Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2228

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.343.115
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 3 BWArt. 4:182 lid 2 BWArt. 6:249 BWArt. 7 lid 1 onder c BWArt. 11 erfpachtvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verdeling nalatenschap met geschillen over woning, erfpacht en buitenlandse goederen

Deze zaak betreft het hoger beroep van [naam1] tegen vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland over de verdeling van de nalatenschap van hun overleden (groot)vader. De nalatenschap omvat onder meer een woning, erfpachtrechten, goederen in Spanje en vorderingen en schulden tussen erfgenamen.

Het hof bevestigt de toedeling van de woning aan [naam3] tegen een waarde van €163.000 in verhuurde staat, met als peildatum 23 april 2020. Over het recht van erfpacht en opstal op een perceel grond is het hof van oordeel dat dit recht inmiddels is beëindigd, maar dat de vergoeding daarvoor tussen €105.000 en €400.000 ligt. Deze vergoeding wordt door de erfgenamen gedeeld.

Verder beslist het hof dat het saldo van een ervenrekening in Spanje door vieren moet worden gedeeld en opgeheven, en dat de toedeling van de Landrover aan [naam2] wordt bekrachtigd. Diverse vorderingen van [naam1] over schulden aan erfgenamen worden afgewezen, behalve dat een schuld aan [naam1] van €1.996,50 wordt erkend. De kosten van de procedure worden door iedere partij zelf gedragen. Het incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt grotendeels de rechtbankuitspraak, wijzigt enkele onderdelen over erfpachtvergoeding, Spaanse goederen en schulden, en bepaalt dat partijen eigen kosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.343.115
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 517710
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [naam1] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. E.M.G. Pouls
tegen
[geintimeerde1] ( [naam2] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.A. Jansens van Gellicum
en
[geintimeerde2] ( [naam3] )
die woont in [woonplaats3]
niet verschenen
en
[de bijzondere curator] (de bijzondere curator)
die kantoor houdt in [vestigingsplaats1]
die in deze zaak optreedt als bijzonder curator van
[de minderjarige1] ( [de minderjarige1] )
die woont in [woonplaats2] .

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[naam1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) op 21 juni 2023 en 27 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaardingen in hoger beroep met incidentele vorderingen
  • de antwoordconclusie van [naam2] op de incidentele vorderingen
  • de memorie van grieven van [naam1]
  • de memorie van antwoord van [naam2]
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator
  • de memorie van antwoord van [naam1] in het incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator
  • bijlage 66 van [naam2] (pleitaantekeningen kort geding namens [stichting2]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 december 2026 is gehouden
  • de machtiging van de kantonrechter van 19 februari 2026 voor het optreden van de bijzondere curator in deze procedure

2.De kern van de zaak

2.1.
De (groot)vader van partijen (hierna: erflater) is overleden in 2014. Deze zaak betreft de afwikkeling van zijn nalatenschap. Erflater heeft zijn vier kinderen [naam1] en [naam3] (uit zijn eerste huwelijk) en [naam2] en [naam4] (uit zijn huwelijk met [naam6] ) als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
2.2.
[naam4] is in 2016 overleden; haar erfdeel is overgegaan op haar minderjarige zoon [de minderjarige1] (geboren [in] 2012).
2.3.
[naam1] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. In 2015 is een vereffenaar benoemd. De wettelijke vereffening van de nalatenschap is in 2019 voltooid.
2.4.
Erflater had samen met [naam2] een vennootschap onder firma ( [onderneming1] ).
2.5.
Erflater heeft de volgende uiterste wilsbeschikkingen gemaakt:
  • een legaat aan [naam2] van zijn aandeel in de vennootschap onder firma [onderneming1] die hij samen met [naam2] had;
  • de oprichting van de Stichting [stichting1] ;
  • een legaat aan deze stichting van een deel van de kunst die erflater heeft vervaardigd;
  • een legaat aan zijn echtgenote/weduwe ( [naam6] ) van het recht van gebruik en bewoning van een woning in [woonplaats4] .
2.7.
[naam2] , [naam1] en de bijzonder curator hebben ieder bij de rechtbank vorderingen ingesteld tegen de andere deelgenoten in de nalatenschap van erflater. Die vorderingen gaan over de vaststelling van de omvang van de nalatenschap en de verdeling daarvan.
2.8.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 21 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis) alle vorderingen besproken en [naam2] en [naam1] bewijsinstructies gegeven ten aanzien van kunstwerken in de opslag in [woonplaats5] . Vervolgens heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 27 maart 2024 (hierna: het eindvonnis) beslist als volgt:
“3.1. verklaart voor recht dat de nalatenschap van erflater bestaat uit de bestanddelen als
omschreven in 2.6;
3.2.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast als bepaald in
2.7. 2.8
en 2.9;
3.3.
bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om een vierde gedeelte van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen;
3.4.
gebiedt [naam1] . [naam3] en [de minderjarige1] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de ondertekening en inschrijving van een verklaring van waardeloosheid, bij een door [naam2] aan te wijzen notaris, waarin wordt vastgelegd dat het recht van erfpacht van een perceel grond - eigendom van de Stichting [stichting2] - aan [adres1] in [woonplaats4] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats4] , sectie B, nummer 2045 zoals door erflater verkregen door inschrijving van een afschrift van een akte van levering [in] 1975, waardeloos is;
3.5.
gebiedt [naam1] . [naam3] en [de minderjarige1] om zo nodig afstand te doen van voormelde
erfpachtrechten en gebiedt hen tot het doen van doorhalen van voormelde erfpachtrechten door inschrijving in de openbare registers;
3.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere
partij de eigen kosten draagt;
3.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2. 3.4 en 3.5 genoemde beslissingen
uitvoerbaar bij voorraad.”
