Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2293

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.357.365/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:198 BWArt. 6:200 lid 1 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten dierenpension na inverzekeringstelling en zaakwaarneming

De politie bracht de dieren van appellant naar een dierenpension nadat appellant was aangehouden en in verzekering gesteld, omdat er niemand was om voor de dieren te zorgen. De politie vorderde vergoeding van de kosten van het dierenpension bij appellant. De kantonrechter wees de vordering toe, maar appellant ging in hoger beroep om de vordering af te wijzen of te verminderen.

Het hof stelde vast dat aan de vereisten van zaakwaarneming was voldaan, omdat de politie zich op redelijke grond met de belangen van appellant had ingelaten door de dieren op te vangen. De belangenbehartiging was echter niet in alle perioden naar behoren. In de eerste dagen na aanhouding was communicatie met appellant niet mogelijk vanwege zijn verwarde toestand, waardoor de politie redelijkerwijs niet hoefde te informeren.

Voor de periode van 13 januari tot 16 februari 2021 was er echter geen bewijs dat communicatie onmogelijk was, zodat de politie niet naar behoren had gehandeld door appellant niet tijdig te informeren. Vanaf 16 februari was appellant op de hoogte en had hij de mogelijkheid zelf opvang te regelen, maar deed dit niet. Het hof stelde daarom de vergoeding vast op een lager bedrag dan de kantonrechter, met aangepaste rente en incassokosten. De proceskostenveroordeling werd gehandhaafd, maar partijen dragen hun eigen kosten in hoger beroep.

Uitkomst: Appellant moet een deel van de kosten van het dierenpension aan de politie vergoeden, lager dan in eerste aanleg vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.365/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11107883
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. V.S.J. Chorus
en
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Politie Eenheid Rotterdam (de politie)
die is gevestigd in Rotterdam
advocaat: mr. R. Dijkema.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Na het arrest van 6 januari 2026 heeft op 9 maart 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
De politie heeft honden en vogels van [appellant] naar een dierenpension gebracht nadat [appellant] was aangehouden, in verzekering gesteld en naar een Penitentiair Psychiatrisch Centrum gebracht. In deze zaak ligt de vraag voor of [appellant] gehouden is om de door de politie gemaakte kosten voor opvang van de dieren in een dierenpension te betalen.
2.2
De politie heeft in verband met de gemaakte opvangkosten bij de kantonrechter gevorderd om [appellant] te veroordelen aan de politie € 15.066,12 te betalen, vermeerderd met rente en kosten.
2.3
In haar vonnis van 13 mei 2025 heeft de kantonrechter de gevorderde hoofdsom toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de vorderingen van de politie alsnog worden afgewezen, dan wel dat de aan de politie te betalen vergoeding voor de opvang van de dieren door het hof op een lager bedrag wordt gesteld.
2.4
Het hof zal beslissen dat [appellant] een kleiner deel van de kosten van het dierenpension aan de politie moet betalen dan in eerste aanleg is toegewezen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
De politie heeft [appellant] op 10 januari 2021 in of nabij zijn woning aangehouden, in verzekering gesteld en naar een Penitentiair Psychiatrisch Centrum gebracht. De politie heeft in de woning van [appellant] meerdere dieren (honden en vogels) aangetroffen en die naar een dierenpension laten brengen.
3.2
In het proces-verbaal van inverzekeringstelling van 11 januari 2021 is vermeld:

