Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2295

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.363.868/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWVerordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) art. 7 lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige opvoedsituatie

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een minderjarige tot 16 juli 2026. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, met name tegen de benoeming van de gecertificeerde instelling (GI) en de machtiging zelf.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De ouders trokken hun verzoek in om een andere GI te benoemen, waardoor het hof hierover niet meer hoeft te beslissen. De machtiging tot uithuisplaatsing blijft van kracht omdat de minderjarige nog niet veilig thuis kan wonen.

De uithuisplaatsing is noodzakelijk vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie, waaronder huiselijk geweld en fysieke straffen, die een grote impact hebben op de minderjarige. Hoewel de ouders hun relatie hebben verbeterd en openstaan voor hulpverlening, is de situatie nog fragiel en erkennen zij de ernst van de zorgen onvoldoende.

Het hof benadrukt dat een gezinsopname een geschikt middel is om de opvoedvaardigheden te onderzoeken en te bepalen of en onder welke voorwaarden de kinderen naar huis kunnen terugkeren. Totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, blijft de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk en wordt deze bekrachtigd.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd en blijft van kracht tot 16 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.868/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 248243)
beschikking van 16 april 2026
over de uithuisplaatsing van: [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
en
[verweerder](de vader),
hierna samen te noemen: de ouders
die wonen in [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
regiecentrum bescherming en veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend tot 16 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder en de vader zijn [in] 2024 met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. De ouders oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] .
2.2
De moeder heeft de Oekraïense nationaliteit. De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3
De moeder heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk in Oekraïne: [naam1] (2013), [naam2] (2015) en [naam3] (2017). In 2022 is de moeder met deze drie kinderen vanuit Oekraïne naar Nederland gevlucht.
2.4
Op 31 juli 2025 is [de minderjarige] samen met haar halfbroers en -zus op vrijwillige basis bij haar grootouders vaderszijde geplaatst.
2.5
Sinds 14 augustus 2025 staat [de minderjarige] onder voorlopig toezicht van de GI. Daarbij is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Sindsdien verblijft zij in een pleeggezin. Haar halfbroers en -zus zijn ook uit huis geplaatst en verblijven in twee andere pleeggezinnen.
2.6
De ouders wonen sinds september 2025 in [woonplaats] . De ouders hebben eenmaal per week gedurende een uur begeleide omgang met [de minderjarige] en de andere drie kinderen van de moeder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De raad heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Leger de Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Groningen en verzocht om daarbij een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen voor de duur van 9 maanden, tot 16 juli 2026.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen, in die zin dat [de minderjarige] onder toezicht is gesteld van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI) en de GI is gemachtigd om haar uit huis te mogen plaatsen tot 16 juli 2026.
3.3
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 16 oktober 2025, hersteld bij beschikking van 4 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1
De ouderszijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter vernietigt, voor zover het de benoeming van de GI betreft en voor zover het de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft.
4.2
De raaden
de GIwillen dat de beschikking in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 16 januari 2026
  • het verweerschrift van de raad
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de moeder van 25 februari 2026
  • de stukken van de GI van 17 maart 2026
4.4
De zitting bij het hof was op 31 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • drie vertegenwoordigers van de GI
4.5
Met instemming van alle aanwezige partijen is deze zaak tegelijk behandeld met de zaak met nummer 200.363.870/01, die gaat over de verlening van de machtiging uithuisplaatsing van [naam1] , [naam2] en [naam3] .