2.9.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 mei 2024 een verzoek van [naam2] tot verbetering en aanvulling van het vonnis van 27 maart 2024 afgewezen.
2.10.
De bedoeling van het hoger beroep van [naam1] is dat de vorderingen die [naam1] bij de rechtbank heeft ingesteld alsnog worden toegewezen. [naam1] heeft verder haar eis in haar hoger beroep vermeerderd.
2.11.
De bedoeling van het hoger beroep van de bijzondere curator is dat op drie onderdelen anders moet worden beslist dan de rechtbank heeft gedaan (onroerende zaken in Spanje, advocaatkosten en bepaalde schulden).
2.12.
Het hof zal beslissen dat de beslissingen van de rechtbank over de verdeling van de nalatenschap van erflater grotendeels in stand blijven. Het hof zal op enkele onderdelen anders beslissen. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het principaal hoger beroep van [naam1]
Grief I: stelt rechtbank de verdeling vast?
3.1.
De rechtbank zegt dat zij de verdeling vaststelt, maar dat klopt volgens [naam1] niet: de rechtbank gelast de wijze van verdeling. Het klopt dat de rechtbank deze verschillende rechtsfiguren noemt. Dat doet [naam1] zelf ook in haar vorderingen. De grief slaagt niet, omdat deze niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Grief II/III: de wijze van verdeling, de waarde en de huur van de woning in [woonplaats3]
3.2.
Tot de nalatenschap van erflater behoort een woning aan de [adres2] in [woonplaats3] . Partijen zijn het eens over toedeling van deze woning aan [naam3] . De rechtbank heeft vastgesteld dat erflater deze woning heeft verhuurd aan [naam3] voor een huur van € 360 per maand. De woning is in opdracht van [naam3] getaxeerd door een NVM makelaar op een waarde in verhuurde staat [in] 2020 van 163.000. De rechtbank heeft de woning toegedeeld aan [naam3] tegen die waarde in verhuurde staat van € 163.000.
3.3.
[naam1] is het met toedeling van de woning aan [naam3] op zich wel eens, maar niet dat deze plaatsvindt tegen een waarde in verhuurde staat van € 163.000. Ze richt haar pijlen op de peildatum voor de waardering, op de taxatie van de NVM makelaar en op de (hoogte van de) huur.
3.4.
Uitgangspunt voor de waarde is uiteraard het tijdstip van verdeling en dat is in dit geval de toedeling van de woning aan [naam3] in het eindvonnis van 27 maart 2024; de toedeling aan [naam3] is in hoger beroep niet bestreden. Uit de omstandigheden die hierna zijn genoemd leidt het hof af dat partijen het er in de eerste helft van het jaar 2020 over eens waren dat de woning aan [naam3] zou worden toegedeeld en daarmee stilzwijgend zijn afgeweken van het bedoelde uitgangspunt. In dit geval is er bovendien vanwege de aanvullende werking van de eisen van de redelijkheid en billijkheid wel alle aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken en de peildatum voor de waardering te bepalen op 23 april 2020.
3.5.
Het gaat daarbij om de volgende omstandigheden.
  • [naam3] heeft de woning [in] april 2000 gekocht en in eigendom verkregen voor een koopsom van ƒ 75.000. Hij heeft de woning kort daarna [in] september 2000 verkocht en geleverd aan erflater voor dezelfde koopsom. In de akte van levering is vermeld dat erflater de woning vanaf dat moment verhuurt aan [naam3] .
  • [naam3] heeft op de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat de woning hem gegund was, omdat hij op de begane grond en de eerste verdieping een kunstgalerie voor erflater in stand hield waar kunst van erflater werd geëxposeerd en verkocht. [naam3] woonde zelf toen op de bovenste verdieping, waar ook een slaapkamertje en een badkamertje zijn, en woont daar nog steeds. De begane grond en de eerste verdieping vormen nog steeds een galerie, maar worden vanaf 2014 niet meer als zodanig gebruikt.
  • De huurprijs van € 360 per maand is door natte vingerwerk tot stand gekomen, zoals erflater dat altijd deed. [naam3] heeft die huur meestal contant aan erflater betaald. Bij de bepaling van de huur speelde ook een rol dat [naam3] op de begane grond en de eerste verdieping kunst van erflater exposeerde en verkocht.
  • Na het overlijden van erflater in 2014 is een vereffenaar benoemd. De vereffening is voltooid [in] 2019. Het is altijd de bedoeling geweest dat de woning in [woonplaats3] zou worden toegedeeld aan [naam3] . De effectuering van die toedeling is ernstig vertraagd doordat tussen partijen na de voltooiing van de vereffening geschillen ontstonden over de afwikkeling van de nalatenschap en in 2020 het overleg tussen de erfgenamen vanwege de ernstig verstoorde verhouding tussen [naam1] en [naam2] geheel tot stilstand is gekomen.
  • Op 29 juni 2020 heeft [naam2] vervolgens de andere deelgenoten gedagvaard en de rechter gevraagd de nalatenschap te verdelen en de woning in [woonplaats3] toe te delen aan [naam3] .
3.6.
