Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2268

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
21-004952-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen van zware mishandeling met gebroken oogkassen

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling op 12 februari 2024, waarbij het slachtoffer meerdere gebroken oogkassen opliep. Het hof baseerde zich op camerabeelden, verklaringen van het slachtoffer en politieonderzoek, en verwierp het verweer van verdachte dat hij niet aanwezig was.

Het hof stelde vast dat verdachte samen met twee medeverdachten het slachtoffer aanviel in diens woning, waarbij sprake was van een gecoördineerde en bewuste samenwerking. Het letsel werd als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd vanwege de aard, noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel.

Verdachte had opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, althans bewust de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard. Het hof legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een schadevergoeding van €6.859,07 toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, met hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en medeverdachten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van zware mishandeling met toekenning van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-004952-24
Uitspraakdatum:15 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 14 november 2024 met parketnummer 16-247711-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 1 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 6.859,07, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijk verklaring ten aanzien van het meer gevorderde. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. van Bunnik, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte bij vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is, ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij deels (hoofdelijk) toegewezen tot een bedrag van € 5.859,07, bestaande uit € 859,07 aan materiële en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 12 februari 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere gebroken oogkassen, heeft toegebracht, door die [benadeelde] meerdere malen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 februari 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [benadeelde] heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 februari 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meerdere malen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere gebroken oogkassen ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Stanpunt verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak bepleit. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat de herkenningen in het dossier onbetrouwbaar zijn. Verder is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het letsel van aangever niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verder is naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel hof
De betrokkenheid van de verdachten
Ter zitting in hoger beroep zijn de beelden van de Eufy deurbelcamera getoond. De voorzitter heeft als eigen waarneming van het hof ten aanzien van verdachte geconstateerd dat de vorm (breedte) van het hoofd, het postuur en de baardgroei, gelijkenissen vertoont met de persoon op de beelden. In het bijzonder heeft de voorzitter met betrekking tot de baardgroei van verdachte als waarneming geconstateerd dat bij verdachte in het midden van de kin zich een kaal stuk ten opzichte van de baardgroei aan beide kanten bevindt, alsmede dat de beharing op de jukbeenderen iets kalere plekken ten opzichte van de overige baardgroei vertoont. De voorzitter heeft er ter zitting ook op gewezen dat verdachtes SKDB foto, gemaakt op 24 juli 2024 (pagina 200 van het proces-dossier) een gezichtsbeharing laat zien die dezelfde overeenkomsten vertoond met die van een van de mannen die op de door de Eufy deurbelcamera gemaakte beelden te zien is én met de hiervoor weergegeven eigen waarneming van het hof met betrekking tot het uiterlijk van verdachte.
Het hof stelt verder op grond van het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2024 vast dat verbalisant [verbalisant 1] de camerabeelden heeft bekeken en van (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 1] de foto van zijn reisdocument heeft opgevraagd. De foto heeft verbalisant [verbalisant 1] vergeleken met de camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verder gerelateerd dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] eerder in verband met een andere politieonderzoek als verdachte heeft gehoord. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij medeverdachte verdachte [medeverdachte 1] herkent aan de vorm van zijn gelaat en de stand van zijn ogen ten opzichte van zijn neus. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de herkenning van medeverdachte [medeverdachte 1] te twijfelen.
Aangever, [benadeelde] , heeft in zijn aangifte verklaard dat [medeverdachte 2] hem meteen aanvloog nadat hij de deur opende en dat er nog twee jongens achteraan kwamen waarvan hij er één herkende als “ [verdachte] ”. Dat is een vriend van [medeverdachte 2] . De derde persoon heeft hij niet kunnen zien. Misschien was dat de broer van [medeverdachte 2] , genaamd [medeverdachte 1] .
In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , opgemaakt op 12 februari 2024 is opgenomen dat verbalisant [verbalisant 2] aan [benadeelde] vraagt of hij de daders kende. Verbalisant [verbalisant 2] hoorde [benadeelde] zeggen: Ja, het zit in de relationele sfeer. Twee wonen op het adres [adres 2] . De andere ken ik niet. Het zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] .
In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] en verbalisant [verbalisant 4] , opgemaakt op 12 februari 2024 hebben zij opgetekend dat zij op 12 februari 2024 met de bewoonster van het adres [adres 2] , [Naam moeder] , hebben gesproken. Zij verklaarde over een incident dat die ochtend had plaatsgevonden tussen haar en haar ex-man. Verbalisant [verbalisant 4] hoorde haar zeggen, dat haar twee zoons langs haar ex-man zouden gaan.
Het hof is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende beelden en op grond van de aangifte van [benadeelde] en
hetde voornoemde processen-verbaal van bevindingen kan worden vastgesteld dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij aangever is geweest. Gelet hierop acht het hof de verklaring van verdachte [verdachte] , inhoudende dat hij niet aanwezig is geweest bij aangever niet geloofwaardig.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn op
12 februari 2024 naar de woning van aangever gegaan. Op grond van de camerabeelden stelt het hof vast dat zij met zijn drieën de woning van aangever zijn binnengegaan. Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem meteen aanvloog nadat hij de deur had geopend en dat hij toen omver geduwd werd, geschopt werd en alle kanten op werd geslagen. Ook heeft aangever verklaard dat hij niet was opgewassen tegen de drie verdachten. Aangever lag op de grond en heeft naar zijn schoonzus, die zich op dat moment boven in de woning bevond, geschreeuwd dat zij de politie moest bellen. Aangever heeft verder verklaard dat hij de verdachten hoorde dreigen dat ze zijn schoonzus af zouden maken als de politie gebeld werd. Verder kan op grond van de camerabeelden worden vastgesteld dat de verdachten gezamenlijk weer zijn weggegaan.
Uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake was van een gezamenlijk optreden richting aangever. Gelet hierop is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gecoördineerde, gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel
Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ook buiten de in artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht genoemde gevallen lichamelijk letsel als zwaar kan worden aangemerkt indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat bij aangever (onder meer) twee gebroken oogkassen, een afgebroken voortand en een kneuzing aan de ribben is geconstateerd. Vlak na het voorval heeft aangever verklaard dat zijn oogplaat weg is geslagen, hetgeen kan leiden tot een verzakking van het oog. Op dat moment was nog niet duidelijk of hiervoor operatief ingrijpen noodzakelijk zou zijn. Namens aangever zijn in hoger beroep aanvullende stukken overgelegd. Hieruit blijkt dat op 6 mei 2026 alsnog een operatie zal plaatsvinden in verband met het wegzakken van aangevers oog en de klachten die aangever hiervan ondervindt.
Het aan aangever toegebrachte letsel dient op grond van het voorgaande, gelet op de aard van het letsel en de duur van het genezingsproces, alsmede op grond van de noodzaak tot medisch ingrijpen, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel
Op grond van het voorgaande staat vast dat aangever door het handelen van de verdachten zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is echter vereist dat het opzet van de verdachten ook gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dit opzet kan ook bewezen worden verklaard als de verdachten niet direct uit waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar wel bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer door hun handelen zulk zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Verdachte is doelbewust samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar aangever gegaan. In het proces-verbaal van bevindingen van 29 februari 2024, waarin verbalisant [verbalisant 1] een beschrijving heeft gegeven van de bij de cameradeurbel behorende geluidsopnames, blijkt dat verdachten niet naar aangever toe zijn gegaan voor een vriendelijk gesprek. Aangever heeft verklaard dat hij alle kanten op werd geslagen en dat hij op de grond lag.
Uit de aangifte en het bij aangever geconstateerde letsel leidt het hof af dat aangever meerdere malen met kracht is geslagen en geschopt, onder meer in zijn gezicht ter hoogte van zijn ogen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht een kwetsbaar deel van het lichaam is. Indien met kracht in het gezicht wordt geslagen, bestaat de aanmerkelijke kans dat dit de zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. Verdachte moet geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door aangever niettemin met kracht in het gezicht te slaan hebben verdachten bewust de aanmerkelijke kans, die door het gezamenlijk toepassen van geweld nog is vergroot, aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat verdachten het opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van aangever.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 12 februari 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken oogkassen, heeft toegebracht, door die [benadeelde] meerdere malen in het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen en te slaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever [benadeelde] . Aangever is hierbij op een grove wijze mishandeld. Aangever heeft onder meer twee gebroken oogkassen opgelopen. Aangever kampt tot op heden met de gevolgen hiervan. Het moet voor aangever, temeer nu de mishandeling heeft plaatsgevonden in zijn eigen woning, een zeer angstige ervaring zijn geweest. Verdachte en zijn mededaders hebben door aldus te handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.
Hoewel het dossier aanknopingspunten biedt voor het gegeven dat aangever zich vlak voor het voorval op een vervelende manier heeft gedragen jegens de moeder van medeverdachten [medeverdachten] rechtvaardigt dit op geen enkele wijze het handelen van verdachte. Dit wijst erop dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd vanuit een vorm van eigenrichting, hetgeen het hof ten zeerste afkeurt.
Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor verkeersfeiten.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat – mede gelet op wat hiervoor is overwogen en de aard en de ernst van het gepleegde feit – een zwaardere straf dient te worden opgelegd dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, te weten de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het hof is van oordeel dat deze straf passend en geboden is. De (voorwaardelijke) gevangenisstraf dient er enerzijds toe om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.859,07 ingediend.
De vordering valt uiteen in een bedrag van € 1.859,07 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.859,07, bestaande uit een bedrag van € 859,07 ter zake van materiële schade en een bedrag van
€ 5.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente
en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Namens de benadeelde partij is ter zitting in hoger beroep een toelichting gegeven op de ingediende vordering. Hierbij is aangegeven dat de post ‘toekomstige schade’ komt te vervallen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde]
€ 6.859,07 hoofdelijk wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is verzocht de vordering tot schadevergoeding af te wijzen voor zover deze ziet op de kostenposten kleding en tandartskosten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom ten aanzien van de gevorderde materiële schade toegewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte lichamelijk letsel opgelopen waardoor hij ingevolge artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking komt.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 6.000,-. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en voorts gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade.
Wettelijke rente
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade bepalen op 12 februari 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Hoofdelijk aansprakelijk
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verdachte het bewezen verklaarde tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Nu zij ieder onrechtmatig jegens de benadeelde hebben gehandeld, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele door de benadeelde geleden schade.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.859,07 (zesduizend achthonderdnegenenvijftig euro en zeven cent) bestaande uit € 859,07 (achthonderdnegenenvijftig euro en zeven cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 6.859,07 (zesduizend achthonderdnegenenvijftig euro en zeven cent)bestaande uit
€ 859,07 (achthonderdnegenenvijftig euro en zeven cent)materiële schade en
€ 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
59 (negenenvijftig)dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. L.J. Hofstra en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. K. van der Meulen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 april 2026.
Mr. Souer voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.