Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2296

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.363.870/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWVerordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) art. 7 lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen

De moeder is met haar drie kinderen uit Oekraïne naar Nederland gevlucht. Na zorgen over huiselijk geweld en een schadelijke opvoedstijl, waarbij fysieke straffen werden toegepast, zijn de kinderen uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI).

De moeder ging in hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en de benoeming van de GI, maar trok het verzoek om een andere GI te benoemen in. Het hof bevestigde de Nederlandse rechtsmacht en het toepasselijke recht.

Hoewel de moeder en stiefvader verbeteringen in hun relatie en houding tonen en openstaan voor hulpverlening, zijn de zorgen over de opvoedsituatie nog niet weggenomen. De gezinsopname wordt als noodzakelijk middel gezien om de opvoedvaardigheden te beoordelen en te bepalen of en onder welke voorwaarden de kinderen naar huis kunnen terugkeren.

Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter. De machtiging blijft van kracht tot 16 juli 2026, zodat het onderzoek zorgvuldig kan worden uitgevoerd en het belang van de kinderen wordt gewaarborgd.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen wordt bekrachtigd tot 16 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.870/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 248249)
beschikking van 16 april 2026
over de uithuisplaatsing van: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
regiecentrum bescherming en veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de vader),
die woont op een onbekend adres in Oekraïne,
en
[belanghebbende2](de stiefvader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend tot 16 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
Uit het in 2022 ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn in Oekraïne drie kinderen geboren:
- [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), geboren [in] 2013;
- [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ), geboren [in] 2015;
- [de minderjarige3] ( [de minderjarige3] ), geboren [in] 2017.
2.2
De moeder is in 2022 met de kinderen naar Nederland gevlucht. In 2024 heeft zij een relatie gekregen met de stiefvader. In maart 2024 zijn zij met elkaar gehuwd. In oktober 2024 hebben zij een dochter gekregen ( [naam1] ).
2.3
Op 31 juli 2025 zijn de kinderen samen met hun halfzusje [naam1] op vrijwillige basis bij de grootouders van [naam1] geplaatst.
2.4
Sinds 14 augustus 2025 staan de kinderen onder voorlopig toezicht van de GI. Daarbij is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen. Sindsdien verblijven [de minderjarige2] en [de minderjarige1] samen in een pleeggezin en [de minderjarige3] in een ander pleeggezin. Hun halfzusje [naam1] is ook uit huis geplaatst en verblijft in nog een ander pleeggezin.
2.5
De moeder en de stiefvader wonen sinds september 2025 in [woonplaats] . Er is eenmaal per week gedurende een uur begeleide omgang tussen de moeder, de stiefvader en de kinderen.
2.6
Er is geen contact tussen de kinderen en hun (biologische) vader in Oekraïne.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De raad heeft de kinderrechter verzocht de kinderen onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Leger de Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Groningen en verzocht om daarbij een machtiging te verlenen om de kinderen uit huis te mogen plaatsen voor de duur van 9 maanden, tot 16 juli 2026.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen, in die zin dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI) en de GI is gemachtigd om de kinderen uit huis te plaatsen tot 16 juli 2026.
3.3
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 16 oktober 2025, hersteld bij beschikking van 4 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1
De moederis het niet eens met de beschikking van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beschikking van de kinderrechter vernietigt, voor zover het de benoeming van de GI betreft en voor zover het de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen betreft.
4.2
De raaden
de GIwillen dat de beschikking in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 16 januari 2026
  • het verweerschrift van de raad
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de moeder van 25 februari 2026
  • de stukken van de GI van 17 maart 2026
4.4
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben (ieder afzonderlijk) op 30 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing. [de minderjarige3] heeft zijn mening opgeschreven in een brief aan het hof.
4.5
De zitting bij het hof was op 31 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder en de stiefvader met hun advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • drie vertegenwoordigers van de GI
De vader is opgeroepen in de Staatscourant, maar niet verschenen.
4.6
Met instemming van alle aanwezige partijen is deze zaak tegelijk behandeld met de zaak met nummer 200.363.868/01, die gaat over de verlening van de machtiging uithuisplaatsing van [naam1] .