Dit alles maakt dat de peildatum voor de waardering op enig moment in 2020 wordt gefixeerd. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid brengen dat mee (artikel 3:166 lid 3 BW Pro). Toen stond vast dat de woning hoe dan ook aan [naam3] zou worden toegedeeld, maar dat de uitvoering daarvan buiten toedoen van [naam3] stokte omdat [naam1] en [naam2] elkaar in de haren vlogen. In de zomer van 2020 is al aan de rechter gevraagd de woning aan [naam3] toe te delen.
3.7.
Het hof vindt in het dossier voldoende aanwijzingen dat erflater en [naam3] een huur voor de woning in [woonplaats3] van € 360 per maand hebben afgesproken. Het hof heeft geen reden de verklaring daarover van [naam3] op de mondelinge behandeling niet te geloven. [naam2] voert dit bedrag ook al op in zijn dagvaarding van 29 juni 2020. In de boedelbeschrijving van de vereffenaar [van] 2017 is ook sprake van een huur van € 360 per maand, waarbij wordt verwezen naar een verslag van een bespreking [van] 2017. Daarin staat:
“Tijdens de bespreking wordt aangegeven dat [naam3] ook iedere maand een bedrag van € 360 aan huur betaald, naast het ter beschikking stellen van ruimte voor de expositie.”
3.8.
Het hof zal net als de rechtbank de waarde in verhuurde staat van de woning [in] 2020 bepalen op € 163.000. Het taxatierapport is weliswaar in opdracht van [naam3] en niet van alle erfgenamen gemaakt, maar dat betekent niet dat de taxatie ondeugdelijk is en niet gevolgd zou kunnen worden door het hof. Het rapport is opgesteld door een NVM makelaar die in het rapport heeft vermeld welke methode van waardering hij heeft toegepast en zijn taxatie uitgebreid heeft toegelicht. [naam1] heeft niet concreet toegelicht waarom de taxatie niet deugdelijk zou zijn.
3.9.
Dit alles betekent dat de grieven II/III van [naam1] falen.
Grief IV/IX: erfpacht
3.10.
In 1975 heeft de stichting [stichting2] ( [stichting2] ) aan erflater een recht van erfpacht uitgegeven van een perceel grond gelegen aan [adres1] in [woonplaats4] . Dit recht van erfpacht houdt ook in een recht van opstal voor de opstallen die erflater op dit perceel heeft gebouwd.
3.11.
Partijen hebben een geschil over de vraag of en wanneer dit recht van erfpacht en het recht van opstal zijn beëindigd en wat het bedrag is van de vergoeding voor de opstallen die ten gevolge van de beëindiging tot de nalatenschap van erflater behoort.
3.12.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het recht van erfpacht door [stichting2] in een brief [van] 2016 aan de vereffenaar is opgezegd per 1 januari 2017 en dat het recht van erfpacht op 1 januari 2017 is beëindigd.
3.13.
De rechtbank heeft het bedrag van de vergoeding voor de opstallen vastgesteld op het bedrag dat de vereffenaar met [stichting2] heeft afgesproken. Dat is € 105.000.; de rechtbank gaat voorbij aan wat [naam1] aanduidt als het driedeskundigenrapport (zie hierna).
3.14.
Dat is volgens [naam1] niet juist. Volgens haar is het zo:
  • [stichting2] heeft het recht van erfpacht per 31 januari 2021 opgezegd (exploot van 31 januari 2020).
  • In het driedeskundigenrapport is geadviseerd over de op grond van artikel 11 van Pro de erfpachtvoorwaarden door [stichting2] aan de [erven] verschuldigde opstalvergoeding na einde erfpacht op 31 januari 2021.
  • De conclusie is:
“Uit het vorenstaande volgt, dat deskundigen de door [stichting2] aan de [erven] te betalen overnameprijs (lees: een opstalvergoeding) na beëindiging van de erfpacht met betrekking tot het perceel kadastraal bekend als gemeente [woonplaats4] , sectie B nummer 2142, plaatselijk bekend als [adres1] te [woonplaats4] per peildatum 31 januari 2021 bepalen op een bedrag van € 400.000,00 (zegge: vierhonderdduizend euro).”
 Dit driedeskundigenrapport is een vaststellingsovereenkomst.
3.15.
[naam1] wil dat de vordering die zij bij de rechtbank op dit onderdeel heeft ingesteld alsnog wordt toegewezen. Die vordering komt neer op verdeling van de vergoeding van [stichting2] van € 400.000 door vieren dan wel toedeling van het recht van erfpacht aan [naam2] tegen een nog vast te stellen waarde met vergoeding aan de andere deelgenoten van de overwaarde.
3.16.
[naam2] kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. Hij stelt dat [stichting2] een voorstel heeft gedaan aan de vereffenaar in de nalatenschap van erflater. Dat voorstel hield onder meer in een nieuwe, aanzienlijk hogere canon van € 12.000 per jaar en een opstalvergoeding van € 105.000 en een onderhoudsplan dat door de erfpachter dient te worden uitgevoerd. De vereffenaar en [naam2] hebben het voorstel van [stichting2] aanvaard. Met die aanvaarding van dit voorstel is feitelijk met wederzijds goedvinden door [stichting2] en de vereffenaar de erfpachtovereenkomst beëindigd op 31 december 2016. Vanaf 1 januari 2017 voeren [stichting2] en [naam2] de nieuwe overeenkomst uit.
3.17.
