Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2286

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.352.928/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 353 lid 1 RvArt. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof oordeelt dat betalingen van erflater aan broer schenking zijn, geen lening

De erfgenamen van de overleden vader vorderden dat het hof zou verklaren dat hun vader een lening van €295.000 had verstrekt aan zijn broer, de geïntimeerde, en dat zij dit bedrag konden vorderen. De rechtbank wees deze vordering af, maar oordeelde dat de lening aan de onderneming van de broer was verstrekt.

In hoger beroep stelde het hof vast dat de erfgenamen de bewijslast droegen en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij op voorhand in hun bewijs waren geslaagd. Het hof concludeerde dat de betalingen niet aan de onderneming, maar aan de broer persoonlijk waren gedaan en dat het ging om een schenking, niet om een lening.

Het hof baseerde dit op verklaringen van betrokkenen, de context van de betalingen, en het ontbreken van schriftelijke afspraken over terugbetaling. De vordering tot verklaring voor recht van een lening werd afgewezen, maar de vordering tot terugbetaling van kosten werd toegewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat de betalingen een schenking zijn en wijst de vordering tot verklaring voor recht van een lening af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.928
zaaknummer rechtbank 190102
arrest van 14 april 2026
in de zaak van

1.[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats1]
2. [appellante]( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist
en
[geïntimeerde]( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
advocaat: mr. P. Sipma te Drachten

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] en [appellante] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) op 24 januari 2024 en 18 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 februari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] en [appellante] zijn erfgenamen van hun vader, [naam1] (hierna: [naam1] ). Zij menen dat [naam1] ten tijde van zijn overlijden een vordering had op [geïntimeerde] ter hoogte van € 295.000,00 omdat [naam1] dat bedrag aan [geïntimeerde] heeft geleend. Zij hebben bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat deze lening bestaat en dat zij, als erfgenamen van [naam1] , dit bedrag te vorderen hebben van [geïntimeerde] .
Volgens [geïntimeerde] zijn de betalingen gedaan aan zijn bedrijf, [naam2] BV (hierna: [naam2] B.V.), en betrof het een schenking.
2.2.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 295.000,00.
2.3.
Het hof oordeelt dat het geld niet is uitgeleend door [naam1] aan [naam2] B.V., maar is geschonken door [naam1] aan [geïntimeerde] en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus niet in stand en beslist anders.

3.De feiten

3.1.
[naam1] is de vader van [appellant] en [appellante] en de broer van [geïntimeerde] . [naam1] is [in] 2022 overleden. [naam1] was getrouwd met [naam3] (hierna: [naam3] ), de moeder van [appellant] en [appellante] . De echtscheiding is [in] 2019 uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland en het huwelijk is [in] 2019 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontbonden.
3.2.
[naam1] heeft op 15 december 2010 een testament laten opmaken en op grond van dit testament zijn [appellant] en [appellante] zijn erfgenamen.
3.3.
[naam1] heeft gedurende zijn leven de volgende voor deze zaak relevante betalingen verricht:
- Op 19 juni 2012 € 120.000,00 op [rekeningnummer] ten name van [naam2] B.V. met de omschrijving ‘
aflossing hyp’;
- Op 9 juli 2012 € 40.000,00 op [rekeningnummer] ten name van [naam2] B.V. met de omschrijving ‘
aflossing lening’;
- Op 16 juli 2012 € 40.000,00 op [rekeningnummer] ten name van [naam2] B.V. met de omschrijving ‘
aflossing lening’;
- Op 30 oktober 2014 € 95.000,00 op [rekeningnummer] [naam4] … met de omschrijving ‘
aflossing lening’.
[naam1] heeft in totaal € 295.000,00 betaald.
3.4.
[naam1] is in 2020 bij [geïntimeerde] in huis gaan wonen.