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder, de vader en de kinderen hebben de Oekraïense nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
5.2
De kinderrechter heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Wat staat in de wet?
5.3
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.4
Ter zitting bij het hof heeft de moeder haar verzoek om een andere GI te benoemen ingetrokken, zodat het hof hierover niet meer hoeft te oordelen.
5.5
De machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen loopt tot 16 juli 2026.
5.6
De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. Het hof laat de beschikking van de kinderrechter in stand (deze wordt bekrachtigd). Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over, maakt deze tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
5.7
[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn, samen met hun halfzusje [naam1] , uit huis geplaatst omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader thuis. De kinderen zijn blootgesteld aan huiselijk geweld en een schadelijke opvoedstijl, waarbij (fysieke) straffen zoals opsluiten, slaan en aan de oren trekken normaal werden gevonden. De zorgen over de kinderen werden door de moeder en de stiefvader onvoldoende erkend en het lukte niet om deze in een vrijwillig kader weg te nemen.
5.8
Ter zitting bij het hof hebben de moeder en de stiefvader verteld dat zij enige tijd uit elkaar zijn geweest, maar nu weer samen zijn. Zij vinden dat hun relatie in beter vaarwater is gekomen en zullen het vanaf nu heel anders aanpakken. Sinds de veroordeling van de stiefvader door de politierechter vanwege het plegen van huiselijk geweld hebben de moeder en de stiefvader geleerd om met elkaar te praten. Zij vinden dat de machtiging tot uithuisplaatsing geen geschikte maatregel is, omdat zij openstaan voor hulpverlening in de thuissituatie en mee zullen werken aan een gezinsopname met alle vier kinderen in [plaats] .
5.9
Het hof overweegt dat het positief is dat de moeder en de stiefvader aan hun relatie hebben gewerkt en meer openstaan voor begeleiding en hulpverlening. Uit de evaluatie van de omgang en vanuit de samenwerkingsweken bij [naam2] blijkt ook van een verbetering in de houding van de moeder en de stiefvader. Tegelijkertijd blijkt dat deze positieve verandering broos is omdat de weerstand en vijandige bejegening richting instanties bij de moeder en (met name) de stiefvader geregeld de kop opsteken en zij nog steeds ertoe neigen een eigen koers te varen, wat onder meer blijkt uit de omstandigheid dat zij zonder overleg geprobeerd hebben om de kinderen op hun adres in te schrijven. Het is bovendien nog steeds de vraag of de moeder en de stiefvader voldoende doordrongen zijn van de ernst van de zorgen over de opvoedsituatie, omdat zij gebeurtenissen nog steeds lijken te bagatelliseren, ontkennen of afdoen als een cultuurverschil.
5.1
Dat de onderlinge relatie tussen de moeder en de stiefvader is verbeterd en zij naar eigen zeggen handvatten hebben gekregen om escalaties te voorkomen, is in het belang van de kinderen, maar maakt nu nog niet dat daarmee de zorgen over de opvoedsituatie zijn weggenomen. Daarvoor is immers zicht nodig op de gezinsdynamiek tussen de moeder de stiefvader en de vier kinderen. De gezinsopname in [plaats] is een geëigend middel om de opvoedvaardigheden van de moeder en stiefvader in kaart te brengen en de vraag te beantwoorden of de kinderen naar huis kunnen en wat daarvoor nodig is. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe de gezinsopname vormgegeven zal worden. De verwachting is wel dat de gezinsopname binnenkort kan starten. Daarbij is het ook tijdens de gezinsopname niet aan de moeder en de stiefvader, maar aan de professionals om te bepalen waar de kinderen verblijven. Het gaat dan om de vraag wanneer en hoe lang de kinderen bij de moeder en de stiefvader kunnen verblijven, of dat in [plaats] is of in de thuissituatie en wanneer verblijf bij de pleegouders in hun belang noodzakelijk is. Dat vereist een machtiging tot uithuisplaatsing. Het onderzoek middels een gezinsopname dient zorgvuldig te worden uitgevoerd en dat kost tijd. Het hof is daarom van oordeel dat de machtiging voor de resterende duur van kracht dient te blijven. Ten overvloede merkt het hof op dat als de resultaten van de gezinsopname bekend zijn, het aan de GI is om te bepalen op welke wijze er in het belang van de kinderen moet worden gehandeld.
5.11
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de uithuisplaatsing van de kinderen in het kader van hun opvoeding en verzorging noodzakelijk is.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 16 oktober 2025, hersteld bij beschikking van 4 november 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, A.P. de Jong-de Goede en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.