Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2361

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.359.034
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Brussel II-terArt. 5 HuwelijksvermogensrechtverordeningLaw on Marriage and Family 2000Verordening (EU) 2019/1111Verordening (EU) 2016/1103
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding met Vietnamees gebruiksrecht grond

Partijen zijn in 2012 in Vietnam getrouwd en hebben in 2024 beiden de Nederlandse nationaliteit. Na het verzoek tot echtscheiding in 2023 werd het huwelijk in januari 2025 ontbonden. De rechtbank bepaalde de verdeling van bankrekeningen, woning en grond in Vietnam, en schulden.

De vrouw stelde in hoger beroep dat de grond buiten de gemeenschap valt omdat het gebruiksrecht aan haar moeder toebehoort, en dat de man volledig aansprakelijk moet zijn voor schulden. Het hof vernietigde het deel van de beschikking over de grond en bepaalde dat het gebruiksrecht buiten de gemeenschap blijft. Verder werd bepaald dat partijen ieder de helft van de schulden dragen.

De vrouw kon geen bewijs leveren dat haar bankrekening in Vietnam nog bestond op de peildatum, en het hof bekrachtigde de beslissing over de bankrekeningen. De vrouw moest meewerken aan de verkoop van de woning via de voorgestelde makelaar, zonder toevoeging van extra makelaars of aftrek van herstelkosten vooraf. De man is ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep en zijn verzoeken werden deels toegewezen.

Het hof compenseerde de proceskosten en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De overige verzoeken werden afgewezen.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat het gebruiksrecht van de grond in Vietnam buiten de gemeenschap blijft en dat partijen de helft van de schulden dragen; overige verdeling wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.034
(zaaknummers rechtbank Gelderland, 427956 en 433266)
beschikking van 21 april 2026
inzake
[de vrouw] (de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. E. Maalsen
en
[de man] (de man)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 12 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger blijkt uit
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 oktober 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie
- het verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met productie
- een journaalbericht van mr. Coenders-El Dahri van 5 januari 2026 met productie
- een verklaring van de man die mr. Coenders-El Dahri op 19 februari 2026 heeft toegezonden.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 6 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en de vrouw is ook door een tolk bijgestaan.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen zijn [in] 2012 in [woonplaats4] , Vietnam met elkaar getrouwd. De man had ten tijde van het aangaan van het huwelijk de Nederlandse nationaliteit. De vrouw had toen de Vietnamese nationaliteit. [in] 2024 heeft de vrouw ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen.
2.2
De vrouw heeft [in] 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij de beschikking van 23 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn er nevenvoorzieningen getroffen die de kinderen betreffen. De rechtbank heeft in verband met het internationale aspect in de zaak het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) om advies gevraagd over het toepasselijke recht op de huwelijksgemeenschap van partijen en over de inhoud van Vietnamees huwelijksvermogensrecht. De verzoeken van partijen met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk zijn aangehouden en partijen zijn in de gelegenheid gesteld tot een reactie op het advies van het IJI.
2.3
Het huwelijk van partijen is op 23 maart 2025 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de (echtscheidings)beschikking.
2.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring – en voor zover in hoger beroep nog van belang – de wijze van verdeling als volgt gelast:
“bepaalt dat
- de vrouw aan de man inzicht moet verschaffen in de hoogte van de saldi van haar rekeningen bij de [bank1] met nummer [nummer1] en bij de [bank2] per 15 november 2023, zodanig dat de saldi objectief komen vast te staan
- de rekeningen bij de [bank1] met nummer [nummer1] en bij de [bank2] worden voortgezet door de vrouw onder de verplichting om de helft van de saldi van deze rekeningen per 15 november 2023 aan de man te betalen
- partijen de woning in [woonplaats3] aan het adres [adres1] in Vietnam door tussenkomst van de [makelaar1] , [adres2] , Vietnam, zullen verkopen en dat de opbrengst tussen partijen bij helft wordt verdeeld
- partijen de grond in [Vietnam] zullen verkopen en dat de opbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld
- ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schuld aan KION van € 4.343,48 en de helft van de schulden aan het Ministerie van Financiën van € 428 ( [nummer2] ), € 1.233 ( [nummer3] ), € 1.519 ( [nummer4] ) en € 1.080 ( [nummer5] ) moet dragen”.