[naam1] en [de minderjarige1] hebben rechtsvorderingen ingesteld tegen [stichting2] , [naam2] en [naam3] en verlangen nakoming van de verplichting tot betaling van een opstalvergoeding van € 400.000 zoals vastgesteld in het driedeskundigenrapport [van] 2023. In die zaak heeft op 25 november 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [naam2] heeft de pleitaantekeningen van [stichting2] in het geding gebracht. Daarin staat:
3. Tussen [stichting2] en de [in] 2014 overleden [erflater] gold
sinds 1975 een erfpachtrecht op [adres1] te [woonplaats4] , dat na een
verlenging uiteindelijk op 31 januari 2005 afliep maar vervolgens voor onbepaalde
tijd werd voortgezet. Al vóór het overlijden werd gewerkt aan heruitgifte, omdat een
nieuwe canon aanzienlijk hoger zou moeten zijn, maar dat overleg verliep erg
moeizaam.
4. Na het overlijden bleef het erfpachtrecht onderdeel van de nalatenschap. [stichting2]
[stichting2] wilde het oude erfpachtrecht nu echt beëindigen en een nieuwe
overeenkomst sluiten, desgewenst in lijn met de wens van [erflater] , dat de
stichting [stichting1] zou voortzetten (beeldentuin), althans diens zoon [naam7]
omdat [stichting2] (bij voorkeur) met particulieren een
erfpachtovereenkomst sluit. Als snel werd duidelijk dat bij geactualiseerde
voorwaarden en een nieuwe erfpachttermijn ook een nieuwe canon moest worden
overeengekomen maar dat de erfgenamen nog niet wisten hoe zij dat moesten gaan
betalen. De huwelijkspartner van wijlen [erflater] , mevrouw [naam8] , woonde
er bovendien nog op dat moment.
5. Omdat sprake was van een complexe nalatenschap met vier erfgenamen en de
weduwe nog woonachtig was op het perceel, benoemde de rechtbank op 9 januari
2015 notaris [notaris1] als vereffenaar. Deze is zelfstandig bevoegd om namens de
gerechtigde de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Zie ook artikel 10 van Pro de
verklaring van erfrecht d.d. 4 maart 2015, productie 1 bij dagvaarding. [in] januari
2015 vond overleg plaats tussen de erfgenamen en [stichting2]
(productie 1), welk verslag wederom bevestigd dat [stichting2] het oude
erfpachtcontract wilde beëindigen. Na de bespreking heeft [stichting2]
bij brief [van] januari 2015 aangestuurd op een beëindiging per 1 februari 2017 en
heruitgifte (productie 2).
6. Met de vereffenaar is vervolgens gesproken over beëindiging en heruitgifte tegen
marktconforme voorwaarden. In de brief van 24 maart 2015 (productie 3) stelde [stichting2]
voorwaarden. [stichting2] benadrukte in de brief
dat zij door de vertraging door de erfgenamen schade leed. Immers zij miste al
langere tijd de opbrengsten van de hogere canon. Ook hier benadrukte [stichting2]
dat als er niet voor eind 2016 overeenstemming was, dat dan het
voornemen was om per 1 februari 2017 het erfpachtcontract te beëindigen. Immers
het oude lopende erfpachtcontract had een veel te lage niet marktconforme canon
en het was niet aannemelijk dat alle erven zich wilden blijven verbinden aan de
erfpachtovereenkomst, ook omdat er geen geld was. [in] augustus 2016 deed [stichting2]
een voorstel voor een nieuwe canon van € 12.000 en een
onderhoudsplan. De vereffenaar stemde later in; de nieuwe voorwaarden zouden ingaan per 1 januari 2017.
7. Bij de vereffening is - in afwijking van de contractuele waarderingsprocedure -
aangesloten bij een taxatie van [makelaar1] van 10 november 2014, waarin
de opstallen op € 105.000 werden gewaardeerd. Deze waarde is door beide partijen
aanvaard als eindvergoeding. Hoewel de nieuwe erfpachtovereenkomst nog niet
notarieel is vastgelegd, is zij wel uitgevoerd: de verhoogde canon is vanaf 2017 in
rekening gebracht en is de eerste jaren voldaan (door de vereffenaar), en erfpachter
[naam8] heeft het onderhoudsplan toen ook opgepakt. De vereffenaar heeft
aldus conform de afspraken en dus handelend vanuit de afspraken gehandeld, tot
het moment dat de vereffenaar zijn functie moest beëindigen.
8. De afwijkende eindvergoeding vloeide voort uit de complexe nalatenschap, het willen
blijven wonen door de weduwe en de onderhoudsstaat. Partijen kwamen feitelijk een
geïntegreerde beëindigings- en vergoedingsregeling overeen: een canon van €
12.000,=, een eindvergoeding van € 105.000 plus een afzonderlijke
onderhoudsverplichting voor de erfpachter van € 100.000.
9. Hoewel de vereffenaar een bindende afspraak namens de erfgenamen kon maken,
bleef een aantal erven tegenwerken door niet mee te werken aan de doorhaling van
het oude erfpachtrecht (verklaring van waardeloosheid). Daarom verzocht [naam8]
(gedaagde sub 2) in rechte verdeling van de nalatenschap. Omdat de hierna te
noemen vonnissen op dat moment nog niet gewezen waren, zag [stichting2]
zich genoodzaakt zekerheidshalve op 31 januari 2020 het oude
erfpachtrecht formeel op te zeggen tegen 1 februari 2021 (productie 3 bij
dagvaarding), uitsluitend om de impasse te doorbreken. Daarbij bevestigde [stichting2]
dat de eerder overeengekomen vergoeding van € 105.000
leidend bleef. Zie de opmerking daarover in de vorenbedoelde opzeggingsbrief.
