Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2264

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.357.672
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging gezag moeder over twee minderjarige kinderen

De rechtbank Gelderland had het gezag van de moeder en vader over twee minderjarige kinderen beëindigd. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht het hof om het gezag te behouden en een deskundigenonderzoek te gelasten.

Het hof oordeelt dat onvoldoende is gebleken dat de moeder in de nabije toekomst niet in staat zal zijn de opvoeding van de kinderen op een goede manier weer op zich te nemen. De moeder heeft sinds de beëindiging van haar relatie met de vader een positieve ontwikkeling doorgemaakt, beschikt over eigen woonruimte en onderhoudt goed contact met de kinderen en de betrokken gezinshuizen.

Het hof benadrukt dat een uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel terugplaatsing bij de ouders. Er is onvoldoende bewijs dat de moeder niet zelfstandig voor de kinderen kan zorgen, mede omdat zij niet onderzocht is op haar opvoedvaardigheden en de gezinsopname uit 2022 niet negatief is afgesloten.

Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank voor zover het gezag van de moeder is beëindigd en wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag alsnog af. De beslissing tot beëindiging van het gezag van de vader blijft in stand.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking tot beëindiging van het gezag van de moeder en wijst het verzoek tot beëindiging alsnog af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.672
zaaknummer rechtbank Gelderland 442825
beschikking van 16 april 2026
over de beëindiging van het gezag over
[minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. F. Pool
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die kantoor houdt in Arnhem
en
de gecertificeerde instelling
Stichting William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[de vader](de vader)
die woont op een geheim adres,
die is opgeroepen op zijn briefadres
en
familie [gezinsouders](de gezinshuisouders van [minderjarige1] )
wonende in [woonplaats1]
en
[gezinsouder](de gezinshuisouder van [minderjarige2] )
wonende in [woonplaats2]

