Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2257

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.359.957
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats bij vader en wijziging zorgregeling voor minderjarige kinderen

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun vier kinderen, waarvan twee onderwerp zijn van deze procedure. De kinderen zijn sinds juni 2024 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI). Na een echtscheiding en voorlopige zorgregeling heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld en een zorgregeling bepaald.

De moeder ging in hoger beroep tegen de beslissing over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, stellende dat de kinderen bij haar moeten verblijven en dat de zorgregeling uitgebreid moet worden, inclusief een regeling voor vakantie- en feestdagen. De vader steunde de rechtbankbeslissing.

Het hof oordeelt dat het belang van de kinderen het best gediend is met voortzetting van de hoofdverblijfplaats bij de vader, mede vanwege de emotionele loyaliteitsconflicten en de spanningen tussen ouders. De moeder heeft het contact met de vader eenzijdig en zonder goede reden stopgezet, wat het hof ernstig vindt. De zorgregeling wordt gewijzigd: de kinderen verblijven minimaal eens in de twee weken bij de moeder en de helft van de schoolvakanties en feestdagen, met mogelijkheid tot uitbreiding door de GI.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hof wijst verdere verzoeken af. De zorgregeling wordt aangepast om de belangen en het welzijn van de kinderen te waarborgen, terwijl de hoofdverblijfplaats bij de vader blijft.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de kinderen blijft bij de vader en de zorgregeling wordt gewijzigd met meer contactmomenten bij de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.957
zaaknummer rechtbank Gelderland 433506
beschikking van 16 april 2026
over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling voor
[minderjarige1]
en
[minderjarige2]
in de zaak van
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F. van den Heuvel
en
[vader](de vader)
die woont in [woonplaats2]
gemeente Boven-Leeuwen
advocaat: mr. C.M. Sent
en
de gecertificeerde instelling
StichtingJeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof
locatie Arnhem.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft op 3 juli 2025 voor zover hier van belang:
  • de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader vastgesteld
  • als zorgregeling vastgesteld dat na 1 augustus 2025 toegewerkt wordt naar een regeling waarbij de kinderen om het weekend van vrijdag tot zondagavond plus een doordeweekse dag bij hun moeder zijn, waarbij de regie over de opbouw en het tempo van uitbreiding van deze regeling wordt bepaald door de GI en de eerste omgang begeleid is.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct in werking treden.
Het hof beslist dat wat de rechtbank heeft bepaald - met uitzondering van de zorgregeling - zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2020, en
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2021.
De ouders zijn samen belast met het gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen zijn sinds 17 juni 2024 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 17 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 26 februari 2024 is een voorlopige zorgregeling, voor de duur van deze echtscheidingsprocedure, vastgesteld waarbij de kinderen in de oneven weken van maandag 07.15 uur tot de dinsdag daarop 12.15 uur samen met de moeder in de echtelijke woning verblijven en in de even weken van dinsdag 12.15 uur tot de maandag daarop 07.15 uur samen met de vader in de echtelijke woning verblijven.
2.4.
Bij beschikking van 7 maart 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding van partijen uitgesproken en de raad verzocht te adviseren over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling en de beslissingen daarover aangehouden.
2.5.
De vader is ook ouder van [minderjarige3] , geboren in 2015 en [minderjarige4] , geboren in 2017. [minderjarige3] en [minderjarige4] zijn in de even weken van vrijdag tot en met maandagochtend bij hun vader.
2.6.
De co-ouderschapsregeling is na de verhuizing van de moeder naar [woonplaats1] , totdat de moeder in 2025 het contact tussen de vader en de kinderen een aantal maanden heeft stopgezet, blijven bestaan. Op 26 juni 2025 zijn de kinderen bij hun vader gaan wonen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen.
3.2.
De vader op zijn beurt heeft de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en de hoofdverblijfplaats van de kinderen alsnog bij haar bepaalt, een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vaststelt en een regeling voor de vakantie- en feestdagen vaststelt waarbij de kinderen de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij iedere ouder zijn.
4.2.
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, op 3 oktober 2025
  • het verweerschrift van de vader
  • de stukken van de vader op 3 maart 2026
  • een brief van de GI op 11 maart 2026
  • de spreekaantekeningen van mr. Sent.
4.4.
De zitting bij het hof was op 12 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats
Standpunten
5.2.