Was niet mee te communiceren, liep alleen maar te schelden schreeuwen. (…) In overleg met de advocaat besloten dat deze niet aanwezig was bij de inverzekeringstelling. De reden hiervoor is dat Verdachte onberekenbaar en gevaarlijk gedrag vertoond en hierbij de veiligheid van de advocaat niet kon worden gewaarborgd. Tijdens de inverzekeringstelling zijn geen zaakinhoudelijke vragen gesteld.
3.3
In een proces-verbaal van bevindingen van het verhoor van [appellant] van 12 januari 2021 staat dat [appellant] niet aanspreekbaar was.
3.4
Nadat een zoon van [appellant] had gemeld dat zich in de woning nog een hond bevond, is de politie op 12 januari 2021 weer naar de woning van [appellant] gegaan. Toen de politie daar aankwam hadden een broer van [appellant] en een medewerker van het dierenpension zich al over de hond ontfermd. Vanaf dat moment zaten in het dierenpension zes vogels (vijf parkieten en een edelpapegaai) en acht honden (vijf chihuahua’s, twee herdershonden en een kooikerhondje) van [appellant] .
3.5
In een brief van 16 februari 2021 heeft de politie [appellant] bericht dat zijn dieren naar een pension zijn gebracht, dat hij de opvang van de dieren zelf en voor eigen kosten moet regelen en dat, als hij dat niet doet, hij de kosten van het dierenpension moet betalen.
3.6
[appellant] heeft de honden op 2 april 2021 laten ophalen en de vogels op 5 mei 2021.
3.7
Op 11 mei 2021 heeft de politie van het dierenpension een rekening ontvangen van € 12.745, -.
3.8
In een brief van 11 juni 2021 heeft de politie [appellant] bericht dat het dierenpension dit bedrag bij haar in rekening heeft gebracht.
3.9
[appellant] verblijft als ‘tbs-passant’ in de penitentiaire inrichting in [plaats] .
Gebondenheid uit zaakwaarneming
3.1
De politie vordert € 12.745, - aan schadevergoeding. De politie houdt [appellant] op grond van zaakwaarneming aansprakelijk voor de kosten van het dierenpension van € 12.745, -.
3.11
Voor toepassing van de regels van zaakwaarneming is vereist dat iemand zich willens en wetens en op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (artikel 6:198 BW Pro).
3.12
Aan deze vereisten voor zaakwaarneming is voldaan. Door de dieren naar een pension te brengen nadat [appellant] was meegenomen en er vervolgens niemand meer was om voor de dieren te zorgen, heeft de politie zich op redelijke grond ingelaten met de belangen van [appellant] .
3.13
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de politie hem veel eerder had kunnen en moeten informeren over het feit dat zijn dieren naar een dierenpension waren gebracht, zodat hij zelf opvang had kunnen regelen. Daarover oordeelt het hof als volgt.
Behoorlijke belangenbehartiging
3.14
Op grond van de wet is [appellant] gehouden om aan de politie de schade te vergoeden die de politie als gevolg van de zaakwaarneming heeft geleden, maar alleen voor zover het belang van [appellant] ‘naar behoren’ is behartigd (artikel 6:200 lid 1 BW Pro). Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro aan de politie om te stellen en (bij een gemotiveerde betwisting) te bewijzen dat aan dit laatste vereiste is voldaan.
3.15
Dat het dierenasiel markconforme prijzen in rekening heeft gebracht, is door [appellant] niet gemotiveerd betwist. In zoverre is aan het vereiste van een behoorlijke belangenbehartiging voldaan.
3.16
Een behoorlijke belangenbehartiging brengt echter ook mee dat de politie, zodra dat redelijkerwijs mogelijk was, [appellant] op de hoogte moest brengen van het feit dat zijn dieren naar een dierenpension waren gebracht en dat de kosten daarvan voor zijn rekening zouden komen. Vanaf dat moment zou [appellant] immers de opvang van zijn dieren naar eigen inzicht kunnen regelen. Bij de beoordeling of ook in die zin sprake is geweest van een behoorlijke belangenbehartiging maakt het hof onderscheid tussen de volgende drie perioden.

