Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2403

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
200.361.435
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing uitvoerbaarheid vonnis staken permanente bewoning recreatiewoning

Appellanten zijn eigenaren van een recreatiewoning op een bungalowpark en gebruiken deze volgens de VvE voor permanente bewoning, wat volgens het reglement niet is toegestaan zonder gemeentelijke toestemming. De VvE vorderde staking van deze permanente bewoning en kreeg bij de rechtbank gelijk, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Appellanten gingen in hoger beroep en verzochten om schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis totdat het hoger beroep is beslist. Zij stelden dat hun belang bij het kunnen blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van de VvE bij uitvoering, onder meer omdat de gemeente niet handhaaft op permanente bewoning en zij geen alternatieve woning konden vinden.

Het hof oordeelde dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar dat de belangenafweging in dit incident geen aanleiding gaf tot schorsing. De door appellanten aangevoerde omstandigheden, zoals vermeende willekeur van de VvE en privacy-inbreuk, rechtvaardigen geen schorsing. Ook de brief van de gemeente en de instructie van de minister zijn relevante punten voor de hoofdzaak, niet voor dit incident.

Het hof wees de vordering tot schorsing af en veroordeelde appellanten tot betaling van de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis af en veroordeelt appellanten tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.435
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 585550
arrest in het incident van 21 april 2026
in de zaak van

1.[appellant]

2. [appellante]
die wonen in [woonplaats]
hierna samen: [appellanten]
advocaat: mr. D.M.R. Janssen
en
Vereniging van Eigenaars [geïntimeerde]
die is gevestigd in [woonplaats]
hierna: de VvE
advocaat: mr. D.N. Reijnders

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 30 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten]
  • de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv Pro van [appellanten]
  • de antwoordconclusie in het incident van de VvE .
1.2.
Hierna heeft het hof arrest bepaald in het incident.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellanten] zijn de eigenaren van een recreatiewoning (hierna ook: de woning) op het park [bungalowpark] . Volgens de VvE gebruiken [appellanten] deze woning voor permanente bewoning. In de reglementen van de VvE staat dat dit niet is toegestaan (tenzij de gemeente hiervoor toestemming geeft). Daarom wil de VvE dat [appellanten] de permanente bewoning beëindigen. De rechtbank heeft de VvE gelijk gegeven en [appellanten] veroordeeld om de permanente bewoning van de woning te staken. De rechtbank heeft haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. [appellanten] zijn in hoger beroep gegaan tegen het vonnis en vragen het hof in dit incident de uitvoerbaarheid van het vonnis te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
2.2.
Het hof zal de vordering van [appellanten] tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis afwijzen. Het hof zal zijn beslissing hieronder toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

