomst moet naar het oordeel van het hof wel volledig bij de GI blijven. De GI heeft goed zicht op de algehele situatie en is deskundig. Dat het hof – anders dan de GI – van oordeel is dat de frequentie van de videobelmomenten moet worden verhoogd , maakt dat niet anders.
Het hoger beroep van de vader slaagt dus gedeeltelijk en daarom beslist het hof zoals hierna, onder 6. is opgeschreven.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 28 juli 2025 ten aanzien van het gezag;
6.2.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 28 juli 2025 ten aanzien van de omgangsregeling, en bepaalt dat de vader en [de minderjarige] minimaal eenmaal per maand omgang met elkaar hebben via videobellen en dat onder regie van de GI invulling wordt gegeven aan eventuele verdere uitbreiding van de omgang (duur, frequentie, begeleiding, fysieke vorm);
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer. R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:253c lid 1 BW.
2.artikel 1:377a lid 2BW