2.5
De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof voor wat betreft de verdeling van de saldi op de bankrekening geen rekening houdt met de bankrekening van de vrouw in Vietnam, dan wel als rekening moet worden gehouden met de bankrekening in Vietnam, dat dit ook geldt voor de bankrekening van de man in Vietnam. Hij moet inzicht verschaffen in het saldo op deze rekening en de helft van dit saldo op peildatum 15 november 2023 aan de vrouw betalen. Verder moet voor wat betreft de woning in Vietnam rekening worden gehouden met alle kosten voor de verkoop, waaronder de kosten voor de aannemer voor het herstel van lekkage. Daarnaast verzoekt zij dat het hof, naast de in eerste aanleg genoemde makelaar, een tweetal makelaars toevoegt aan wie de opdracht tot verkoop van de woning kan worden gegeven. Tot slot moet het hof bepalen dat de grond in Vietnam buiten de gemeenschap valt als zijnde eigendom van de vrouw en dat voor wat betreft de schulden de man in de onderlinge verhouding tussen partijen geheel draagplichtig is voor de schulden bij KION en het Ministerie van Financiën.
2.6
De man voert verweer en heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij concludeert tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij veroordeling van de vrouw om inzage te verschaffen in haar bankrekeningen in Vietnam vanaf 1 november 2021 tot en met de peildatum, veroordeling van de vrouw om haar medewerking te verlenen en uitvoering te geven aan de beslissing van het hof ten aanzien van het geven van opdracht en het volgen van instructies van de makelaar om de woning in Vietnam te verkopen onder verbeurte van een dwangsom en hetzelfde voor de grond in Vietnam en tot slot dat het hof bepaalt dat de vrouw de helft van de aanslagen met nummer [nummer6] en [nummer7] van het Ministerie van Financiën en KION moet voldoen dan wel aan de man moet vergoeden voor zover hij het deel van de vrouw heeft voldaan.
2.7
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn incidenteel hoger beroep, dan wel tot afwijzing van zijn verzoeken als zijnde ongegrond.
2.8
Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de grond in [Vietnam] . Het hof zal bepalen dat het gebruiksrecht van de grond buiten de te verdelen ontbonden gemeenschap van goederen blijft. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en aanvullend bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ook de helft van de schulden ter zake van de kindgebonden budget aanslag 2023 van € 1.766 en de kinderopvangtoeslag van € 3.463 moeten dragen en dat de vrouw bewijs aan de man moet verstrekken van eventuele opheffing vóór peildatum van de rekening bij de [bank1] . Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting van de beslissing van het hof

procesrechtelijk
3.1
De verklaring van de man, als processtuk ingebracht op 19 februari 2026, laat het hof buiten beschouwing. De verklaring betreft de persoonlijke visie van de man op het geschil en is daardoor niet als processtuk aan te merken: de visie van de man wordt immers geacht door zijn advocaat te zijn verwerkt in het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep. Een ander oordeel zou betekenen dat de man in hoger beroep een extra schriftelijke ronde zou mogen nemen om zijn standpunten uiteen te zetten. Het burgerlijk procesrecht biedt daartoe echter geen gelegenheid.
rechtsmacht
3.2
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vrouw ten tijde van het aangaan van het huwelijk de Vietnamese nationaliteit had en de man de Nederlandse (zie r.o. 2.1). Daarom dient het hof ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk te oordelen, indien de Nederlandse rechter ook bevoegd is om over de echtscheiding tussen partijen te oordelen en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure aan hem is voorgelegd. Partijen hadden ten tijde van het inleidend verzoek beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van de echtscheiding (artikel 3, aanhef en sub a onder i Brussel II-ter [1] ) en daarmee dus ook ten aanzien van de verdeling (artikel 5, eerste lid, Huwelijksvermogensrechtverordening [2] ). Geen van de uitzonderingen op de koppeling tussen echtscheidings- en verdelingsbevoegdheid doet zich in dit geval voor.
toepasselijk recht
3.3
Geen van partijen heeft een grief geformuleerd tegen rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 van de bestreden beschikking. Daarin is overwogen dat (in het rapport van het IJI wordt bevestigd dat) het Vietnamees recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat na 24 augustus 2024 het Nederlandse recht van toepassing is.
