Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2339

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
P26-044
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:31 SvArt. 6:6:11 SvArt. 6:6:4 SvArt. 6:6:3 SvArt. 495b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging PIJ-maatregel ondanks termijnoverschrijding wegens bijzondere omstandigheden

De zaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel, die ruim drie maanden te laat was ingediend. Het hof oordeelt dat ondanks de termijnoverschrijding de vordering binnen een redelijke termijn is ingediend en bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die verlenging rechtvaardigen.

De jeugdige, geboren in 2005, ondergaat een PIJ-maatregel vanwege ernstige geweldsdelicten. De maatregel begon op 3 oktober 2023 na een gegrond verklaard bezwaar tegen eerdere jeugddetentie. De jeugdinrichting rapporteert positieve ontwikkelingen, maar benadrukt dat de jeugdige zich nog in een cruciale fase van behandeling en resocialisatie bevindt, met een matig tot hoog recidiverisico.

De verdediging stelde niet-ontvankelijkheid van het OM wegens de late indiening en het nadeel voor de jeugdige, terwijl het OM stelde dat de belangen van de maatschappij en de positieve behandelvoortgang verlenging rechtvaardigen. Het hof vernietigt de eerdere beslissing omdat de zaak bij de rechtbank onterecht achter gesloten deuren werd behandeld terwijl de jeugdige toen 20 jaar was.

Uiteindelijk verlengt het hof de PIJ-maatregel met twaalf maanden, waarbij het belang van een zorgvuldige resocialisatie en bescherming van de maatschappij zwaarder wegen dan de termijnoverschrijding. De maatregel eindigt voorwaardelijk op 27 september 2026 en onvoorwaardelijk op 26 september 2027.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en verlengt de PIJ-maatregel met twaalf maanden.