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het gezag van de moeder en de vader over de kinderen [minderjarige1] en [minderjarige2] beëindigd. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] is geboren [in] 2018 en [minderjarige2] is [in] 2020 geboren.
2.2.
De ouders hadden tot de beschikking van de rechtbank van 21 mei 2025 samen het gezag over de kinderen.
2.3.
[minderjarige1] en [minderjarige2] staan sinds 22 november 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 november 2025 tot 6 mei 2026.
2.4.
In september 2021 zijn de kinderen op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis geplaatst in een gezinshuis. De gezinshuisouders gingen scheiden en de kinderen konden daar niet meer verblijven. De moeder is toen met de kinderen voor een gezinsopname naar [naam1] gegaan. Vervolgens is de moeder met de kinderen bij haar ouders gaan wonen, met toestemming van de toenmalige jeugdzorgwerkers. Vervolgens, na de nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing, zijn de kinderen naar een perspectief biedende crisisplek (bron: raadsrapport 24 oktober 2024) gegaan. Vervolgens zijn de gezinshuisouders waar [minderjarige1] en [minderjarige2] eerder hebben verbleven ieder een eigen gezinshuis gestart en zijn [minderjarige1] en [minderjarige2] , vanaf de crisisplek ieder bij een van deze gezinshuisouders geplaatst. [minderjarige2] is toen gaan wonen in het gezinshuis van de gezinshuismoeder en daar woont zij nog steeds. Het gezinshuis van de gezinshuisvader waar [minderjarige1] ging wonen is inmiddels gestopt waardoor [minderjarige1] sinds de zomervakantie van 2025 woont in het gezinshuis van de familie [gezinsouders] in [woonplaats1] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van beide ouders over [minderjarige1] en [minderjarige2] te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 mei 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof om op grond van 810a Rv een deskundigenonderzoek te gelasten uitgevoerd door [naam2] .
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Ook de GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft alleen het volgende stuk ontvangen:
 het beroepschrift
4.5.
[minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de beëindiging van het gezag van de moeder. [minderjarige1] heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Het hof is van oordeel dat de moeder het gezag over de kinderen moet behouden. De beslissing van de rechtbank zal op dat punt ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
5.4
Het hof vindt dat onvoldoende is gebleken dat de moeder in de nabije toekomst niet in staat zal zijn op een goede manier de opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] weer op zich te nemen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan een eventuele beëindiging van het gezag. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
5.5
Zowel de raad als de GI hebben geen schriftelijk verweer gevoerd. Zij hebben ook geen stukken overgelegd. De pleegouders hebben geen gehoor gegeven aan de oproep om naar de mondelinge behandeling te komen en hebben ook niet op andere wijze hun standpunt aan het hof opgegeven. Het raadsrapport dat ten grondslag ligt aan het inleidend verzoek tot gezagsbeëindiging dateert van 25 oktober 2024 en is daarmee al bijna anderhalf jaar geleden opgemaakt. Sindsdien hebben zich bovendien nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. De raad stelt in hoger beroep dat er zorgen zijn over de kinderen in die zin dat zij duidelijkheid nodig hebben over hun opvoedperspectief. De moeder betwist dat de kinderen dergelijke signalen laten zien. De GI verwijst naar de gezinsopname bij [naam1] in 2022 die volgens de GI negatief is afgesloten. Het hof beschikt niet over verslagen van die gezinsopname. De moeder betwist dat de gezinsopname negatief is geëindigd. Volgens haar voldeed zij aan alle door [naam1] gestelde voorwaarden behalve die van het hebben van zelfstandige woonruimte. Zij woonde op dat moment nog bij haar ouders. In ieder geval staat vast dat de gezinsopname al lange tijd geleden plaatsvond in een periode waarin de moeder nog net wel of net geen relatie (meer) had met de vader. De advocaat van de moeder heeft op de zitting onbetwist gesteld dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen destijds waren ingegeven door het geweld dat door de vader in het gezin werd gepleegd. De vader is nu al enkele jaren volledig uit beeld bij de kinderen en de moeder. Sinds de relatie tussen de moeder en de vader in 2022 is geëindigd, heeft de moeder een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij heeft eigen woonruimte en een stabiele relatie met haar huidige partner, met wie zij op 25 februari 2025 een dochter heeft gekregen. Deze dochter staat niet onder toezicht en wordt door de moeder en haar partner verzorgd en opgevoed. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt goed. Het contact met beide gezinshuizen verloopt goed en vooral met de gezinshuismoeder van [minderjarige2] heeft de moeder frequent en prettig contact. Inmiddels vinden de contacten met de kinderen zonder begeleiding plaats. Op de zitting is gebleken dat [minderjarige2] kort geleden van donderdag tot en met zondag bij de moeder heeft verbleven, inclusief overnachtingen. [minderjarige1] verbleef in dezelfde periode van vrijdag tot en met zaterdag bij de moeder. Gekeken wordt hoe [minderjarige2] op regelmatige basis bij de moeder kan gaan verblijven. De moeder maakte tijdens de zitting een opgeruimde en sterke indruk. Zij is eerlijk over wat [minderjarige1] , die een verzwaarde opvoedvraag heeft, nodig heeft in zijn opvoeding.
5.6.
Het hof is van oordeel dat tegen deze achtergrond van een beëindiging van het gezag van de moeder geen sprake kan zijn. Daarbij neemt het hof ook het volgende in aanmerking. Een uithuisplaatsing is een maatregel die naar zijn aard tijdelijk is. Het doel van deze maatregel is ervoor te zorgen dat de ouder de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kan dragen. Zolang sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is het uitgangspunt dan ook dat moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. Niet gebleken is dat sinds de gezinsopname bij [naam1] , inmiddels vier jaar geleden, nog is ingezet op enige vorm van hulpverlening of ondersteuning om thuisplaatsing mogelijk te maken. De moeder is niet onderzocht op haar opvoedvaardigheden. Het hof vindt dat de moeder, sinds de gezinsopname in 2022 en gelet op de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt, onvoldoende de kans heeft gekregen te laten zien dat zij zelfstandig voor de kinderen kan zorgen. Het hof verwacht dan ook van de GI dat zij, vanuit de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsnog zal onderzoeken of en in hoeverre de kinderen weer thuis kunnen wonen.
5.7.
Wat betreft het belang van kinderen bij zekerheid over de plek waar zij opgroeien, overweegt het hof nog dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat de plaatsing in een pleeggezin die zekerheid wel heeft geboden: het buitengewoon grillige verloop van de uithuisplaatsing is hiervoor onder 2.4. weergegeven. Een van de weinige stabiele factoren in het leven van deze kinderen lijkt de moeder te zijn. De raad (en ook de GI) heeft onder deze omstandigheden zijn (bij gebrek aan recente stukken: blote) stelling dat beëindiging van het gezag van de moeder vanuit het oogpunt van zekerheid over het opgroeiperspectief heeft te prevaleren boven voortzetting van dat gezag niet voldoende onderbouwd.
5.8.
Het (primaire) verzoek van de moeder zal worden toegewezen. Dat betekent dat het hof aan het (subsidiaire) verzoek van de moeder een deskundige te benoemen, niet toekomt. De beëindiging van het gezag van de vader is niet aan het hof ter beoordeling voorgelegd. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank het gezag van de vader te beëindigen in stand blijft.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van
21 mei 2025, voor zover daarbij het gezag van de moeder over [minderjarige1] en [minderjarige2] is beëindigd en beslist:
6.2.
wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige1] en [minderjarige2] alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, S. Kuijpers en I.J. Pieters, en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind