Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2289

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.361.111/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377g BWArt. 1:247 lid 1 BWArt. 1:247 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling en evenredige verdeling halen en brengen kinderen

De ouders van twee minderjarige kinderen oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en hadden een ouderschapsplan waarin het hoofdverblijf bij de moeder was geregeld. De kinderen verbleven een weekend per twee weken en de helft van de vakanties bij de vader. De rechtbank wijzigde de contactregeling voor de oudste dochter, waarbij zij nog één weekend per vier weken bij de vader verbleef en de ouders afspraken maakten over het halen en brengen.

De moeder stelde hoger beroep in tegen de wijziging van de contactregeling, met name tegen de verplichting dat zij eenmaal per maand de kinderen bij de vader moest ophalen. Het hof overwoog dat het uitgangspunt is dat beide ouders een evenredig aandeel hebben in het halen en brengen, los van andere zorgtaken. Dit draagt bij aan het belang van de kinderen om de betrokkenheid van beide ouders te ervaren.

Hoewel de moeder haar vrije weekend hiervoor moet opofferen, achtte het hof de belasting niet onevenredig gezien de reistijd en het tijdstip van ophalen. Het hof benadrukte ook dat de vader zijn bijdrage aan andere zorgtaken moet leveren, ondanks zijn huidige woonsituatie. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarbij beide ouders een evenredig aandeel in het halen en brengen van de kinderen hebben.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.111/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 593884)
beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Visser te Amsterdam,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 oktober 2025;
- een e-mail namens de moeder van 11 november 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 27 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- het proces verbaal van de zitting bij de rechtbank, ontvangen van de rechtbank op 17 maart 2026.
2.2.
[de minderjarige2] heeft met een brief aan het hof haar mening kenbaar gemaakt over de verzoeken van haar moeder.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder met haar advocaat en de vader.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2012. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
3.2.
De ouders hebben bij het einde van hun relatie in december 2023 een ouderschapsplan opgesteld. Hierin is vastgelegd dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. De kinderen zijn een weekend per twee weken en de helft van de vakanties bij de vader. Over het halen en brengen is afgesproken dat de vader de kinderen op vrijdagmiddag na zijn werk ophaalt en dat het terugbrengen of ophalen op zondagavond in onderleg overleg gebeurt.
Tot aan de bestreden beschikking verbleven beide kinderen om de week een weekend bij de vader, waarbij de vader de kinderen op vrijdag ophaalde en op zondag terugbracht.
3.3.
Op 22 mei 2025 heeft de rechtbank van [de minderjarige2] een brief ontvangen met daarin haar verzoek om de zorgregeling met haar vader te wijzigen. [de minderjarige2] heeft op 27 juni 2025 met een kinderrechter gesproken. Op 14 augustus 2025 heeft een zitting plaatsgevonden met de ouders en een vertegenwoordiger van de raad.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking van 11 september 2025 is de door de ouders overeengekomen contactregeling tussen de vader en [de minderjarige2] gewijzigd en is bepaald dat [de minderjarige2] één weekend per vier weken bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige2] en [de minderjarige1] op vrijdag in [woonplaats1] ophaalt en de moeder [de minderjarige2] en [de minderjarige1] op zondag ophaalt bij de vader.
4.2.
De moeder is het hier niet helemaal mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Zij vraagt aan het hof om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de moeder eenmaal per maand [de minderjarige2] bij de vader in [woonplaats2] moet ophalen en te bepalen dat de vader de kinderen altijd terug moet brengen als ze bij hem zijn geweest, of een andere beslissing te nemen die het hof juist vindt.
4.3.
De vader heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd. Hij wil dat de bestreden beschikking in stand blijft.