Uitspraak

PIJ P26/44
Beslissing van 2 april 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[jeugdige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
verblijvende in Forensisch Centrum [locatie]
(hierna: de jeugdinrichting),
verder te noemen: de jeugdige.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 5 januari 2026. Deze beslissing houdt in de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
(hierna: PIJ-maatregel)en de verlenging van de PIJ-maatregel met een termijn van twaalf maanden.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 7 januari 2026 waarbij de jeugdige beroep heeft ingesteld;
- de aanvullende informatie van Forensisch Centrum [locatie] , ongedateerd en ontvangen op 6 maart 2026, met als bijlage het achtste perspectiefplan van 18 december 2025.
Het hof heeft ter zitting van 19 maart 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. [naam 1] en de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.
Het hof heeft ter zitting tevens als deskundige gehoord:
- mevrouw [naam 2] , GZ-psycholoog.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel
Het vonnis waarbij de PIJ-maatregel aan de jeugdige is opgelegd, is onherroepelijk geworden op 15 augustus 2023. De jeugdige heeft vanaf die datum eerst een vervangende jeugddetentie uitgezeten in de zaak met parketnummer 16-340301-21. In die zaak was aan de jeugdige een gedragsbeïnvloedende maatregel (
hierna: GBM) opgelegd, waarvan de omzetting in vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden is gevorderd. Tegen deze omzetting heeft de jeugdige bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is gegrond verklaard op 3 oktober 2023. Dit had tot gevolg dat de PIJ-maatregel is gaan lopen op 3 oktober 2023. De PIJ-maatregel eindigde daardoor in beginsel voorwaardelijk op 2 oktober 2025, tenzij er vóór 2 september 2025 een vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel zou zijn ingediend, conform het bepaalde in artikel 6:6:31, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel is echter pas ingediend op 5 december 2025 en op de griffie van de rechtbank binnengekomen op 9 december 2025. Dit betekent dat de vordering ruim drie maanden te laat is ingediend.
Het hof ziet zich daardoor voor de vraag gesteld of het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vordering tot verlenging van PIJ-maatregel.
Het beoordelingskader
In artikel 6:6:31, eerste lid, Sv is artikel 6:6:11 Sv Pro van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van artikel 6:6:11, derde lid, Sv kan het openbaar ministerie ondanks de termijnoverschrijding niettemin worden ontvangen in een verlengingsvordering die binnen een redelijke termijn is ingediend, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de jeugdige, verlenging van de PIJ-maatregel eist.
Deze wettelijke bepaling (artikel 6:6:11 Sv Pro) met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in een niet tijdig ingediende vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling was de codificatie (per 1 maart 2002) van de rechtspraak van deze kamer van dit gerechtshof. In de Memorie van Toelichting (TK 1999-2000, 27258, nr. 3, blz. 5 en 6) bij de wet waarmee dit artikel, destijds 509oa Sv, is ingevoerd, zijn de af te wegen factoren, samengevat, als volgt beschreven:
  • de belangen van de terbeschikkinggestelde, namelijk tijdig weten dat een vordering wordt ingediend en voor welke termijn, zodat hij zich samen met zijn advocaat kan voorbereiden op de procedure;
  • de belangen van de maatschappij, namelijk bescherming tegen het gevaar dat uitgaat van de terbeschikkinggestelde. Bij de beoordeling daarvan kan worden gekeken naar de fase van de behandeling en resocialisatie, het indexdelict en de al dan niet gemaximeerdheid van de maatregel, de risicotaxatie en de resterende behandelmogelijkheden;
  • de mate van en de reden voor de overschrijding van de termijn. Naarmate de overschrijding groter is, zullen zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de maatregel toch wordt verlengd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel. De jeugdige is te lang vastgehouden, zonder dat daar een juridische basis voor was. Er is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de jeugdige. De jeugdige heeft meerdere keren binnen de jeugdinrichting aangegeven dat de expiratiedatum was verstreken, maar dit werd telkens weggewoven. De jeugdinrichting heeft herhaaldelijk aangegeven dat er nog geen stappen gezet zouden worden, omdat de jeugdige pas zo kort in de PIJ-maatregel zat. Hierdoor heeft de jeugdige dus wel degelijk nadeel ondervonden van de te laat ingediende vordering. Ten aanzien van de belangen van de maatschappij wordt teruggegrepen op het recidiverisico. Voor wat betreft de individuele risicofactoren zijn de conclusies volgens de raadsman echter deels verouderd en van belang is dat er geen incidenten hebben plaatsgevonden. De mate van overschrijding is groot, waardoor zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de bijzondere omstandigheden. Het openbaar ministerie had zorg moeten dragen voor een tijdige verlenging van de PIJ-maatregel. Dat dit niet is gebeurd dient volgens de raadsman te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel. De advocaat-generaal heeft daarbij erkend dat sprake is van een forse overschrijding en heeft daarbij aangegeven dat de begindatum van de PIJ-maatregel niet op tijd is aangepast in het systeem van AICE, waardoor de vordering te laat is ingediend. Ten aanzien van de belangen van de jeugdige heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat uit de verslaglegging van de jeugdinrichting blijkt dat de PIJ-maatregel nog langere tijd moet duren en dat niet de verwachting is gewekt dat deze niet verlengd zou worden. Ook blijkt uit de stukken niet dat de jeugdige zelf de verwachting had dat de PIJ-maatregel niet verder zou worden verlengd. Volgens de advocaat-generaal is de jeugdige hierdoor in praktische zin feitelijk niet in zijn belangen geschaad. Ten aanzien van de belangen van de maatschappij is daarnaast sprake van een ernstig indexdelict en is er nog problematiek waaraan gewerkt moet worden. Het resocialisatietraject is in volle gang en de PIJ-maatregel bevindt zich volgens de jeugdinrichting op een cruciaal moment. Er zijn nog de nodige stappen te zetten. Zonder de PIJ-maatregel wordt het recidivegevaar ingeschat als matig tot hoog, wat maakt dat verlenging in het belang is van de maatschappij.