4.De beslissingen van de rechtbank en de daartegen gerichte grieven

4.1.
In het vonnis van 24 januari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] en [appellante] op voorhand zijn geslaagd in hun bewijs dat door [naam1] € 295.000,00 aan [geïntimeerde] is geleend. [geïntimeerde] had zich op het standpunt gesteld dat het geld was geschonken en niet geleend en [geïntimeerde] stelde daarnaast dat niet hij persoonlijk, maar zijn onderneming, [naam2] B.V., de ontvanger was.
4.2.
De rechtbank heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Er heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. De rechtbank heeft op 18 december 2024 geoordeeld dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het tegenbewijs van de stelling dat sprake was van een geldlening, maar wel in het tegenbewijs dat hij persoonlijk de ontvanger was. De rechtbank heeft dus geoordeeld dat [naam1] € 295.000,00 heeft geleend aan [naam2] B.V.
4.3.
[appellant] en [appellante] hebben hoger beroep ingesteld en een grief gericht tegen de oordelen van de rechtbank dat [geïntimeerde] is geslaagd in het tegenbewijs en dat niet [geïntimeerde] , maar [naam2] B.V. de ontvanger is van de betalingen door [naam1] en dat er door [naam1] aan [naam2] B.V. is geleend. Zij willen dat hun vordering alsnog wordt toegewezen.
4.4.
[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] en [appellante] op voorhand zijn geslaagd in hun bewijs dat [naam1] het bedrag van € 295.000,00 heeft geleend en dat hij niet is geslaagd in het tegenbewijs dat sprake was van een schenking aan [naam2] B.V. Hij vindt dat de rechtbank mede op basis van de getuigenverklaringen had moeten oordelen dat sprake was van een schenking aan [naam2] B.V.
4.5.
[appellant] en [appellante] hebben daarnaast nog grieven gericht tegen beslissingen van de rechtbank over door [geïntimeerde] aan [appellant] en [appellante] terug te betalen kosten. [appellant] en [appellante] stellen dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de vermindering van een nota van Uitvaart [naam5] met een bedrag van € 1.100,00 en met de terugbetaling van ten onrechte afgeschreven kostgeld van € 675,00. Indien deze bedragen worden verrekend, dient [geïntimeerde] een [appellant] en [appellante] € 11.884,70 te betalen. [geïntimeerde] is het op deze punten met [appellant] en [appellante] eens.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

