ECLI:NL:GHARL:2026:2368

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.859/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 RVV 1990Art. 62 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Art. 13a WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor gebruik puntstuk in plaats van verdrijvingsvlak

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het gebruik van een verdrijvingsvlak met een boete van €250,-, later gematigd tot €187,50 door de kantonrechter wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep betwistte de gemachtigde dat sprake was van een verdrijvingsvlak en stelde dat het een puntstuk betrof.

Het hof onderzocht de situatie ter plaatse aan de hand van een Google Street View afbeelding en concludeerde dat het wegmarkering betreft die een puntstuk aanduidt, geen verdrijvingsvlak. Hierdoor kon de gedraging van het gebruik van een verdrijvingsvlak niet worden vastgesteld, maar wel het gebruik van een puntstuk. De feitcode werd dienovereenkomstig gewijzigd.

De betrokkene werd niet vrijgesteld van de sanctie omdat de verwijtbaarheid niet was onderbouwd. Het hof kende een proceskostenvergoeding toe voor de procedure bij de kantonrechter en het hoger beroep, waarbij de vergoeding voor het hoger beroep werd verminderd met een factor 0,1 conform de Wahv. De sanctie bleef €187,50. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie werd gegrond verklaard.

Uitkomst: De sanctie wordt gehandhaafd voor het gebruik van een puntstuk in plaats van een verdrijvingsvlak, met een boete van €187,50 en een proceskostenvergoeding van €513,70.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.859/01
CJIB-nummer
: 255413434
Uitspraak d.d.
: 21 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 januari 2023 om 15.38 uur op bij knooppunt Ressen in Elst met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50 omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet verwijtbaar is verricht. Daarnaast valt te betwisten of hier wel sprake is van een verdrijvingsvlak en niet van een puntstuk. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
3. De aan de betrokkene verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 77, eerste lid, in samenhang met artikel 62 van Pro het RVV 1990. In artikel 77, eerste lid, van het RVV 1990 is bepaald dat bestuurders verdrijvingsvlakken en puntstukken niet mogen gebruiken.
4. In artikel 1 van Pro het RVV 1990 is als definitie van een verdrijvingsvlak opgenomen: "gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht". In dat artikel is ook de definitie van een puntstuk opgenomen: "meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen".
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat het betrokken voertuig over het verdrijvingsvlak reed met vier wielen. (...)
Aan betrokkene is de cautie verleend.
Verklaring betrokkene: Ik dacht dat ik er nog wel voor kon.”
6. In hoger beroep heeft de gemachtigde een afbeelding van Google Street View ingebracht. Aangenomen kan worden dat deze afbeelding de situatie ter plaatse ten tijde van de gedraging weergeeft. Hieruit blijkt het volgende. Naast de rechterrijbaan van de A15 ligt een door middel van blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgesplitste uitvoegstrook voor rechts afslaand verkeer. Ter hoogte van de splitsing in verschillende wegen zijn op het wegdek twee doorgetrokken strepen aangebracht. Deze beginnen op hetzelfde punt en lopen uiteen en vormen vervolgens de doorgetrokken strepen aan de rand van de wegen. De ruimte tussen de doorgetrokken strepen is eerst leeg, daarna zijn op het wegdek twee korte doorgetrokken strepen aangebracht die beginnen op hetzelfde punt en uiteenlopen. De ruimte tussen deze strepen is ook leeg.
7. Gezien de uiterlijke verschijningsvorm en het gegeven dat de markeringen zijn aangebracht om aan te geven dat de wegen zich hier splitsen, is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake van een verdrijvingsvlak maar van een puntstuk. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gedraging ‶als bestuurders een verdrijvingsvlak gebruiken″ is verricht. Dit brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen.
8. Op basis van de gegevens in het dossier kan wel worden vastgesteld dat de gedraging ‶als bestuurder een puntstuk gebruiken″ is verricht. Nu bij de betrokkene redelijkerwijs geen misverstand kan zijn ontstaan over de vraag waartegen hij zich had te verdedigen en het sanctiebedrag voor beide gedragingen gelijk is, zal het hof overgaan tot wijziging van de feitcode.
9. De stelling dat de gedraging niet verwijtbaar is verricht, is door de gemachtigde in hoger beroep niet nader onderbouwd. Wat de gemachtigde eerder in de procedure hierover naar voren heeft gebracht, geeft het hof geen reden voor het oordeel dat de gedraging de betrokkene niet kan worden toegerekend. Aanleiding tot het achterwege laten van de sanctie is er daarom niet.
10. Het hof stelt vast dat, nu de betrokkene in het gelijk is gesteld, aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde voor het eerst in hoger beroep aangevoerd, terwijl deze grond al in administratief beroep had kunnen worden aangevoerd. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding een vergoeding toe te kennen voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten. De kosten van het beroep bij de kantonrechter zal het hof vergoeden omdat in die procedure het bedrag van de sanctie is gewijzigd vanwege een andere grond, namelijk overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
11. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, moet het bedrag van de in hoger beroep gemaakte proceskosten worden vermenigvuldigd met de in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv genoemde factor. Gezien het arrest van dit hof van 20 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:994) wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten vermenigvuldigd met factor 0,1.
12. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten € 513,70 (= (1 x € 934,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5 x 0,1)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd in R618A met als bijbehorende omschrijving van de gedraging ‶als bestuurder een puntstuk gebruiken″ en het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 513,70.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.