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de officier van justitie de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel niet binnen de in artikel 6:6:31, eerste lid, Sv gestelde termijn heeft ingediend. Toch acht het hof, evenals de rechtbank, de officier van justitie ontvankelijk in die vordering. Het hof is van oordeel dat de vordering binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6:6:11, derde lid, Sv is ingediend. Daartoe overweeg het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat sprake is van een zeer forse overschrijding van de termijn. De verantwoordelijkheid om een verlengingsvordering tijdig in te dienen ligt bij het openbaar ministerie. Het hof vindt het dan ook te verwijten dat het openbaar ministerie, door een onjuiste notering van de startdatum van de PIJ-maatregel, de vordering drie maanden te laat heeft ingediend. Naarmate de overschrijding groter is, zullen zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de maatregel toch wordt verlengd. Dat is in dit geval aan de orde.
Het hof heeft gekeken naar de belangen van de jeugdige. Het hof stelt daarbij voorop dat de jeugdige een groot belang heeft om tijdig te weten of er een vordering tot verlenging wordt ingediend en met welke termijn. Tegelijkertijd is de PIJ-maatregel mede opgelegd in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. In dit geval gaat het om de eerste verlenging van de PIJ-maatregel. Uit de rapportages over de jeugdige blijkt dat hij een positieve ontwikkeling doormaakt binnen de jeugdinrichting. De jeugdige volgt therapieën en er is sprake van een voorzichtig groeiend probleembesef en zelfinzicht. Tevens heeft de jeugdige tijdens de begeleide verloven laten zien dat hij om kan gaan met toenemende vrijheden en verantwoordelijkheden. Inmiddels is de aanvraag voor onbegeleid verlof gestart. Dit onbegeleide verlof zal nieuwe oefenmogelijkheden bieden, waarbij de ingezette (gedrags)ontwikkeling verder uitgediept en bestendigd kan worden. De PIJ-maatregel bevindt zich dan ook op een cruciaal moment. De jeugdige heeft zelf verklaard dat het goed met hem gaat en dat hij baat heeft bij zijn behandeling. Het hof ziet dan ook dat de jeugdige een groot belang heeft bij het voortzetten van de PIJ-maatregel, zodat hij op een verantwoorde manier, in een rustig tempo kan terugkeren in de maatschappij hetgeen bijdraagt aan een duurzaam resultaat van de behandeling. Voorts blijkt uit de rapportages niet dat dat de jeugdige ervan uitging dat de PIJ-maatregel niet verlengd zou worden.
Verder heeft het hof gekeken naar de belangen van de maatschappij. Uit de rapportages blijkt dat sprake is van een matig tot hoog risico op herhaling van (gewelds)delicten, indien alle kaders nu wegvallen. Het gevolg van de niet-ontvankelijkheid zou zijn dat de jeugdige het laatste voorwaardelijk jaar in zou zijn gegaan, waarbij de hieraan te verbinden voorwaarden naar het oordeel van het hof, het recidiverisico onvoldoende kunnen inperken. De jeugdige overziet de negatieve gevolgen van zijn keuzes beperkt, is snel geneigd om zijn impulsen te volgen en beschikt nog over onvoldoende probleemoplossende vaardigheden. Binnen de behandeling moet verder gewerkt worden aan de behandeldoelen, zoals het verbeteren van de coping vaardigheden, het leren herkennen en ombuigen van antisociale cognities en het ontwikkelen van een eigen identiteit. Daarnaast moet worden ingezet op de verdere ontwikkeling van praktische vaardigheden en het vergroten van het steunnetwerk. De jeugdige bevindt zich op een belangrijk punt in zijn behandeling, te weten het starten met onbegeleid verlof. De maatschappij heeft er groot belang bij dat de jeugdige zijn behandeling en resocialisatietraject met succes doorloopt zodat hij op een verantwoorde manier kan terugkeren in de maatschappij.
Het hof is verder van oordeel dat in deze situatie sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De jeugdige zat een vervangende jeugddetentie uit vanwege een aan hem opgelegde GBM. Een daartegen ingediend bezwaarschrift is vervolgens gegrond verklaard. Hierdoor is de startdatum van de PIJ-maatregel vervroegd. Hoewel de verantwoordelijkheid om de startdatum van de PIJ-maatregel aan te passen in de systemen zonder meer bij het openbaar ministerie ligt, houdt het hof wel rekening met deze uitzonderlijke gang van zaken.
Gezien het nog aanwezige recidiverisico in combinatie met de aard en ernst van de indexdelicten alsmede de prille fase waarin de behandeling van de jeugdige en zijn resocialisatietraject zich nu bevinden, is het hof van oordeel dat de bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van de jeugdige uitgaat zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belang bij een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de verlengingsvordering. Daarbij is eveneens van groot belang dat verlenging van de PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat de verlengingsvordering in deze uitzonderlijke situatie is ingediend binnen een redelijke termijn en dat er daarnaast ook sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld het derde lid van artikel 6:6:11 Sv Pro. Het hof acht het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel.