juridisch kader
3.1.
Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis (artikel 351 Rv Pro) geldt het volgende. [1]
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of kort geding uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eiser of verzoeker hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
standpunt [appellanten]
3.2.
[appellanten] onderbouwen hun incidentele vordering als volgt. Het belang van [appellanten] bij het kunnen blijven wonen op het park totdat op het hoger beroep is beslist, weegt zwaarder dan het belang van de VvE bij uitvoerbaarheid van het vonnis. De VvE wordt namelijk niet in haar belang geschaad als [appellanten] meer dan zes maanden per jaar in hun woning zouden wonen. De VvE kan geen voorbeelden noemen van verloedering of vermindering van de leefbaarheid op het park. Daarnaast mogen andere bewoners van het park ook permanent in hun woning blijven, terwijl zij in sommige gevallen, anders dan [appellanten] , 100% van hun tijd op het park wonen. [eigenaar VvE] (hierna: de BV), de grootste eigenaar van de VvE en degene die permanente bewoning op het park een halt wil toeroepen, verhuurt haar woningen bovendien zelf (semi-)permanent. Het belang van [appellanten] zal ook worden geschaad als het vonnis zal worden uitgevoerd totdat in hoger beroep wordt beslist, omdat de VvE op onrechtmatige wijze bewijs verzamelt van de vermeende permanente bewoning door [appellanten] dagelijks te fotograferen. Het belang van [appellanten] om op het park te kunnen blijven is daarentegen groot. Het is [appellanten] niet gelukt een andere woning te kopen en het is ook niet reëel te verwachten dat dit binnen drie maanden zal lukken. Het huren van een andere woning is daarnaast erg kostbaar, als dat op de huidige woningmarkt al mogelijk is. Bovendien heeft [appellanten] inmiddels op 15 oktober 2025 een brief van de gemeente [de gemeente] (hierna: de gemeente) ontvangen waarin wordt toegezegd dat de gemeente op permanente bewoning op het park niet zal handhaven en dat met deze ambtelijke maatregel feitelijk hetzelfde wordt bereikt als met het afgeven van een gedoogbeschikking. De (vorige) minister van Volkshuisvesting heeft ook een instructie gegeven aan gemeenten om in verband met de woningnood bestaande gevallen van permanente bewoning toe te staan. De kans dat toestemming volgt van de gemeente is dus heel reëel.
oordeel hof
3.3.
Omdat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal het hof bij de beoordeling van de vordering van [appellanten] alsnog de belangen van partijen afwegen en zijn oordeel motiveren.
3.4.
Het hof stelt vast dat de door de rechtbank toegewezen vordering van de VvE niet ziet op ontruiming van de woning, maar op staking van permanente bewoning op het park. Hetgeen [appellanten] aandragen ter onderbouwing van hun schorsingsvordering, over het gebrek aan belang van de VvE bij uitvoering van het vonnis, de vermeende willekeur waarmee de VvE handelt en de onrechtmatige privacyschending ten behoeve van bewijsvergaring door de VvE , rechtvaardigt niet de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Of het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door [appellanten] genoemde punten juist is of niet, zal worden beoordeeld door het hof in de hoofdzaak en niet in dit incident.
3.5.
[appellanten] voeren aan dat zij inmiddels een – specifiek aan hen gerichte – brief hebben ontvangen van de gemeente waarin is toegezegd dat er niet wordt gehandhaafd op permanente bewoning op het park. Op zichzelf is begrijpelijk dat [appellanten] menen dat deze brief van belang is. In deze brief staat namelijk onder meer:
‘(…)
Gevolgen voor u
Met deze ambtelijke maatregel wordt feitelijk hetzelfde bereikt als het afgeven van een
gedoogbeschikking: er wordt niet gehandhaafd. Dit vormt misschien geen toestemming als bedoeld in het splitsingsreglement van de Vereniging van Eigenaars [geïntimeerde] , maar heeft wel hetzelfde rechtsgevolg en kan daarom onzes inziens als zodanig worden aangevoerd in de procedure waarin u gedagvaard bent. Voor andere overtreders van het verbod tot permanente bewoning staat namelijk óók vast dat zij vooralsnog geen aanschrijving tot beëindiging van de overtreding krijgen.’
De betekenis van deze brief is inzet van het geschil tussen partijen en zal te zijner tijd worden beoordeeld door het hof in de hoofdzaak. Het hof kan in het kader van dit incident er daarnaast niet op vooruitlopen of voor [appellanten] op instructie van de minister in de toekomst een toestemming voor permanente bewoning zal volgen.
3.6.
[appellanten] hebben verder een beroep gedaan op de ingrijpende gevolgen van het moeten regelen van een alternatief hoofdverblijf als omstandigheid die zou moeten leiden tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. [appellanten] hebben daarmee onvoldoende onderbouwd dat hun belang bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van de VvE bij uitvoerbaarheid van het vonnis. [appellanten] hebben immers aangevoerd dat zij tot zeker augustus 2029 de volledige beschikking hebben over de Hilversumse woning van hun dochter en haar gezin. Ook na terugkeer van hun dochter kunnen zij in die woning verblijven in een daartoe gecreëerde zelfstandige studio met keuken en badkamer op de zolder van die woning. Dit betekent dat het voor [appellanten] niet noodzakelijk is op korte termijn een andere woning te kopen of te huren omdat permanent verblijf op het park niet is toegestaan. Deze omstandigheden rechtvaardigen dus geen schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis.
De conclusie
3.7.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.8.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de proceskosten van het incident van de VvE ter hoogte van € 1.290 aan salaris van de advocaat van de VvE (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, K. Mans en G.R. den Dekker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 april 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.