5.De motivering van de beslissing

Informele rechtsingang
5.1.
Als ouders een eerdere afspraak over de zorgregeling met hun kind(eren) willen wijzigen en ze komen er samen niet uit, dan kunnen zij de rechtbank vragen hier een beslissing over te nemen. [1] In de wet is geregeld dat een minderjarige ook zelf aan de rechter kan vragen om zo’n beslissing te nemen, via een informele rechtsingang. [2] Deze zaak is gestart door zo’n informele rechtsingang, omdat [de minderjarige2] een brief heeft geschreven aan de rechter.
Gewijzigde omstandigheden
5.2.
Om te kunnen beslissen dat een afspraak over de zorgregeling wordt gewijzigd, moet er sprake zijn van gewijzigde omstandigheden. In dit geval zijn die er, omdat [de minderjarige2] vanwege de situatie bij de vader, die momenteel nog inwoont bij zijn ouders, niet gelukkig is met de huidige regeling en de ouders aan haar wens om de regeling te wijzigen tegemoet willen komen.
Het halen en brengen
5.3.
Beide ouders hebben een gegronde reden voor hun standpunt over het halen en brengen van de kinderen. De moeder zegt dat zij al het overgrote deel van de zorg voor de kinderen op zich neemt en het daarom aan de vader is om het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening te nemen. De vader wil graag dat de moeder ook een aandeel heeft het halen en brengen van de kinderen, mede om financiële redenen; zijn financiële middelen zijn beperkt en het helpt als de moeder eenmaal per vier weken de kinderen bij hem ophaalt.
5.4.
Ouders hebben het recht om tijd met hun kinderen door te brengen, maar hier horen ook plichten bij. Niet alleen hebben zij een plicht richting de kinderen om hen te verzorgen en op te voeden, ook richting de andere ouder is er een plicht om de band tussen de kinderen en de andere ouder te stimuleren. [3]
5.5.
Voor de uitvoering van een zorgregeling betekent dit dat het uitgangspunt is dat beide ouders een aandeel hebben in het halen en brengen van de kinderen, wat los staat van de andere zorgtaken die ze uitvoeren. Vaak wordt hierbij gekozen voor het brengen van de kinderen door de ouder waar ze op dat moment zijn, naar de andere ouder. Zo kunnen de ouders aan hun kinderen laten zien dat zij het belangrijk vinden dat de kinderen ook tijd doorbrengen met de andere ouder.
5.6.
Omdat de ouders het niet met elkaar eens kunnen worden over het halen en brengen van de kinderen, zal het hof daarover een beslissing nemen. Het belang van de kinderen staat bij die beslissing voorop. Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] is om te zien en te ervaren dat hun ouders er allebei aan bijdragen dat de afgesproken zorgregeling wordt uitgevoerd. De bijdrage die de moeder moet leveren is dat zij de kinderen blijft ophalen in de weekenden dat beide kinderen bij de vader zijn. Weliswaar heeft de moeder naar voren gebracht dat dit haar enige vrije weekend in de maand is, maar het hof is van oordeel dat de inbreuk, die het ophalen van de kinderen op dat vrije weekend maakt, beperkt is gelet op de reistijd die ermee gemoeid is en omdat de kinderen op zondag pas aan het eind van de dag moeten worden opgehaald. Van een onevenredige belasting is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Dat neemt niet weg dat de moeder terecht heeft opgemerkt dat de vader buiten de omgangsweekenden geen zorgtaken op zich neemt en dat de verantwoordelijkheid daarvoor volledig op haar rust. Net zoals het in het belang van de kinderen is dat de moeder haar bijdrage levert aan het contact tussen de vader en de kinderen, is het naar het oordeel van het hof in het belang van de kinderen dat de vader ook zijn bijdrage levert aan de overige zorgtaken voor de kinderen. De vader heeft verteld dat hij wel graag meer voor de kinderen zou willen zorgen, maar dat dit gezien zijn huidige woonsituatie lastig is. Op de zitting is echter besproken dat er ook andere mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld dat hij in de weekenden waarin de kinderen bij hem zijn met hen naar de kapper zou kunnen. Zo kan hij ook zorgtaken op zich nemen en daarmee de moeder ontlasten. Op deze manier laten beide ouders aan de kinderen zien dat zij elkaar helpen en op afstand samenwerken aan de opvoeding en verzorging.
5.7.
Het voorgaande brengt mee dat het hof de beschikking van de rechtbank in stand zal laten (zal bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 september 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. F. Menso, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikelen 1:377e en 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:377g BW.
3.Artikel 1:247 lid 1 en Pro 3 BW.