Overwegingen

Het standpunt van de deskundige
De deskundige heeft ter terechtzitting verklaard dat de jeugdinrichting blijft bij het advies om de PIJ-maatregel te verlengen met achttien maanden. Veel ontwikkelingen gaan goed in het traject. De jeugdige is heel betrokken bij de instelling en houdt zich aan de behandelafspraken. Tegelijkertijd zijn er nog risicofactoren, daarbij gaat het om de impulscontrole, de coping en sociale cognitie. Op dit moment is sprake van een cruciaal punt in het traject; de machtiging voor onbegeleid verlof is aangevraagd en kan elk moment worden goedgekeurd. Tot nu toe zijn er veel kaders en sturing geweest en dat wil de jeugdinrichting langzaam gaan afbouwen. Om overvraging te voorkomen, moet dat in een rustig tempo gebeuren. Een periode van achttien maanden is noodzakelijk om het onbegeleid verlof zorgvuldig op te starten en het Scholings- en Trainingsprogramma (
hierna: STP) te doorlopen.
Het standpunt van de jeugdige
De jeugdige geeft aan dat het goed met hem gaat. Hij volgt verschillende therapieën en leert daar veel van. In de toekomst wil hij de opleiding
Social Workgaan volgen en gaan werken als ervaringsdeskundige. Op dit moment geeft de jeugdige al voorlichtingen over jeugdcriminaliteit op scholen en geeft ook andere presentaties. Hij doet dit graag en wil dit ook blijven doen. De jeugdige krijgt medicatie voor ADHD, maar merkt daar zowel voordelen als nadelen van. Wanneer de machtiging voor onbegeleid verlof is verleend, zal hij gaan werken bij de bloemenveiling. De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in een verlenging van de PIJ-maatregel voor de duur van twaalf maanden. Daarbij heeft de raadsman aangegeven dat zou moeten worden ingezet op afronding van het onvoorwaardelijke deel van de PIJ-maatregel binnen de tijd die dan nog resteert.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Uit de rapportages blijkt dat de jeugdige een positieve ontwikkeling doormaakt. Er wordt goede vooruitgang gezien en daarom is gestart met begeleid verlof. De positieve ontwikkelingen hebben geleid tot een aanvraag voor onbegeleid verlof. Er is wel nog steeds sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische kenmerken. Bij het wegvallen van de kaders is sprake van een matig tot hoog recidiverisico op een geweldsdelict. Binnen de PIJ-maatregel moet nog verder worden gewerkt aan de vermindering van de bestaande risicofactoren en aan het resocialiseren. De jeugdinrichting wil dat doen door middel van toenemende vrijheden en door toe te werken naar het STP. Dit moet gefaseerd plaatsvinden. Verlenging van de PIJ-maatregel is in het belang van de veiligheid van de maatschappij en is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige.
Het oordeel van het hof
Vernietiging van de beslissing waarvan beroep
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 22 december 2025 blijkt dat de zaak in eerste aanleg achter gesloten deuren is behandeld, terwijl de jeugdige toen 20 jaren oud was.
Bij een zaak over de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, zoals de onderhavige zaak, is de hoofdregel dat het onderzoek plaatsvindt ter openbare terechtzitting (artikel 6:6:4, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Deze hoofdregel geldt niet indien de veroordeelde op het tijdstip dat de zaak dient, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. In dat geval is de hoofdregel dat de zaak achter gesloten deuren wordt behandeld (artikel 6:6:3, zesde lid, Sv in verbinding met artikel 495b, eerste lid, Sv). Het hof ziet in de systematiek van het Wetboek van Strafvordering en in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:6:3, zesde lid, Sv geen reden om deze bepaling anders uit te leggen dan overeenkomstig de duidelijke tekst van de wet.
Omdat de jeugdige ten tijde van de behandeling van de zaak door de rechtbank 20 jaren oud was, had de zaak toen in het openbaar behandeld dienen te worden. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen. Enig ander rechtsgevolg hoeft daaraan niet te worden verbonden nu het gebrek is hersteld door de openbare behandeling van de zaak in beroep.
Indexdelict
Bij vonnis van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, aan de jeugdige – naast een jeugddetentie – de PIJ-maatregel opgelegd ter zake van de eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het medeplegen van computervredebreuk. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Stoornis en recidivegevaar
Uit het verlengingsadvies van de jeugdinrichting van 5 december 2025 volgt dat bij de jeugdige sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische kenmerken, zwakbegaafdheid en een ouder-kindrelatieprobleem.
Uit de ongedateerde aanvullende informatie van de jeugdinrichting volgt dat sprake is van een matig tot hoog risico op herhaling van (gewelds)delicten, indien alle kaders nu wegvallen.
Criterium voor verlenging van de PIJ-maatregel