5.1.
Gezien de aard van de grieven zal het hof eerst ingaan op de grief van [geïntimeerde] tegen het oordeel van de rechtbank over de bewijslastverdeling en daarna op de overige grieven van partijen, de proceskosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad.
Bewijs
5.2.
[appellant] en [appellante] stellen dat het bedrag van € 295.000,00 door [naam1] aan [geïntimeerde] is geleend en dat [geïntimeerde] dit geld aan hen, als erfgenamen van [naam1] , moet terugbetalen. Nu [appellant] en [appellante] zich beroepen op rechtsgevolgen van dat feit, dragen zij de bewijslast ervan [1] .
5.3.
Het hof vindt dat de rechtbank in het vonnis van 24 januari 2024 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] en [appellante] op voorhand zijn geslaagd in het bewijs van de door hen gestelde geldlening gezien de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] . Op dat moment hadden [appellant] en [appellante] ter onderbouwing van hun stelling naar voren gebracht dat [naam1] in de echtscheidingsprocedure met [naam3] de betalingen herhaaldelijk een lening aan zijn broer heeft genoemd, wat door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking is overgenomen, en bovendien dat in zijn IB-aangiften 2016 en 2017 wordt gesproken over uitgeleend geld. [geïntimeerde] heeft de stelling van [appellant] en [appellante] gemotiveerd betwist onder andere door te wijzen op het feit dat na 2017 geen lening meer in de IB-aangiften van [naam1] is opgenomen, de betalingen zijn gedaan aan [naam2] B.V., de betalingen schenkingen waren en dat hij niet is gebonden door wat [naam1] zelf in de echtscheidingsprocedure met [naam3] heeft gezegd of in zijn belastingaangifte heeft opgenomen. De betwisting van [geïntimeerde] was dusdanig gemotiveerd dat het hof vindt dat er geen aanleiding was te concluderen dat [appellant] en [appellante] op voorhand zijn geslaagd in hun bewijs en om [geïntimeerde] toe te laten tot tegenbewijs. Uitgangspunt voor het hof is dus dat [appellant] en [appellante] de bewijslast dragen van hun stelling dat sprake is van een geldlening aan [geïntimeerde] .
Ontvanger betalingen
5.4.
[appellant] en [appellante] hebben gesteld dat [naam1] aan [geïntimeerde] heeft betaald en zij hebben gewezen op de verklaringen van [naam1] in de echtscheidingsprocedure, waarin hij heeft gesproken over betalingen aan zijn broer en op de verklaringen uit het getuigenverhoor, waarin is verklaard dat [naam1] zijn familie wilde helpen. [geïntimeerde] heeft gewezen op het feit dat de betalingen zijn gedaan aan [naam2] B.V. en dat daaruit moet worden afgeleid dat de betalingen voor [naam2] B.V. bestemd waren.
5.5
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen tegen elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden [2] . De tenaamstelling van een bankrekening waarop is betaald, is een feit, maar niet doorslaggevend voor de vraag wie de ontvanger van de betalingen is. Uit de verklaringen komt het beeld naar voren dat [naam1] [geïntimeerde] en zijn gezin wilde helpen en dat dit ook zo door [geïntimeerde] en zijn gezin is opgevat. [naam1] wist dat [naam2] B.V. een grote schuld aan de bank had, dat de vrouw van [geïntimeerde] ernstig ziek was en dat de familie door moeilijke tijden ging. [geïntimeerde] heeft verklaard ‘
Indertijd tijdens de besprekingen met de advocaat van [naam1] rondom de echtscheiding, gaf [naam1] aan dat hij geld aan mij gegeven had, of nou ja. overgemaakt.’. De zoon van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Hij ( [naam1] ) wilde de familie helpen.’. De dochter van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
ik ( [naam1] ) wil wat voor jullie doen.’. En in de verschillende verklaringen komt terug dat de vrouw van [geïntimeerde] op de betaling reageerde met de opmerking ‘wij kunnen dat nooit terugbetalen’. Het hof vat het ‘wij’ op als een verwijzing naar [geïntimeerde] en zijn vrouw en niet naar [naam2] B.V. Voor het hof is duidelijk dat [naam1] [geïntimeerde] wilde helpen en dat hij dus [geïntimeerde] (indirect via [naam2] B.V.) wilde bevoordelen.
Aard betalingen
5.6.
Nu voor het hof vaststaat dat [geïntimeerde] de ontvanger van de betalingen is geweest, resteert de vraag of het hier ging om een lening of een schenking. Dat het een geldlening betreft blijkt volgens [appellant] en [appellante] uit het feit dat [naam1] zelf de betalingen zo heeft benoemd in de echtscheidingsprocedure met [naam3] en hij dit zo in zijn IB-aangiften 2016 en 2017 heeft opgegeven. Zij hebben daarnaast een niet ondertekende verklaring van een vroegere buurvrouw overgelegd, die zegt [naam1] telefonisch te hebben gesproken tijdens welk gesprek hij aangaf een grote som zwart geld te hebben uitgeleend aan zijn broer, en een e-mail van de beheerder van de Stichting Begraafplaatsen [gemeentenaam] waarin staat dat [naam1] in een gesprek met hem sprak over een lening van drie ton aan zijn broer. [geïntimeerde] heeft ontkend dat van een lening sprake was. Hij stelt dat [naam1] tegen hem en zijn vrouw heeft gezegd het geld te hebben gegeven en dat dit niet terugbetaald hoeft te worden. De zoon en dochter van [geïntimeerde] bevestigen dit; zij geven beiden aan [naam1] dit te hebben horen zeggen. [geïntimeerde] wijst erop dat na 2017 in de IB-aangiften van [naam1] geen lening meer is opgenomen en hij geeft een mogelijke verklaring voor het feit dat [naam1] in de echtscheidingsprocedure de betalingen een lening heeft genoemd, namelijk dat hij [naam3] niet tekort wilde doen in de verdeling.