huwelijksvermogensrecht in Vietnam op grond van de Law on Marriage and Family 2000
3.4
Ook hebben partijen geen grieven geformuleerd tegen rechtsoverwegingen 3.7 tot en met 3.11, zodat deze voor het hof bij de beoordeling het uitgangspunt vormen. Uit deze overwegingen volgt dat in Vietnam het wettelijke stelsel een beperkte gemeenschap van goederen is, ofwel een gemeenschap van aanwinsten. Als gemeenschappelijk moeten worden beschouwd vermogen verkregen staande huwelijk uit beroepsmatige werkzaamheden, gezamenlijk door erfrecht of schenking verkregen vermogen en vermogen dat gemeenschappelijk is omdat de echtgenoten dit zijn overeengekomen. Artikel 27 lid 3 van Pro
de Law on Marriage and Family 2000bevat een bewijsregel: wanneer beide echtgenoten aanspraak maken op de eigendom van een bepaald goed, wordt dit goed als behorend tot het gemeenschappelijk vermogen gezien zolang niet bewezen is dat het goed tot het persoonlijk vermogen van de ene of de andere echtgenoot behoort. Het persoonlijk vermogen van iedere echtgenoot wordt bepaald aan de hand van artikel 32 van Pro de wet van 2000. Tot het persoonlijk vermogen van iedere echtgenoot behoort onder andere het ten huwelijk aangebrachte vermogen, vermogen verkregen bij uitsluiting van de andere echtgenoot verkregen krachtens erfrecht of schenking, zaken bestemd voor het beroep of bedrijf, kleding, persoonlijke zaken. Iedere echtgenoot kan besluiten om een goed dat behoort tot het persoonlijk vermogen in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen. In geval van echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen verdeeld (artikel 95 wet Pro van 2000). Partijen kunnen zelf over deze verdeling afspraken maken. Bij gebreke van een dergelijke afspraak, beslist de rechter. In beginsel wordt het gemeenschappelijk vermogen bij helfte verdeeld, rekening houdend met de maatschappelijke en economische positie van iedere echtgenoot en diens bijdrage aan de ontwikkeling van het gemeenschappelijk vermogen.
peildata
3.5
Partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de verdeling van de gemeenschap van aanwinsten geldt de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, dus 15 november 2023.
3.6
Voor de bepaling van de waarde(ring) van de verschillende activa moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt weliswaar afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit. Daarvan is niet gebleken.
de rekening bij de [bank1] met nummer [nummer1] en de rekening bij de [bank2]
3.7
De vrouw meent dat de rechtbank ten onrechte een beslissing heeft genomen over de bankrekeningen ten name van de vrouw in Vietnam. De [bank1] is afgesloten en de vrouw heeft daar geen documenten van. De rekening is al lang geleden opgeheven en bestond dus niet meer op de peildatum. Om een bevestiging van de opheffing te verkrijgen moet de vrouw in Vietnam naar de bank gaan. Dit kan niet van haar worden verlangd. Van de bankrekening bij [bank2] heeft zij het rekeningafschrift bijgevoegd waaruit het saldo in november 2023 blijkt. Omgerekend is dit een bedrag van € 1,83. De man heeft overigens ook een bankrekening in Vietnam of heeft aldaar een bankrekening gehad. Voor zover van de vrouw wordt verlangd stukken te overleggen, moet ook de man stukken overleggen waaruit het saldo op de op zijn naam gestelde bankrekening op 15 november 2023 blijkt. De man betwist dat hij een bankrekening in Vietnam op zijn naam heeft.
3.8
De vrouw heeft, evenals in eerste aanleg, nagelaten informatie in het geding te brengen over de saldi op de peildatum (15 november 2023) van de rekening bij de [bank1] met nummer [nummer1] en de rekening bij de [bank2] . Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen en aanvullend beslissen dat, indien sprake is van opheffing vóór de peildatum van de rekening bij de [bank1] , de vrouw daarvan bewijs aan de man moet verstrekken. De grief van de vrouw faalt. De man verzoekt om inzage in het verloop van beide rekeningen over een langere periode gelegen vóór de peildatum (twee jaar, dan wel een jaar, dan wel drie maanden), omdat de vrouw huurpenningen zou hebben ontvangen, maar verbindt aan zijn verzoeken geen (juridische) consequenties, zodat het hof zijn verzoek zal afwijzen. De vrouw heeft, tegenover de betwisting van de man, in de verste verte niet aannemelijk gemaakt dat de man in Vietnam een bankrekening heeft. Haar verzoek om bewijs van het saldo op de peildatum, alsmede verdeling daarvan, zal het hof dan ook afwijzen.