De moeder vindt dat onvoldoende is aangetoond dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie bij haar thuis. De rechtbank gaat eraan voorbij dat er ook zorgen over de opvoedsituatie bij de vader thuis zijn. Zo staat de vader alleen open voor hulpverlening wanneer die hulpverleners meegaan in zijn beschuldigingen naar en negatieve beeldvorming over de moeder. Voorts is niet benoemd dat ook de vader in het verleden hulpverlening heeft geweigerd en blijft de vader de moeder naar derden toe diskwalificeren. De vader werkt nog steeds dezelfde hoeveelheid uren en bovendien ook nachtdiensten en de moeder mag niet weten hoe de zorg voor de kinderen in die tijd is ingevuld. Ten slotte vertellen de kinderen zorgelijke dingen over de opvoedsituatie bij hun vader als zij bij hun moeder zijn. De moeder heeft altijd voor de kinderen gezorgd in de tijd dat de vader werkte. De moeder vindt dit alles niet in het belang van de kinderen en geen passende opvoedsituatie.
5.3.
De vader ontkent dat hij de kinderen belast met negatieve uitspraken over hun moeder. De moeder heeft de zorgelijke uitspraken die de kinderen over hem zouden doen niet met bewijsstukken aangetoond. De moeder bevestigt volgens de vader wel de zorgen over haar en haar opvoedvaardigheden. Het steekt de vader dat de moeder zomaar allerlei belastende uitspraken over hem doet. De GI zou aan waarheidsvinding moeten doen. Ook had het volgens de vader op de weg van de GI gelegen om informatie over de psychische gezondheid van de moeder in te winnen bij haar behandelaren. De vader ziet in de informatie van de GI onvoldoende terug dat het heel goed met de kinderen gaat sinds zij bij hem wonen.
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof vindt dat het belang van de kinderen het meest gediend is met voortzetting van hun hoofdverblijfplaats bij hun vader. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
5.5.
Uit de stukken waaronder het raadsonderzoek van 23 juni 2025 en de informatie van de GI blijkt dat de moeder en de vader ieder op zichzelf voldoende in staat zijn de kinderen in hun opvoedsituatie te geven wat zij nodig hebben. Het lukt beide ouders echter niet om de kinderen emotionele toestemming te geven om van de andere ouder te houden en hierdoor zitten de kinderen continu in een loyaliteitsconflict. Hoezeer de ouders de belangen van de kinderen daardoor uit het oog verliezen, spreekt uit het feit dat beide ouders niet hebben meegewerkt aan schoolgang of peuterspeelzaal van de kinderen. Zowel in het rapport van de raad als in de informatie van de GI staat dat de ouders elkaar diskwalificeren als opvoeder en aangeven geen vertrouwen te hebben in de andere ouder als opvoeder. Zo vindt de moeder het niet veilig bij de vader en vindt de vader het niet veilig bij de moeder.
5.6.
De zorgen over de manier waarop de ouders met elkaar omgaan en de last die de kinderen daarvan hebben, zijn onverminderd groot. De kinderen vertellen in gesprekken met de jeugdbeschermers dat hun ouders elkaar haten en dat zij niet over de andere ouder mogen spreken. Ook geeft voornamelijk [minderjarige1] aan fysiek last te hebben van de spanning tussen haar ouders. Beide ouders ontkennen dat zij dit van de kinderen vragen en geven aan dat deze belasting bij de andere ouder ligt.
5.7.
De moeder heeft de kinderen in het verleden een paar keer bij zich gehouden omdat ze het niet veilig vond bij de vader. De GI heeft de moeder al een keer een schriftelijke aanwijzing gegeven, waarna de zorgregeling is hervat. In april 2025 heeft de moeder opnieuw de kinderen niet naar hun vader laten gaan omdat de moeder seksueel misbruik van [minderjarige1] door de vader vermoedde. [minderjarige1] heeft een kindverhoor bij de politie gehad. De politie zag onvoldoende aanknopingspunten voor seksueel misbruik en daarmee is het politieonderzoek gesloten. Ook in het raadsonderzoek zijn geen signalen naar voren gekomen die duiden op seksueel misbruik. Dat heeft er echter niet voor gezorgd dat de moeder de kinderen weer naar hun vader liet gaan.
5.8.
Het hof vindt dat de moeder ernstig te kort is geschoten in de zorg voor haar kinderen door het contact van de kinderen met hun vader eenzijdig en zonder een goede reden stop te zetten. Ouders hebben de taak het contact met de andere ouder te stimuleren en de moeder heeft dit tot tweemaal toe niet gedaan. Aangezien het goed met de kinderen gaat bij de vader en dit volgens de GI in een gesprek van begin maart dit jaar ook bij ‘Familiepraktijk Martine’ nog eens is bevestigd, en de vader tot nu toe laat zien dat hij de ouder is die het beste in staat is het contact van de kinderen met de andere ouder in stand te houden, vindt het hof een wijziging van het hoofdverblijf aar de moeder niet in het belang van de kinderen. Daarbij komt nog dat niet te verwachten is dat een verhuizing van de kinderen naar hun moeder iets aan hun situatie zou verbeteren: zolang in de manier waarop de ouders met elkaar omgaan geen verbetering komt, blijven de kinderen last houden van stress en spanningen. Voor de kinderen is het belangrijker dat de relatieve rust die zij nu hebben wordt voortgezet en dat de ouders het advies van de raad opvolgen om het traject solo parallel ouderschap bij ‘Familiepraktijk Martine’ voort te zetten. Een wisseling van hoofdverblijfplaats zou dat belang van de kinderen schaden.