10. Ook in de opdracht aan drie deskundigen werd opgemerkt dat de beëindigingsdatum
en dus de vergoeding nog onder de rechter lagen (productie 6 bij dagvaarding,
pagina 8). Daar staat:
“(...) Dit laat echter onverlet dat nog een bij de rechter voorliggende vraag is of en
wanneer de erfpacht is geëindigd of al is voortgezet en welke voorwaarden er dan
gelden. Dat houdt partijen nog verdeeld. (...)”
3.18.
De stellingen van [naam1] en [de minderjarige1] enerzijds en [naam2] anderzijds over de beëindiging van het recht van erfpacht en de omvang van de vergoeding staan haaks op elkaar. Ieder heeft haar/zijn stelling onderbouwd met stukken en toegelicht en de stelling van de ander betwist. Het hof kan niet vaststellen welke stelling juist is. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, maar geen van partijen biedt aan haar/zijn stelling te bewijzen en het hof ziet ook geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen. Wat wel vaststaat is dat het recht van erfpacht en het recht van opstal op dit moment in elk geval zijn beëindigd en niet meer behoren tot de nalatenschap, zodat verdeling daarvan niet meer aan de orde is. Wat ook vaststaat is dat de opstalvergoeding ten minste € 105.000 en ten hoogste € 400.000 bedraagt. Tot de nalatenschap behoort dus een vordering op [stichting2] van ten minste € 105.000 en ten hoogste € 400.000. Het hof zal bepalen dat partijen het bedrag dat zij in verband met deze vordering op [stichting2] hebben geïnd of zullen innen samen delen, zodat ieder van hen een/vierde daarvan krijgt. In zoverre slagen de grieven IV/IX van [naam1] , voor de rest falen ze.
3.19.
Het hof merkt nog op dat iedere beslissing over de vordering van de nalatenschap op [stichting2] in deze procedure alleen de erfgenamen bindt artikel en niet [stichting2] . De precieze omvang van de vordering moeten de erfgenamen met [stichting2] al dan niet in rechte vaststellen.
Grief X-XVI: goederen in Spanje
3.20.
De rechtbank heeft in het tussen- en eindvonnis beslist over de verdeling van goederen van de nalatenschap die zich in Spanje bevinden. Het gaat – voor zover in hoger beroep relevant –over garages in [woonplaats6] en [woonplaats7] , banksaldi, inboedel, legerspullen en een Landrover.
3.21.
[naam1] is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank over deze goederen in Spanje. Volgens haar moet:
  • de ervenrekening in Spanje (ES0800817443580001147419) van € 33.739 door vieren worden gedeeld en worden opgeheven en moet het hof bepalen dat zijn arrest in de plaats treedt van de handtekening van de deelgenoot die weigert daaraan mee te werken;
  • er nog een beslissing komen over de verdeling van de garages in [woonplaats6] en [woonplaats7] ;
  • er nog een beslissing komen over de verdeling van de inboedel in Nederland en Spanje;
  • het hof de legerspullen toedelen aan [naam1] ;
  • het hof de Landrover toedelen aan [naam1] .
3.22.
Het hof zal bepalen dat partijen het actuele saldo op de genoemde ervenrekening in Spanje door vieren moeten delen en deze rekening moeten opheffen. Het hof zal bepalen dat zijn arrest in de plaats treedt van de handtekening van de deelgenoot die weigert daaraan mee te werken. Grief XI slaagt.
3.23.
Vaststaat dat de garage in [woonplaats7] hoort bij de woning in die plaats. Beide onroerende zaken behoren tot de nalatenschap. Vaststaat ook dat partijen de woning zullen verkopen. Daarvoor is geen beslissing van de rechter nodig. Wel zal het hof bepalen dat partijen de garage tegelijk met de woning moeten verkopen. Grief XII slaagt op dat onderdeel. Niet staat vast dat tot de nalatenschap ook een garage in [woonplaats6] behoort. [naam2] heeft [naam1] ’s stelling dat dit zo is betwist. [naam1] biedt geen bewijs aan van haar stelling. De slotsom is dan ook dat niet is gebleken dat deze garage tot de nalatenschap behoort. Grief XII faalt op dat onderdeel.
3.24.
Niet staat vast welke legerspullen tot de nalatenschap behoren. [naam2] heeft verweer gevoerd tegen [naam1] ’s vordering tot verdeling van legerspullen en haar stelling op dit punt betwist. [naam1] geeft onvoldoende informatie over de legerspullen. Het hof kan daarover niet beslissen. [naam1] biedt ook geen bewijs aan van haar stelling over de legerspullen. Grief XIV faalt.
[naam1] vordert ook verdeling van de inboedel in Nederland en Spanje. Ook hier geldt dat [naam2] daartegen verweer heeft gevoerd en haar stelling op dit punt betwist. [naam1] geeft onvoldoende informatie over de inboedel. Het hof kan daarover niet beslissen. [naam1] biedt ook geen bewijs aan van haar stelling over de inboedel. Grief XIII faalt.
3.25.