woning in Vietnam
3.9
De vrouw kan zich vinden in wat de rechtbank ter zake van de woning in Vietnam heeft beslist. Zij verzoekt daarnaast dat het hof aanvullend bepaalt dat de leveringskosten en ook de kosten van herstel van de woning of het gereed maken van de woning of de documenten voor de verkoop van de woning worden afgetrokken van de opbrengst uit verkoop. Ook verzoekt zij om benoeming van nog twee makelaars. De man voert verweer. Hij verzoekt dat het hof de vrouw veroordeelt haar volledige medewerking te verlenen en uitvoering te geven aan de beslissing om de door de rechtbank benoemde makelaar opdracht te geven de woning te verkopen en (in incidenteel hoger beroep) verzoekt hij daaraan een dwangsom te verbinden in geval van niet nakomen.
3.1
Het hof is van oordeel dat de vrouw met gezwinde spoed moet meewerken aan verkoop van de woning in Vietnam. Door de man is als onweersproken gesteld dat al een jaar sprake is van een potentieel kandidaat-koper. In eerste aanleg waren partijen het erover eens dat de woning (tezamen met de inboedel) moet worden verkocht via een plaatselijke makelaar en hebben partijen afgesproken dat de man een voorstel zou doen voor een makelaar die verkoop ter hand zou nemen. De man heeft vervolgens [makelaar1] in [plaats1] in Vietnam voorgesteld en de vrouw heeft daar nooit bezwaar tegen gemaakt. Ook is door de man als onweersproken gesteld dat aan de makelaar tot op heden geen toegang tot de woning wordt verleend omdat de vrouw dat niet toestaat. Het hof ziet niet in waarom, anders dan de eerder gemaakte afspraken, nu nog een tweetal makelaars aan de opdracht moet worden toegevoegd. De vrouw heeft de noodzaak of belang daarvan niet aannemelijk gemaakt. Haar verzoek daartoe zal het hof dan ook afwijzen. Datzelfde geldt voor haar verzoek om nu al rekening te houden met alle kosten voor de verkoop, waaronder de kosten voor de aannemer voor het herstel van de lekkage (en het vergroten van een dakraam, het verwijderen van een balkon aan de achterzijde op de begane grond en het herbouwen van de ramen aan de achterkant). De rechtbank heeft reeds beslist dat de opbrengst na verkoop tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. Eerst na verkoop is bekend wat de kosten van verkoop zijn en kunnen die kosten, vóór verdeling bij helfte van de opbrengst, uit de verkoopopbrengst worden voldaan. De vrouw heeft, tegenover de betwisting van de man, niet aangetoond dat sprake is van lekkage en de noodzaak van verbouwingen/verbeteringen aan de in 2014 gebouwde woning, dat herstelwerkzaamheden en verbouwingen hebben plaatsgevonden en dat zij de kosten daarvan heeft betaald. Indien dit al het geval is geweest, dit blijkt immers nergens uit, had het op de weg van de vrouw gelegen om daar vooraf overleg met de man over te voeren. Ook had de vrouw de makelaar toegang tot de woning moeten verlenen, zodat de makelaar eventuele noodzakelijke (herstel)werkzaamheden voor verkoop had kunnen constateren en vastleggen. Zo is het niet gegaan. Eventueel gemaakte kosten, niet in overleg met de man verricht en ook niet aangetoond, komen dan ook voor rekening en risico van de vrouw. De grief faalt en de aanvullende verzoeken van de vrouw worden afgewezen. Het hof wijst ook het verzoek van de man tot het verbinden van een dwangsom aan de uitvoering van verkoop af. Indien de vrouw geen spoed achter de verkoop van de woning zet, ligt voor de man de weg naar het entameren van een kort geding open teneinde een executie van de beslissingen te vorderen.
grond in [Vietnam]
3.11
De vrouw kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank dat partijen de grond in Vietnam moeten verkopen en de opbrengst bij helfte tussen partijen moeten verdelen. Zij voert daartoe aan dat grond buiten de gemeenschap van goederen valt, omdat de grond niet haar maar haar moeder (in eigendom) toebehoort. De man voert verweer.
