Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2313

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
200.360.122
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader vastgesteld, zorgregeling rechtbank bekrachtigd

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over hun in 2023 geboren minderjarige kind. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld met een zorgregeling waarbij het kind gelijk verdeeld verblijft bij beide ouders.

De vader ging in hoger beroep en verzocht primair om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen en een zorgregeling met het zwaartepunt bij hem. Subsidiair verzocht hij onder meer om terugverhuizing van de moeder binnen 30 kilometer van zijn woonplaats en compensatie van reiskosten.

Het hof oordeelt dat beide ouders geschikt zijn voor de zorg, maar dat de moeder zonder toestemming verhuisde, wat de hulpverlening bemoeilijkt. Daarom wordt de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld vanwege stabiliteit en continuïteit van hulpverlening. De zorgregeling van de rechtbank blijft ongewijzigd omdat deze passend is.

Het verzoek tot compensatie van reiskosten wordt afgewezen wegens onvoldoende juridische grondslag en onvoldoende onderbouwing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vader vastgesteld en de zorgregeling van de rechtbank wordt bekrachtigd; het verzoek tot reiskostencompensatie wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.122
zaaknummer rechtbank Overijssel 306680
beschikking van 2 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. J.E. Sondorp
en
[verweerster](de moeder)
die verblijft in [woonplaats2]
advocaat: mr. K. Eliyo
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald en een gewijzigde zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] evenveel tijd bij de moeder en bij de vader verblijft.
Het hof beslist dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en dat de zorgregeling zo blijft als de rechtbank heeft bepaald. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] [in] 2023 geboren. De moeder heeft nog een dochter, [naam] (4 jaar) en is zwanger van haar derde kind.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht te bepalen:
  • (
  • (
  • (
3.2.
De moeder heeft de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] elke woensdag van 16:00 uur tot 18:00 uur en elke zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur bij de vader verblijft en waarbij de vader zorg draagt voor het halen en brengen, of een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist vindt.
3.3.
Bij (tussen)beschikking van 12 maart 2024 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen. Daarnaast is een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld. De beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorg- en contactregeling en de terugverhuizing van moeder met [de minderjarige] heeft de rechtbank aangehouden.
3.4.
Bij (tussen)beschikking van 11 maart 2025 heeft de rechtbank de beslissing over de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorg- en contactregeling en de terugverhuizing van de moeder met [de minderjarige] opnieuw aangehouden en als voorlopige zorgregeling vastgesteld:
- de vader en [de minderjarige] hebben wekelijks op woensdag omgang met elkaar gedurende drie uur in de regio Twente, van 15:00 uur tot 18:00 uur;
- naast de omgang op woensdag zullen de vader en [de minderjarige] wekelijks gedurende zes weken op zaterdag omgang met elkaar hebben van 10:00 uur tot 16:00 uur. De moeder dient [de minderjarige] bij vader te brengen en haar bij vader weer op te halen. Dit gaat in op de eerste zaterdag volgende op deze beschikking;
- na deze zes weken zal er naast de omgang op woensdag één keer in de twee weken omgang zijn van vrijdag 13:00 uur tot zaterdag 16:00 uur. Vader haalt [de minderjarige] op vrijdag bij moeder op en moeder haalt [de minderjarige] op zaterdag bij vader op.
3.5.
De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald en een zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] de ene week bij haar vader en de andere week bij haar moeder verblijft, de vakanties en de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en de moeder [de minderjarige] bij haar vader brengt en de vader [de minderjarige] terugbrengt bij de moeder. De rechtbank heeft ook beslist dat de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.6.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en
  • (primair) de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem bepaalt, een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vaststelt waarbij het zwaartepunt van de opvoeding bij hem komt te liggen, een en ander zoals door hem verzocht, of een reguliere zorgregeling die het hof juist vindt. Daarnaast verzoekt hij het hof te bepalen dat de moeder hem met terugwerkende kracht vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift op 1 december 2023 tot 2 juli 2025 voor iedere reis naar [plaats1] een bedrag van in totaal € 84,42 per keer verschuldigd is, en anders
  • (
  • (meer subsidiair)dat het hof een zorg- en contactregeling tussen [de minderjarige] en de vader vaststelt waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de periode dat [de minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat en daarna zoals door hem verzocht of die het hof juist vindt.
Daarnaast verzoekt de vader het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.2.
De moeder is het wel eens met de beschikking van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 1 oktober 2025
  • het verweerschrift
  • de stukken van de vader, ingediend op 20 februari 2026
4.4.
De zitting bij het hof was op 5 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
Beide advocaten hebben schriftelijke spreekaantekeningen overgelegd.