5.7.
Duidelijk is dat [naam1] geld heeft verstrekt aan [geïntimeerde] , maar [appellant] en [appellante] hebben niet aangetoond dat het een lening betreft. Er zijn verklaringen dat [naam1] de betalingen een lening heeft genoemd, maar die verklaringen overtuigen het hof niet. De uitlatingen van [naam1] in het kader van de echtscheidingsprocedure met [naam3] zijn in een specifieke context gedaan en [geïntimeerde] is daaraan niet gebonden. In het algemeen geldt dat de verklaringen geen betrekking hebben op de rechtstreekse relatie tussen [naam1] en [geïntimeerde] en hun onderlinge uitingen. De duiding in zijn IB-aangiften heeft [naam1] zelf gewijzigd en uit de omschrijving bij de betalingen is niet af te leiden dat het ging om een lening aan [geïntimeerde] . Uit de verklaringen die tijdens het getuigenverhoor bij de rechtbank zijn afgelegd komt naar voren dat [naam1] het geld wilde geven om [geïntimeerde] en zijn gezin te helpen met het aflossen van de schuld bij de bank en dat er niet terugbetaald hoefde te worden. [geïntimeerde] heeft daar verklaard: ‘
Mijn vrouw zei nog maar [naam1] dat kunnen wij nooit terugbetalen en [naam1] zei dat hoeft ook niet, dat is niet nodig, dat geef ik.’. De zoon van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Wij waren daar erg van onder de indruk en mijn moeder zei tegen [naam1] : maar wij kunnen dat nooit terugbetalen. Dat hoeft niet zei [naam1] . Dat geef ik.’ en ‘
[naam1] heeft bij elke betaling gezegd dat hij het geld niet terug hoefde. Ik was daar bij.’. De dochter van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Hij ( [naam1] ) zei dat geef ik aan jullie.’. Uit niets blijkt dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] afspraken zijn gemaakt over terugbetaling van het betaalde bedrag. [geïntimeerde] heeft verklaard de betaling als schenking te hebben gezien. Het hof oordeelt dat [appellant] en [appellante] niet zijn geslaagd in het bewijs dat het ging om een geldlening en dat, gezien de verklaringen, het aannemelijk is dat het een schenking door [naam1] betrof. Daarbij wordt nog opgemerkt dat als het geldbedrag inderdaad een lening had betroffen, het voor de hand had gelegen dat het ook op papier zou zijn gezet.
Conclusie betalingen
5.8.
De conclusie van het hof is dat de betalingen van [naam1] een schenking aan [geïntimeerde] inhielden. Dit betekent dat de door [appellant] en [appellante] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat er geen sprake is van een geldlening. De door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht dat de verstrekte bedragen een schenking aan primair [naam2] B.V. en subsidiair [geïntimeerde] waren wordt eveneens afgewezen. Het hof komt niet aan een inhoudelijke behandeling van deze vordering toe, omdat die pas in hoger beroep is gedaan en een tegenvordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. [3] Dat oordeel wordt niet anders doordat [appellant] en [appellante] , voor het geval het hof de door hen gevorderde verklaring voor recht afwijst, hebben aangegeven in te kunnen stemmen met de door [geïntimeerde] subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de betalingen worden gekwalificeerd als een schenking aan [geïntimeerde] . Die instemming zet de wettelijke bepaling niet opzij.
Terugbetaling kosten
5.9.
Nu [geïntimeerde] instemt met de grieven van [appellant] en [appellante] over de terugbetaling van verschillende kostenposten (zie hiervoor onder 4.5), zal het hof de vordering van [appellant] en [appellante] , die hierop betrekking heeft, toewijzen.
Proceskosten
5.10.
[appellant] en [appellante] hebben in hoger beroep een proceskostenveroordeling gevorderd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. [geïntimeerde] heeft eenzelfde verzoek gedaan. Het hof bepaalt echter dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak, namelijk de familieverhoudingen tussen partijen en omdat partijen ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.11.
De veroordeling in deze uitspraak met betrekking tot de door [geïntimeerde] terug te betalen kosten kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 24 januari 2024, voor zover daarin op voorhand bewezen is geacht dat [appellant] en [appellante] zijn geslaagd in het bewijs dat [naam1] € 295.000,00 aan [geïntimeerde] heeft geleend en [geïntimeerde] is toegelaten tot tegenbewijs daarvan;
6.2.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 18 december 2024 en beslist als volgt;
6.3.
wijst de door [appellant] en [appellante] gevorderde verklaring voor recht af;
6.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] en [appellante] van een bedrag van € 11.884,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, 19 juni 2023, tot aan de dag der algehele voldoening;
6.5.
wijst de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht af;
6.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
6.7.
verklaart de veroordeling zoals opgenomen onder punt 6.4. uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.H.P. Selcraig, O.E. Mulder en L. van Dijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 150 Rv Pro.
2.Kribbenbijterarrest ECLI:NL:HR:1977:AC1877.
3.Artikel 353 lid 1 Rv Pro bezien in samenhang met artikel 137 Rv Pro.