3.12
Het hof overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat in Vietnam geen privé-eigendomsrecht op grond mogelijk is; de mensen bezitten alle eigendomsrechten met de staat als beheerder. Inwoners van Vietnam krijgen een (grond)gebruiksrecht. De vrouw heeft stukken overgelegd en uit die stukken blijkt voldoende dat (alleen) de moeder van de vrouw na het overlijden van de vader van de vrouw het gebruiksrecht heeft geërfd. Naar het oordeel van het hof valt het gebruiksrecht van de grond dan ook niet in de ontbonden gemeenschap. De grief van de vrouw slaagt en het verzoek van de man om verkoop en verdeling van opbrengst bij helfte zal dan ook alsnog worden afgewezen.
schulden
3.13
De vrouw wenst dat het hof afwijkt van het uitgangspunt dat beide partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schulden moeten dragen. De man heeft namelijk tijdens het huwelijk alle administratie gedaan. De man voert verweer. Hij wenst bekrachtiging van de bestreden beschikking. De man heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Inmiddels is namelijk nog een tweetal aanslagen over het jaar 2023 opgelegd ten aanzien van ontvangen kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. Volgens de man zijn deze schulden ontstaan doordat ook de vrouw deze toeslagen, zonder kennisgeving aan de man, over dezelfde periode had aangevraagd nadat partijen feitelijk uiteengegaan waren. Ook voor deze schulden zijn beiden draagplichtig, aldus de man.
3.14
Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man in zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden omdat het volgens de vrouw zelfstandige verzoeken betreffen die voor het eerst worden gedaan in hoger beroep. Het hof overweegt dat de man in eerste aanleg verzoeken heeft gedaan welke hij in hoger beroep mag aanvullen en uitbreiden. Daarnaast geldt dat in een echtscheidingsprocedure een zelfstandig verzoek, dat voldoende verband met het verzoek tot echtscheiding inhoudt, ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het hoger beroep is overigens ook bedoeld om partijen de gelegenheid te geven fouten in de procedure bij de rechtbank te herstellen (‘de herstelfunctie van het hoger beroep’). De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoeken.
3.15
Uitgangspunt van de wet is dat sprake is van gemeenschapsschulden. Partijen zijn niet samen overeengekomen van de draagplicht bij helfte af te wijken. De omstandigheden dat de man de administratie van partijen deed en hij de toeslagen, die de oorzaak vormen van de schulden, heeft aangevraagd zijn onvoldoende om te oordelen dat draagplicht bij helfte onaanvaardbaar is. De schulden zijn huwelijkse schulden, waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. Uitgangspunt is dat de bedragen aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen, nu het tegendeel – zo al relevant – niet gebleken is. Daarbij is niet van belang wie de aanvragen voor deze toeslagen heeft gedaan (en op welke rekening de bedragen zijn gestort). Het hof ziet geen reden om tot een afwijkende draagplicht voor de schulden te komen. Het hof gaat er dan ook van uit dat beide partijen draagplichtig zijn en blijven voor alle gemeenschapsschulden die voor de peildatum zijn ontstaan. Dit betekent dat de grief van de vrouw faalt, de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd en het verzoek van de man voor wat betreft de twee nieuwe schulden in hoger beroep moet worden toegewezen.
conclusie
3.16
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (een procedure van gewezen echtelieden in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk).

4.De beslissing

Het hof:
in het principaal en in incidenteel hoger beroep
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2025 ten aanzien van de beslissing over (het gebruiksrecht van) de grond te [Vietnam] (Vietnam) en wijst het verzoek van de man tot verkoop en verdeling bij helfte van de opbrengst alsnog af en beslist verder aanvullend:
4.2
bepaalt dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schulden van € 1.766 (Kindgebonden budget aanslag 2023 [nummer6] ) en € 3.463 (Kinderopvangtoeslag € 3.463 aanslag 2023 [nummer7] ) moet dragen, dan wel dat de vrouw aan de man moet vergoeden voor zover hij het deel van de vrouw heeft voldaan;
4.3
bepaalt dat de vrouw aan de man bewijs moet overleggen van de door haar gestelde opheffing vóór de peildatum (15 november 2023) van de rekening bij de [bank1] met nummer [nummer1] in Vietnam;
4.4
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019.
2.Verordening (EU) 2016/1103 van 24 juni 2016.