Het hof zal de toedeling door de rechtbank van de Landrover aan [naam2] tegen een waarde van € 1.500 bekrachtigen. Zowel [naam1] als [naam2] stellen belang te hebben bij toedeling (grote emotionele waarde). Dat zal voor beiden zeker zo zijn, maar de Landrover kan maar aan een van hen worden toegedeeld. Voor toedeling aan [naam2] geeft de doorslag dat [naam2] tot nu toe de Landrover in gebruik heeft gehad. Grief XV faalt.
3.26.
Grief XVI luidt:
“Ten onrechte heeft de rechtbank de wijze van verdeling te Spanje afgewezen, waarbij na vonnis/convenant de tenaamstelling van de goederen dient te worden gewijzigd van erflater naar de erven, waarna makelaar ( [makelaar2] ) opdracht krijgt de woning op de vrije (niet stille) markt aan te bieden, waarbij de erven zich conformeren naar de adviezen van de makelaar over de bied- en laatprijs en de wijze van verkoop).”
3.27.
Deze grief faalt vanwege het ontbreken van een toelichting daarop. Het hof gaat ervan uit dat partijen bij een verkoop en levering van onroerende zaken in Spanje de regels die daarvoor ter plaatse gelden zullen (moeten) naleven. Grief XVI faalt.
3.28.
Grief X is een veeggrief bij de grieven XI-XVI en kan niet leiden tot vernietiging van enige beslissing van de rechtbank.
Grief XVII-XVIII: vorderingen op [naam1]
3.29.
[naam1] heeft een klacht ingediend tegen de vereffenaar bij de Kamer voor het Notariaat. Die klacht is ongegrond verklaard omdat de vereffenaar juist zeer zorgvuldig was geweest. [naam2] heeft de kosten van de vereffenaar in verband met deze klacht begroot op € 4.361,08. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze kosten voor rekening van [naam1] komen omdat het indienen van de klacht onrechtmatig was. Datzelfde geldt voor het verzet van [naam1] tegen de uitdelingslijst dat zij binnen de termijn deed, maar zonder gronden waardoor zij daarin niet-ontvankelijk was. De kosten van de vereffenaar bedroegen € 1.770.
[naam1] komt daartegen in het geweer.
3.30.
Het hof zal de beslissingen van de rechtbank op die onderdelen bekrachtigen. [naam1] heeft ervoor gekozen een tuchtklacht tegen de vereffenaar in te dienen en verzet te doen tegen de uitdelingslijst. Zij heeft in beide procedures ongelijk gekregen. Of het handelen van [naam1] onrechtmatig was of niet laat het hof in het midden. Op zich staat het haar vrij een tuchtklacht in te dienen en verzet te doen. In dit geval is het niet meer dan redelijk dat zij zelf de kosten die voor de vereffenaar met die procedures waren gemoeid – die in beginsel door alle erfgenamen samen moeten worden gedragen – moet dragen om te voorkomen dat de andere erfgenamen opdraaien voor de kosten van deze door [naam1] gevoerde procedures.. De Grief XVII faalt.
3.31.
[naam1] heeft net als de anderen een voorschot gehad van € 15.000 maar bij haar is daarop een bedrag in mindering gebracht. Dat heeft de rechtbank volgens [naam1] niet meegenomen in de opstelling. Bij deze grief ontbreekt een heldere toelichting. Het is voor het hof niet duidelijk welk gevolg deze grief zou kunnen hebben, als zij zou slagen. Grief XVIII faalt.
Grief XIX-XX: vorderingen van [naam1]
3.32.
[naam1] heeft kort na het overlijden van erflater in 2014 advies gevraagd aan notaris [notaris2] , die het testament van erflater [van] 2014 en ook zijn laatste testament [van] 2014 heeft verleden. [notaris2] heeft op 4 juli 2014 een brief gestuurd aan alle erfgenamen en aan hen afschriften/uittreksels van de testamenten van erflater gestuurd. [notaris2] nodigt vervolgens alle erfgenamen uit om samen te overleggen over de nalatenschap. Hij verklaart dat hij contact heeft gehad met zijn collega [notaris3] (die het voorlaatste testament van erflater [van] 2014 heeft verleden), dat [notaris3] bereid is deel te nemen aan het overleg met de erfgenamen en dat in dat overleg dan zal worden bepaald wie als boedelnotaris zal worden ingeschakeld. [notaris2] bericht [naam1] vervolgens in een e-mail [van] juli 2014 dat het gezamenlijke overleg er helaas niet is gekomen. Hij heeft haar [in] 2014 een nota gestuurd voor zijn werkzaamheden van € 1.996,50. De vraag is of de erfgenamen deze kosten samen moeten dragen. De kosten van notaris [notaris3] die door [naam2] was ingeschakeld zijn wel voor rekening van alle erfgenamen gekomen. Het hof is van oordeel dat de kosten van notaris [notaris2] net als die van notaris [notaris3] zijn aan te merken als vereffeningskosten in de zin van artikel 7 lid 1 onder Pro c BW. Met de inschakeling van notaris [notaris2] heeft zij – gelet op de brief van [notaris2] aan alle erfgenamen – beoogd te komen tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Zij heeft deze kosten, ook wat de omvang betreft, in redelijkheid mogen maken. Grief XIX van [naam1] slaagt. Het hof zal – anders dan de rechtbank – rekening houden met een schuld van de nalatenschap aan [naam1] van € 1.996,50.
3.33.