5.Het oordeel van het hof

De hoofdverblijfplaats en de zorgregeling
Wat staat in de wet?
5.1.
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling van de zorg- en opvoedingstaken omvatten aan ieder van de ouders, en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. [1] De rechter neemt een zodanige beslissing als in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
De hoofdverblijfplaats
5.2.
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat beide ouders in beginsel geschikt en in staat zijn om de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen en dat er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de ouders. Wel zijn er zorgen over de communicatie en de samenwerking tussen de ouders en het effect hiervan op [de minderjarige] . Ook vindt het hof het zorgelijk dat de moeder, ondanks de duidelijke waarschuwing van de rechtbank dat zij de toestemming van de vader nodig heeft als zij (opnieuw) gaat verhuizen, na de bestreden beschikking opnieuw twee keer zonder toestemming van de vader is verhuisd. In dat kader is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat de moeder na de bestreden beschikking van [plaats2] naar [plaats3] is verhuisd en inmiddels feitelijk in [woonplaats2] woont, hoewel de moeder zichzelf en [de minderjarige] (en [naam] ) daar nog niet heeft ingeschreven. Niet alleen legt de moeder de beschikking van de rechtbank hiermee naast zich neer, de verhuizingen van de moeder hebben ook invloed op de totstandkoming van de voor de ouders benodigde hulpverlening, omdat er als gevolg van de verhuizingen van de moeder met [de minderjarige] telkens een nieuwe gemeente betrokken raakt voor wat betreft de inzet van (jeugd)hulpverlening. Daar komt bij dat de gemeente waar de moeder en [de minderjarige] op dit moment wonen daar, gelet op het tot op heden achterwegen blijven van een inschrijving, nog niet van op de hoogte is en daarom nog geen hulpverlening kan inzetten. Het hof vindt dit onwenselijk en niet in het belang van de [de minderjarige] . Het is belangrijk dat de voor de ouders benodigde hulpverlening, zowel individuele als ter verbetering van hun onderlinge communicatie en samenwerking, zonder verdere vertraging en zonder onderbreking kan worden ingezet.
5.3.
Het hof ziet in het voorgaande voldoende aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen. Dit geldt mede omdat de woonsituatie van de vader stabiel is en de benodigde hulpverlening daar dan in beginsel ook zonder verdere vertraging en zonder onderbreking ingezet kan worden. De beslissing van de rechtbank zal dan ook ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd) en het hof zal de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepalen.
5.4.
Omdat het hof het (
primaire) verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen toewijst, kom het hof niet toe aan de (
subsidiaireen
meer subsidiaire)verzoeken van de vader over het bevel tot terugverhuizen van de moeder en het vaststellen van een zorgregeling waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de periode dat [de minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat en de periode waarin [de minderjarige] naar de basisschool gaat.
De zorgregeling
5.5.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de in de bestreden beschikking vaststelde zorgregeling op goede gronden heeft vastgesteld. Die beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt ook dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom over. Het hof merkt in aanvulling daarop nog het volgende op.
5.6.
Zoals hierboven is overwogen, is gebleken dat beide ouders geschikt en in staat zijn om de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen en dat er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de ouders. Sinds de bestreden beschikking geldt een zogenoemde co-ouderschapsregeling, waarbij de verzorging en opvoeding gelijk over de ouders wordt verdeeld en [de minderjarige] met beide ouders een goede band en hechtingsrelatie kan opbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders laten weten dat het op dit moment goed gaat met [de minderjarige] . Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een andere zorgregeling vast te stellen.
Compensatie
5.7.
De vader vraagt het hof om te bepalen dat de moeder, met terugwerkende kracht voor iedere reis naar [plaats1] vanaf 1 december 2023 tot 2 juli 2025, € 84,42 per keer (retour) aan de vader verschuldigd is. In dat kader stelt de vader dat hij als gevolg van de onrechtmatige verhuizing(en) van de moeder, ruim anderhalf jaar lang wekelijks achthonderd kilometer heeft gereisd voor omgang met [de minderjarige] en hij daarnaast meerdere keren naar [plaats1] is moeten gaan voor gesprekken met hulpverlening.
De moeder voert daartegen verweer en voert aan dat de reiskosten onderdeel zijn van de normale zorgverantwoordelijkheid van de ouders, zodat het redelijk is dat de vader de door hem in dat kader gemaakte kosten voor zijn rekening neemt. De afstand is ontstaan door omstandigheden buiten de schuld van moeder om en in het belang van [de minderjarige] . De moeder heeft meerdere alternatieven voorgesteld en zich flexibel opgesteld over het halen en brengen, maar de vader heeft daar geen gebruik van gemaakt, aldus de moeder.
5.8.
Voor het hof is niet duidelijk wat de juridische grondslag van het verzoek van de vader is. Uit het verzoekschrift blijkt die grondslag niet en ook tijdens de mondelinge behandeling kon de advocaat van de vader daar, toen zij daarnaar werd gevraagd, geen duidelijkheid over geven. Voor zover de vader zijn verzoek zou willen baseren op het bestaan van een verplichting tot schadevergoeding wegens een door de moeder gepleegde onrechtmatige daad, geldt dat de vader dit verzoek, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. Dit geldt nog afgezien van de vraag of een verzoek daartoe wel in het kader van deze procedure kan worden ingesteld. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De beslissing in deze uitspraak over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] kan ook worden uitgevoerd als een van de ouders de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 juli 2025 ten aanzien van de beslissing over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en:
6.2.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 juli 2025 ten aanzien van de beslissing over de zorgregeling;
6.5.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.H.F. van Vugt en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a BW.