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder heeft de Oekraïense nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
5.2
De kinderrechter heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Wat staat in de wet?
5.3
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.4
Ter zitting bij het hof hebben de ouders hun verzoek om een andere GI te benoemen ingetrokken, zodat het hof hierover niet meer hoeft te oordelen.
5.5
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 16 juli 2026.
5.6
De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Het hof laat de beschikking van de kinderrechter in stand (deze wordt bekrachtigd). Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over, maakt deze tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
5.7
[de minderjarige] is, samen met haar halfbroers en -zus, uit huis geplaatst omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie bij de ouders thuis. De ouders maakten veel ruzie in het bijzijn van de kinderen en er was sprake van huiselijk geweld. De halfbroers en -zus van [de minderjarige] hebben verteld over (fysieke) straffen zoals opsluiten, slaan en aan de oren trekken. De onveiligheid en onvoorspelbaarheid hebben veel impact gehad op [de minderjarige] , die als jonge baby volledig afhankelijk is van haar opvoeders. De zorgen over de kinderen werden door de moeder en de stiefvader onvoldoende erkend en het lukte niet om deze in een vrijwillig kader weg te nemen.
5.8
Ter zitting bij het hof hebben de ouders verteld dat zij enige tijd uit elkaar zijn geweest, maar nu weer samen zijn. Zij vinden dat hun relatie in beter vaarwater is gekomen en zullen het vanaf nu heel anders aanpakken. Sinds de veroordeling van de vader door de politierechter vanwege het plegen van huiselijk geweld hebben de ouders geleerd om met elkaar te praten. Zij vinden dat de machtiging tot uithuisplaatsing geen geschikte maatregel is, omdat zij openstaan voor hulpverlening in de thuissituatie en mee zullen werken aan een gezinsopname met alle vier kinderen in [plaats] .
5.9
Het hof overweegt dat het positief is dat de ouders aan hun relatie hebben gewerkt en meer openstaan voor begeleiding en hulpverlening. Uit de evaluatie van de omgang en vanuit de samenwerkingsweken bij [naam4] blijkt ook van een verbetering in de houding van de ouders. Tegelijkertijd blijkt dat deze positieve verandering broos is omdat de weerstand en vijandige bejegening richting instanties bij de moeder en (met name) de vader geregeld de kop opsteken en zij nog steeds ertoe neigen een eigen koers te varen, wat onder meer blijkt uit de omstandigheid dat zij zonder overleg geprobeerd hebben om de kinderen op hun adres in te schrijven. Het is bovendien nog steeds de vraag of de ouders voldoende doordrongen zijn van de ernst van de zorgen over de opvoedsituatie, omdat zij gebeurtenissen nog steeds lijken te bagatelliseren, ontkennen of afdoen als een cultuurverschil.
5.1
Dat de onderlinge relatie tussen de ouders is verbeterd en zij naar eigen zeggen handvatten hebben gekregen om escalaties te voorkomen, is in het belang van [de minderjarige] , maar maakt nu nog niet dat daarmee de zorgen over de opvoedsituatie zijn weggenomen. Daarvoor is immers zicht nodig op de gezinsdynamiek tussen de ouders en de vier kinderen. De gezinsopname in [plaats] is een geëigend middel om de opvoedvaardigheden van de moeder en de vader in kaart te brengen en de vraag te beantwoorden of de kinderen naar huis kunnen en wat daarvoor nodig is. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe de gezinsopname vormgegeven zal worden. De verwachting is wel dat de gezinsopname binnenkort kan starten. Daarbij is het ook tijdens de gezinsopname niet aan de ouders, maar aan de professionals om te bepalen waar de kinderen verblijven. Het gaat dan om de vraag wanneer en hoe lang de kinderen bij de ouders kunnen verblijven, of dat in [plaats] is of in de thuissituatie en wanneer verblijf bij de pleegouders in hun belang noodzakelijk is. Dat vereist een machtiging tot uithuisplaatsing. Het onderzoek middels een gezinsopname dient zorgvuldig te worden uitgevoerd en dat kost tijd. Het hof is daarom van oordeel dat de machtiging voor [de minderjarige] voor de resterende duur van kracht dient te blijven. Ten overvloede merkt het hof op dat als de resultaten van de gezinsopname bekend zijn, het aan de GI is om te bepalen op welke wijze er in het belang van de kinderen moet worden gehandeld.
5.11
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het kader van haar opvoeding en verzorging noodzakelijk is.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 16 oktober 2025, hersteld bij beschikking van 4 november 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, A.P. de Jong-de Goede en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.