[naam2] heeft voordat de vereffenaar werd benoemd zonder overleg zijn advocaatkosten van € 23.317,69 van de ervenrekening betaald. Die kosten moeten volgens [naam1] voor rekening van [naam2] blijven. [naam2] brengt naar voren dat het hier gaat om vier facturen die zijn betaald [in] 2014. Dit zijn de advocaatkosten die zijn gemaakt voor [naam2] , [naam3] , [de minderjarige1] en [naam6] , mede als gevolg van de verzegeling van de boedel door [naam1] . Het hof is van oordeel dat ook deze kosten zijn aan te merken als kosten die zijn gemaakt voor de afwikkeling van de nalatenschap en ten laste van de ervenrekening mochten worden betaald. Grief XX faalt.
Grief XXI-XXII: vorderingen op [naam2]
3.34.
[naam1] stelt dat [naam2] tot vandaag de opstallen in [woonplaats4] gebruikt en aan de andere erfgenamen daarvoor een vergoeding moet betalen. Grief XXI faalt. Het klopt dat [naam2] deze opstallen tot vandaag gebruikt, maar hij is daarvoor geen vergoeding aan de andere erfgenamen verschuldigd, omdat niet vaststaat over welke periode het recht van erfpacht en van opstal voor die opstallen nog tot nalatenschap behoorden (zie 3.18. hiervoor).
3.35.
[naam1] stelt dat [naam2] € 60.000 aan de effectenrekening heeft onttrokken en dat moet vergoeden. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat [naam1] die onttrekking niet concreet heeft onderbouwd. Haar redenering dat die effectenrekening in 2014 een afname van het saldo kende van € 35.000, terwijl er een toename van het saldo had moeten zijn van € 60.000 is daarvoor onvoldoende. De stelling dat een fictieve toename van € 60.000 kan betekenen dat [naam2] € 60.000 heeft onttrokken is onnavolgbaar. Grief XXII van [naam1] faalt.
Grief XXIII: schulden nalatenschap (2 x € 2.000)
3.36.
[naam3] heeft in zijn overzicht opgenomen dat de nalatenschap schulden heeft aan [naam3] en [naam2] van elk € 2.000 voor “aanzuiveren rekening”. Dat heeft [naam1] bij de rechtbank niet betwist, maar dat doet zij in hoger beroep wel, omdat dit volgens haar nergens uit blijkt. [naam2] heeft zijn stelling op dit punt niet verder toegelicht of gedocumenteerd. Dat de nalatenschap aan hem en [naam3] nog een schuld heeft van € 2.000 elk is dan ook niet komen vast te staan. Bewijs van deze stelling is niet aangeboden. Grief XXIII van [naam1] slaagt. De slotsom is dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – geen schulden aan [naam2] en [naam3] van € 2.000 elk behoren.
Grief XXIV: vordering [naam2] op de nalatenschap
3.37
Deze grief gaat over de vraag of [naam2] een vordering van € 5.985,02 op de nalatenschap heeft. De rechtbank oordeelt van wel (tussenvonnis 4.122). [naam1] bestrijdt dat oordeel.
3.38.
Erflater heeft namens de VOF [onderneming1] waarvan erflater en [naam2] de vennoten waren een overeenkomst gesloten met [naam9] ( [naam9] ), die handelt onder de naam [onderneming2] . Die overeenkomst houdt in dat [naam9] werkzaamheden verricht voor de VOF en daarvoor een vergoeding krijgt van € 1.450 per maand. De onderneming van de VOF is na het overlijden van erflater op 5 juni 2014 voortgezet door [naam2] . Op vordering van [naam9] heeft de rechtbank Gelderland (vonnis van 24 juni 2015) [naam2] veroordeeld aan [naam9] een bedrag te betalen van € 8.772,50. Dat bedrag betreft de betaling van de facturen van [naam9] voor de maanden juni tot en met oktober 2014. De rechtbank heeft [naam2] verder veroordeeld aan [naam9] te vergoeden buitengerechtelijke incassokosten van € 813,63 en de proceskosten van € 1.731,77. Die bedragen vermeerderd met de wettelijke rente komen op € 11.970,04., waarvan [naam2] de helft vordert van de nalatenschap. Dit bedrag betreft schulden die [naam2] heeft gemaakt in zijn eenmanszaak na de ontbinding van de VOF door het overlijden van erflater. Dat betekent dat deze bedragen voor rekening komen van [naam2] op wie als voortzetter de goederen en schulden/verplichtingen van de VOF zijn overgegaan; zij komen in elk geval niet meer voor rekening van de VOF, die is ontbonden en geliquideerd en komt aldus ook niet meer voor rekening van erflater.
3.39.
Is er dan nog een andere grond te vinden voor een verplichting van de nalatenschap om de helft van dit bedrag aan [naam2] te betalen? [naam2] stelt dat dit het geval is en wijst op een schriftelijke verklaring van erflater waarin staat:
“ [onderneming2] zal voor haar werkzaamheden maandelijks € 1.450,- excl. btw ontvangen, hetgeen gefactureerd wordt aan [onderneming1] VOF. Van deze betalingen zal het aandeel van [naam2] (50%) door [erflater] (hof: erflater) worden vergoed.”