Ten aanzien van de zorgregeling
Standpunten
5.9.
De moeder is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de contacten tussen de kinderen en de moeder in een rustig tempo opgestart moeten worden. Het weghalen van kinderen bij hun moeder is aantoonbaar schadelijk en traumatisch voor kinderen. Zelfs als het onvoldoende veilig is om bij een ouder te wonen, moet er contact blijven tussen kinderen en hun ouders en de rechtbank wijkt daar zonder redelijke motivering van af. De GI is gelukkig voorbij gegaan aan deze overweging en heeft de contacten direct gestart. De kinderen zijn sinds 8 augustus 2025 eens in de twee weken een weekend bij de moeder. De moeder hoort dan veel zorgen van de kinderen over hun vader. Na het weekend willen de kinderen niet terug naar de vader. De moeder heeft een aanbod van de GI dat de kinderen in de week dat zij niet bij haar zijn op een woensdag bij haar zijn, afgeslagen omdat zij ziet dat dit de kinderen te veel belast.
5.10.
De vader ziet - kort gezegd - niet in wat het belang is van een oordeel over een overweging van de rechtbank over de contacten waaraan de GI voorbij is gegaan. De vader ziet ook niet in hoe de vele beschuldigingen van de moeder aan zijn adres verband houden met de zorgregeling.
Hoe oordeelt het hof?
5.11.
Volgens de informatie van de raad en de GI loopt de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen goed. De kinderen zien hun moeder eens in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school en de helft van de schoolvakanties. De kinderen gaan met plezier naar hun moeder en keren vrolijk terug. Volgens de GI verlopen de overdrachtsmomenten tussen de ouders niet goed. De overdrachten verliepen spanningsvol en dit had merkbaar invloed op de kinderen. De overdrachten waren aanvankelijk gepland via school, zodat ouders elkaar niet meer hoefden te zien en spanningen tijdens de overdracht konden worden beperkt. Het lukte de moeder echter vanwege traumatische gebeurtenissen uit het verleden en de gevoelens die daarbij komen kijken, niet om naar de school van de kinderen te gaan. Totdat de moeder een passende begeleidende organisatie heeft die haar hierbij kan ondersteunen, verzorgt de GI de overdrachten van school naar moeder en van moeder terug naar school.
5.12.
Aangezien de huidige zorgregeling goed verloopt, de vader weliswaar vraagt om afwijzing van het verzoek van de moeder over de schoolvakanties en feestdagen maar inhoudelijk geen enkel bezwaar daartegen heeft geformuleerd, ziet het hof geen belemmeringen een zorgregeling vast te stellen van minimaal eens in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school en de helft van de schoolvakanties en feestdagen, waarbij de GI de mogelijkheid heeft deze zorgregeling uit te breiden met een doordeweekse dag in de week dat de kinderen niet bij de moeder zijn.
5.13.
Het hof gaat ervan uit dat de ouders zelf binnen afzienbare tijd in staat zijn om de overdracht via school te begeleiden zonder dat de kinderen daarvan spanningen ervaren. Het hof geeft de moeder ook in overweging haar standpunt over uitbreiding van de zorgregeling op een woensdagmiddag te herzien: de GI is er om ervoor te waken dat de kinderen niet overbelast raken.
5.14.
De beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats zal in stand blijven (worden bekrachtigd). De beslissing over de zorgregeling zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd). Het hof zal de zorgregeling gewijzigd vaststellen.
5.15.
Aan het bewijsaanbod dat de advocaat van de vader op de mondelinge behandeling om het gespreksverslag van maart 2026 van Familiepraktijk Martine over te leggen komt het hof niet toe, omdat de GI op de mondelinge behandeling al heeft bevestigd dat daarin staat dat het goed met de kinderen gaat.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.16.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
3 juli 2025, voor zover dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen betreft
6.2.
vernietigt die beschikking, voor zover dat de zorgregeling betreft, en stelt een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast van minimaal eens in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school en de helft van de schoolvakanties en feestdagen, waarbij de GI de mogelijkheid heeft deze zorgregeling uit te breiden met een doordeweekse dag in de week dat de kinderen niet bij de moeder zijn
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.