de periode 10 tot en met 12 januari 2021
3.17
De politie stelt dat in de eerste dagen van zijn vrijheidsbeneming geen zinvolle communicatie met [appellant] over zijn dieren mogelijk was omdat hij toen verward gedrag vertoonde. Deze stelling van de politie wordt ondersteund door de inhoud van het proces-verbaal van inverzekeringstelling van 11 januari 2021 en van het proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2021. In deze periode waarin dergelijke communicatie met [appellant] niet mogelijk was, hoefde de politie [appellant] redelijkerwijs niet over het verblijf van zijn dieren te informeren en heeft de politie de belangen van [appellant] naar behoren behartigd.
Dit betekent dat [appellant] gehouden is om aan de politie de kosten van het dierenpension in de periode van 10 t/m 12 januari 2021 te vergoeden. Het gaat om het verblijf van eerst zeven honden en zes vogels gedurende drie dagen in het dierenpension en het verblijf van één hond (de achtste hond) gedurende één dag in het dierenpension. Op basis van de factuur van het dierenpension berekent het hof die kosten op € 442,20, te weten:
de kosten van het verblijf van de zeven dieren gedurende drie dagen van € 353,10 (per dag: één hond € 15,10, zes honden € 14,10, drie vogels € 4, - en drie vogels € 2, - = € 117,70 x 3)
de kosten van het verblijf van één hond gedurende één dag van € 14,10 (per dag € 14,10)
de kosten van vervoer van € 75,-
de periode 13 januari tot 16 februari
De politie heeft [appellant] op 16 februari 2021 op de hoogte gebracht van het feit dat zijn dieren naar het dierenpension waren gebracht. Maar de politie heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat ook in de periode van 13 januari 2021 tot 16 februari redelijkerwijs geen communicatie met [appellant] mogelijk was over zijn dieren. Dat is ook niet anderszins uit het dossier gebleken, terwijl [appellant] heeft betwist dat hij toen te verward was om mee te communiceren. Het hof is daarom van oordeel dat voor de periode van 13 januari 2021 tot 16 februari 2021 niet kan worden gezegd dat de politie naar behoren de belangen van [appellant] heeft behartigd. Dit betekent dat [appellant] de kosten van het dierenasiel in deze periode niet aan de politie hoeft te betalen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
-
de periode 16 februari tot 2 april 2021 (honden) en 5 mei 2021 (vogels) en de periode 27 februari (de geboorte van 4 pups) en 1 maart (de geboorte van 1 pup) tot 2 april 2021.
3.18
Vanaf 16 februari 2021 was [appellant] op de hoogte van het verblijf van zijn dieren in het pension en had hij dus de mogelijkheid om alternatieve opvang voor de dieren te regelen. Hij heeft toen echter geen actie ondernomen, waardoor de dieren in het pension zijn gebleven en de kosten voor de politie verder zijn opgelopen. Dat [appellant] toen nog niet op de hoogte was van de (blijkens het voorgaande marktconforme) tarieven die het dierenpension in rekening bracht, wil het hof wel aannemen, maar dit maakt niet dat [appellant] dus passief kon blijven. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof dat over deze periode de belangenbehartiging door de politie behoorlijk was en dat de over deze periode bij de politie in rekening gebrachte kosten door [appellant] moeten worden vergoed.
3.19
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] gehouden is om aan de politie ook de kosten van het dierenpension van na 16 februari 2021 te vergoeden. Het gaat om het verblijf van acht honden van 16 februari tot 2 april 2021, van de pups vanaf hun geboorte tot 2 april 2021 en het verblijf van zes vogels van 16 februari tot 5 mei 2021. De acht honden hebben 45 dagen in het dierenpension verbleven, de zes vogels 78 dagen, vier pups (geboren op 27 februari 2021) 34 dagen en één pup (geboren op 1 maart 2021) 32 dagen. Op basis van de factuur van het dierenpension berekent het hof die kosten op € 7.793,40, te weten:
  • de kosten van het verblijf van acht honden gedurende 45 dagen van € 5.121, - (per dag: één hond € 15,10, zeven honden € 14,10 = € 113,80 x 45)
  • de kosten van het verblijf van vier pups gedurende 34 dagen van € 1.026,80 (per dag per hond € 7,55 x 4 = € 30,20 x 34)
  • de kosten van het verblijf van één pup gedurende 32 dagen van € 241,60 (per dag € 7,55 x 32)
  • de kosten van het verblijf van zes vogels gedurende 78 dagen van € 1.404, - (per dag drie vogels € 4, - en drie vogels € 2, - = € 18, - x 78)
Tussenconclusie
3.2
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van de politie op grond van zaakwaarneming toewijsbaar is tot € 8.235,60 (€ 442,20+ € 7.793,40).
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.21
De kantonrechter heeft aan wettelijke rente het gevorderde bedrag van € 1.229,16 toegewezen. Dit is de door de politie tot 22 april 2024 berekende wettelijke rente. Omdat de politie niet heeft toegelicht dat, waarom en vanaf welke datum [appellant] voor 22 april 2024 in verzuim is geraakt, komt het genoemde bedrag niet voor toewijzing in aanmerking. Bij gebreke van verdere aanknopingspunten zal de wettelijke rente over het hiervoor genoemde, naar beneden bijgestelde bedrag aan hoofdsom worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (30 april 2024) tot aan het moment van voldoening.
3.22
De kantonrechter heeft het gevorderde bedrag van € 1.091,96 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Omdat het hof de toe te wijzen hoofdsom op een lager bedrag stelt, zal het hof zal de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke incassokosten aanpassen en berekenen op basis van het Besluit vergoeding buitengerechtelijke kosten; te weten € 625, - + 5% over (hoofdsom minus € 5.000, -) = € 786,78.
De conclusie
3.23
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, behalve op het punt van het bedrag aan hoofdsom dat [appellant] aan de politie moet betalen en de daarover verschuldigde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Het hof zal [appellant] veroordelen om aan de politie te betalen € 9.022,38 (€ 8.235,60 + € 786,78) vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.236,60 vanaf 30 april 2024 tot aan de dag van (volledige) betaling.
3.24
Gezien het verloop van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep oordeelt het hof dat de door de kantonrechter uitgesproken proceskostenveroordeling in stand kan blijven, maar dat in hoger beroep iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat daarvan de uitkomst is dat partijen ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen.
3.25
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behalve ten aanzien van de hoogte van het onder 3.1 van dit vonnis toegewezen bedrag en de daarover verschuldigde wettelijke rente, vernietigt het vonnis in zoverre, en opnieuw recht doende:
veroordeelt [appellant] om een bedrag van € 9.022,38 aan de politie te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € € 8.236,60 vanaf 30 april 2024 tot aan de dag van (volledige) betaling;
4.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
4.3
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.