Volgens [naam2] is deze afspraak na het overlijden van erflater doorgelopen en kan hij daarop een beroep doen tegenover de nalatenschap. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Niet valt in te zien dat deze afspraak die erflater en [naam2] hebben gemaakt in verband met de VOF die tussen hen bestond ook ziet op de periode na het overlijden van erflater en de ontbinding van de VOF en voortzetting van de onderneming van de VOF door [naam2] . In de schriftelijke verklaring van erflater waarop [naam2] zich beroept is sprake van ‘het aandeel van [naam2] (50%)’. Daarmee is de afspraak kennelijk gekoppeld aan het bestaan van de VOF. De verplichting in de schriftelijke verklaring is met de dood van erflater teniet gegaan, zodat de erfgenamen niet van rechtswege schuldenaar zijn geworden van deze schuld (artikel 4:182 lid 2 BW Pro). Uit de overeenkomst van erflater met [naam2] over de vergoeding door erflater van het aandeel van [naam2] in de schulden aan [naam9] vloeit kennelijk voort dat de rechtsgevolgen daarvan niet mede gelden voor erfgenamen van erflater (artikel 6:249 BW Pro).
3.40.
Het is om deze reden dat grief XXIV van [naam1] slaagt. Daarom kan in het midden blijven of de schriftelijke verklaring wel door erflater zelf is ondertekend en of de rechtsvordering van [naam2] tot betaling van € 5.985,02 is verjaard. De slotsom is dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – geen schuld aan [naam2] van € 5.985,02 behoort.
Het incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator
Grief 1: Afwikkeling onroerende zaken in Spanje
3.41.
De bijzonder curator voert aan dat de onroerende zaken in Spanje nog niet zijn verkocht en overgedragen. Zij vordert het hof te bepalen dat de erfgenamen daaraan moeten meewerken en dat anders een onzijdig persoon moet worden benoemd. Het hof zal die vordering afwijzen, omdat vaststaat dat partijen samen deze onroerende zaken gaan verkopen. Voor een beslissing over de verdeling en de benoeming van een onzijdig persoon is dan geen aanleiding. Dat hebben partijen zelf al geregeld.
Grief 2: advocaatkosten die ten laste van de nalatenschap zijn gebracht.
3.42.
Het gaat hier net als in rov. 3.33. over de advocaatkosten van € 23.317,69 die van de ervenrekening betaald. De bijzonder curator betoogt net als [naam1] dat die kosten niet ten laste van de nalatenschap mogen komen. Het hof heeft in het principaal hoger beroep beslist dat deze kosten zijn aan te merken als kosten die zijn gemaakt voor de afwikkeling van de nalatenschap en ten laste van de ervenrekening mochten worden betaald en herhaalt die beslissing in dit incidentele hoger beroep. Grief 2 faalt.
Grief 3: de aanzuivering van schulden ten laste van [de minderjarige1]
3.43.
De bijzonder curator voert aan dat de rechtbank bepaalde schulden van de nalatenschap voor rekening van de minderjarige laat komen, maar dat daarvoor geen rechtsgrond is. Omdat de bijzonder curator niet concretiseert om welke schulden dit gaat, kan het hof niets met deze grief. Het woord ‘bepaalde’ op zich volstaat niet om duidelijk te maken welke schulden het betreft. Grief 3 faalt.
De conclusie
3.44.
Het principaal hoger beroep slaagt op enkele onderdelen (grieven IV-IX deels, grieven XI, XIX en XXIII). Het faalt voor het overige. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet. Het hof zal de beslissingen van de rechtbank in het tussen- en eindvonnis bekrachtigen, met dien verstande dat op de onderdelen die worden bestreken door de grieven die zijn geslaagd opnieuw zal worden beslist. De rechtbank heeft in 2.6. van het vonnis van 27 maart 2024 de omvang van de nalatenschap van erflater vastgesteld en in 2.7.-2.8. de wijze van verdeling en vervolgens in 3.1. een verklaring voor recht overeenkomstig 2.6. gegeven en in 3.2. de verdeling overeenkomstig 2.7. en 2.8. bepaald. De beslissingen in 3.1. en 3.2. worden slechts vernietigd op die onderdelen die met succes in dit hoger beroep zijn bestreden; datzelfde geldt voor de vaststellingen van omvang en verdeling in 2.6.-2.8. Partijen kunnen aan de hand van de onderdelen waarop het hof anders beslist dan de rechtbank (zie 4.3.-4.7. hierna) bepalen wat de omvang van de nalatenschap is en hoe er verdeeld moet worden.
3.45.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten). De reden daarvoor is dat dit geding de afwikkeling van een nalatenschap van de (groot)vader van partijen betreft.
3.46.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland op 21 juni 2023 en 27 maart 2024 heeft gewezen met uitzondering van de onderdelen die worden bestreken door de grieven die zijn geslaagd (grieven IV-IX deels en de grieven XI, XIX en XXIII);
4.2.
vernietigt die onderdelen en beslist opnieuw:
4.3.
bepaalt dat partijen het bedrag dat zij in verband met deze vordering op [stichting2] hebben geïnd of zullen innen samen delen, zodat ieder van hen een/vierde daarvan krijgt (grieven IV-IX deels);
4.4.
bepaalt dat partijen het actuele saldo op de genoemde ervenrekening in Spanje door vieren moeten delen en deze rekening moeten opheffen en dat dit arrest in de plaats treedt van de handtekening van de deelgenoot die weigert daaraan mee te werken (grief XI);
4.5.
stelt vast dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – een schuld aan [naam1] van € 1.996,50 behoort (grief XIX);
4.6.
stelt vast dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – geen schulden aan [naam2] en [naam3] van € 2.000 elk behoren (grief XXIII);
4.7.
stelt vast dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – geen schuld aan [naam2] van € 5.985,02 behoort (grief XXIV);
4.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.