Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2239

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.360.598
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:60 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verplichte verkoop woning moeder zonder onderlinge overeenstemming op basis van volmacht in levenstestament

De zaak betreft een geschil tussen drie zussen over de verkoop van de woning van hun moeder, die sinds 2023 in een verpleeghuis verblijft. De moeder had in 2022 een levenstestament opgesteld waarin zij haar dochters een algemene volmacht gaf om haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen, met een specifieke bepaling dat zij alleen gezamenlijk over haar woning kunnen beschikken.

De voorzieningenrechter had aan twee zussen de machtiging verleend om de woning te gelde te maken en de sleutels te verkrijgen, met uitsluiting van de derde zus. Deze laatste stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en vorderde afwijzing van de machtiging en veroordeling van de andere zussen in de proceskosten.

Het hof oordeelt dat artikel 3:174 BW Pro, dat een machtiging tot verkoop van gemeenschappelijk goed regelt, niet van toepassing is omdat de woning eigendom is van de moeder en geen gemeenschappelijk goed betreft. De volmacht in het levenstestament geeft slechts een bevoegdheid om te handelen, geen verplichting. Bovendien is voor verkoop van de woning onderlinge overeenstemming vereist. Zonder die overeenstemming kan geen verkoop worden afgedwongen.

Het hoger beroep van de derde zus slaagt, de vorderingen tot verkoop worden afgewezen en iedere partij draagt de eigen kosten. Het arrest bevestigt dat een volmacht niet automatisch een verplichting tot handelen inhoudt en dat gezamenlijke toestemming vereist is voor verkoop van de woning van de moeder.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt toegewezen en de vorderingen tot verkoop van de woning worden afgewezen wegens ontbreken van rechtsgrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.598
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597655
arrest in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.A.J. Leeman
en

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2]
2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. D.W.L. Cloots

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 24 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte van 27 februari 2026 van mr. Cloots
  • een akte van 3 maart 2026 van mr. Leeman
1.2.
Op 13 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn zussen van elkaar. Hun moeder, [de moeder] , heeft op 28 maart 2022 een levenstestament opgesteld om te voorzien in de situatie dat zij zelf niet meer kan handelen.
2.2.
De moeder heeft [geïntimeerde1] , [appellante] en [geïntimeerde2] een algemene volmacht gegeven om haar vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. Verder heeft de moeder [geïntimeerde1] aangewezen om haar te vertegenwoordigen bij het nemen van geneeskundige behandelbeslissingen, inclusief verplegen en verzorgen.
2.3.
De moeder verblijft sinds 2023 in een verpleeghuis van [verpleeghuis] in [verblijfplaats] . Vanaf 2025 verblijft de moeder hier op grond van een rechterlijke machtiging. De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft in de beschikking van 20 juni 2025 een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van de moeder verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 20 juni 2030.
2.4.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben bij de voorzieningenrechter gevorderd hen te machtigen om de woning van de moeder (aan [adres] in [woonplaats3] ) met uitsluiting van [appellante] te gelde te maken en al het nodige te doen voor de verkoop en levering van de woning.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen en daarnaast [appellante] bevolen de sleutels van de woning van de moeder binnen veertien dagen na het bestreden vonnis over te dragen aan [geïntimeerde1] of [geïntimeerde2] en haar eigendommen uit de woning te halen op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 25.000.
2.6.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Verder vordert [appellante] [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de kosten van de procedure in beide instanties te veroordelen.
2.7.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn het niet eens met de vorderingen van [appellante] . Zij willen dat haar vordering wordt afgewezen en dat zij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en de procedure in hoger beroep.
2.8.
Het beroep van [appellante] slaagt en de vorderingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden alsnog afgewezen. Het hof zal zijn beslissing hierna toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van spoedeisend belang. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, waarbij een beslissing moet worden genomen over de verkoop van de woning van de moeder van partijen, sprake is van een spoedeisend belang.
3.2.
[appellante] is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter, zoals hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 2.5. Zij meent dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om de woning van hun moeder te gelde te maken, heeft toegewezen.
3.3.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben hun vordering primair gebaseerd op artikel 3:174 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 3:174, lid 1, BW kan een deelgenoot een machtiging tot verkoop van een gemeenschappelijk goed bij de rechter vragen. Een rechterlijke machtiging voor de verkoop van een gemeenschappelijk goed kan worden gevraagd voor de voldoening van een gemeenschapsschuld of om een andere gewichtige reden. Het hof stelt voorop dat artikel 3:174 BW Pro is bedoeld voor gemeenschappelijke goederen. De woning van de moeder van partijen betreft echter geen gemeenschappelijk goed. Het betreft immers de woning van de moeder en niet de woning van partijen samen. Dit artikel biedt dan ook geen grondslag voor de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] .
3.4.
De vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is subsidiair gebaseerd op de volmacht in het levenstestament. Een volmacht (artikel 3:60 BW Pro) betreft de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. De volmacht behelst alleen een bevoegdheid en geen verplichting om te handelen. Een volmacht
kanhand in hand gaan met een verplichting om deze bevoegdheid te benutten, maar deze plicht vloeit dan voort uit een andere bron (zoals bijvoorbeeld opdracht of arbeidsovereenkomst).
3.5.
In het levenstestament heeft de moeder een algemene volmacht aan [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellante] gegeven, waarbij de dochters hun taken als algemeen gevolmachtigden ieder afzonderlijk kunnen uitoefenen. Over de woning is in het levenstestament expliciet bepaald:
“In afwijking van het vorenstaande kunnen zij (hof: lees: mijn dochters
) slechts samen over mijn woning beschikken, hieronder versta ik mijn (aandeel in een) woning vervreemden (…).”Op grond van de volmacht hebben partijen de bevoegdheid om samen tot verkoop van de woning van hun moeder over te gaan. Zonder overeenstemming tussen partijen is het dus niet mogelijk om op basis van de volmacht tot verkoop van de woning over te gaan. De volmacht zelf levert daartoe immers geen verplichting op. Van de volmacht kan daarom geen nakoming worden gevorderd.
3.6.
Samenvattend is het hof van oordeel dat de rechtsgrond voor de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ontbreekt. Het hoger beroep van [appellante] slaagt.
3.7.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen). Het hof ziet in het gestelde geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de procedure bij de voorzieningenrechter en de procedure bij het hof.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 september 2025, voor zover het de beslissingen onder 4.1 en 4.2 betreft en beslist:
4.2.
wijst de vorderingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] alsnog af.
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.