Het hof stelt voorop dat de maatregel kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eist en die verlenging ook in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige is. De verlenging is slechts mogelijk indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Voorts is een verlenging van de termijn van de maatregel slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De maatregel eindigt steeds voorwaardelijk een jaar voordat het einde van de maatregel wordt bereikt.
Verlenging van de PIJ-maatregel
De PIJ-maatregel is aangevangen op 3 oktober 2023. Dit beroep betreft de eerste verlenging.
Uit het verlengingsadvies van 5 december 2025 volgt dat voortzetting van de PIJ-maatregel volgens de jeugdinrichting in het belang is van de meest gunstige ontwikkeling van de jeugdige. De behandeling en structuur van de jeugdinrichting hebben een risico verlagend effect en zijn nodig om de jeugdige geleidelijk en daarmee succesvol te laten terugkeren in de maatschappij. Binnen het traject dienen nog de nodige stappen te worden gezet in het bewerken van de persoonlijkheidsproblematiek om het recidiverisico verder te verlagen. Het resocialisatietraject dient verder vorm te worden gegeven om een zorgvuldige overgang van binnen naar buiten te faciliteren. Daarbij kan worden gedacht aan het verder uitbreiden van vrijheden, zoals het voortzetten van begeleid verlof, het starten van onbegeleid verlof en op iets langere termijn het STP. Ook dient een zinvolle dagbesteding te worden gevonden. De stappen moeten gefaseerd genomen worden en er is tijd nodig om de geleerde vaardigheden verder te bestendigen. De jeugdinrichting schrijft verder dat op gedragsmatig gebied zowel binnen de verloven als op de groep sprake is van een positieve ontwikkeling, maar dat de kern van de problematiek nog onvoldoende is bewerkt om de volgende stap te zetten in het resocialisatieproces.
Uit de ongedateerde aanvullende informatie van de jeugdinrichting volgt dat de jeugdige tijdens de begeleid verloven heeft laten zien dat hij kan omgaan met toenemende vrijheden en verantwoordelijkheden. Inmiddels is de aanvraag voor onbegeleid verlof gestart. De PIJ-maatregel bevindt zich op een cruciaal moment. Het onbegeleid verlof zal nieuwe oefenmogelijkheden bieden, waarbij de ingezette (gedrags)ontwikkeling verder uitgediept en bestendigd kan worden. Op deze manier kan meer inzicht verkregen worden op de mate waarin daadwerkelijk sprake is van ontwikkeling op geïnternaliseerd niveau. Het afbouwen van kaders zal in eerste instantie spanning verhogend kunnen werken, waarbij een groot beroep wordt gedaan op de (aangeleerde) vaardigheden van de jeugdige. Er wordt gefaseerd gewerkt om aan te sluiten op de begeleidingsbehoefte, waarbij rekening wordt gehouden met de cognitieve beperkingen en beperkte adaptieve vaardigheden. Een verlenging van achttien maanden wordt dan ook, in het meest gunstige geval, als noodzakelijk geacht om de kernproblematiek voldoende te bewerken en het recidiverisico voldoende te verlagen alvorens sprake kan zijn van een voorwaardelijke beëindiging.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet alleen de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen verlenging van de maatregel eist, maar dat deze tevens in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. Het hof ziet in de rapportages en hetgeen besproken is ter terechtzitting dat de jeugdige een positieve ontwikkeling doormaakt en hele mooie stappen heeft gezet. De jeugdige heeft een toekomstdoel voor ogen en zet zich in om zijn doelen te bereiken. Er moeten echter nog wel verschillende stappen gezet worden in het behandel- en resocialisatietraject. Het is van belang dat dit traject stapsgewijs wordt doorlopen, zodat de jeugdige ruim de gelegenheid heeft om te oefenen met gedrag en leert omgaan met vrijheden. Hiervoor is tijd nodig. Het hof zal de PIJ-maatregel met twaalf maanden verlengen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de jeugdinrichting de resocialisatie voortvarend zal voortzetten en dat de reclassering hierbij spoedig betrokken zal worden.
Einde maatregel
Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat de maatregel, behoudens verdere verlenging of eventuele opschorting, voorwaardelijk zal eindigen op 27 september 2026 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 26 september 2027.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 5 januari 2026 met betrekking tot de jeugdige
[jeugdige].
Verklaart het Openbaar Ministerie
ontvankelijkin zijn vordering tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van
twaalf maanden.
Aldus gedaan door
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter,
mr. M.J. Vos en mr. W.A. Holland, raadsheren,
en drs. I.E. Troost en drs. B. van Giessen, raden,
in tegenwoordigheid van mr. I.M.G. van der Lee, griffier,
en op 2 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.