Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2216

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
21-002824-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van verlaten plaats ongeval met letsel

Op 13 juni 2023 vond een verkeersongeval plaats waarbij een voetganger werd aangereden door een man op een brommer die vervolgens de plaats van het ongeval verliet. De voetganger liep daarbij letsel op, waaronder een gebroken schouder. Verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het veroorzaken van het ongeval en het verlaten van de plaats, maar ging in hoger beroep.

Het hof heeft het bewijs opnieuw onderzocht, waaronder een foto van de man op de brommer die door een verbalisant als verdachte werd herkend. Nadere analyse toonde aan dat de foto onduidelijk was en de originele foto niet meer beschikbaar was. Ook ontbrak het aan voldoende onderbouwing van de herkenning door de verbalisant, die geen aanvullende documenten kon overleggen.

Gezien deze onzekerheden oordeelt het hof dat niet buiten redelijke twijfel is vastgesteld dat verdachte de dader was. Daarom spreekt het hof verdachte vrij van het ten laste gelegde. Als gevolg daarvan wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij het ongeval heeft veroorzaakt en de plaats heeft verlaten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002824-24
Uitspraakdatum: 14 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden , van 24 juni 2024 met parketnummer 18-030232-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing zowel betrokken wat op de zittingen van het hof van 20 augustus 2025 en 31 maart 2026 als op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte van het ten laste gelegde: het veroorzaken van een ongeval en vervolgens die plaats verlaten terwijl hij wist of had moeten weten dat daarbij schade of letsel is toegebracht (art. 7, eerste lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994). Als gevolg van de vrijspraak zou de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. van Kammen, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. Y.G. de Barbanson, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte ter zake van overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij in verband met immateriële schade (letsel) toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de bewezenverklaring dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats] op/aan de [straat] en/of de [straat] , op of omstreeks 13 juni 2023, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Vrijspraak

Het hof stelt vast dat op 13 juni 2023 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de [straat] in [plaats] , waarbij aangever [benadeelde] , een overstekende voetganger, is aangereden door een man op een brommer. Aangever is daarbij ten val gekomen en heeft daarbij letsel, waaronder een gebroken schouder, opgelopen. De man op de brommer is weggereden van de plaats van het ongeval.
In het dossier bevindt zich een foto van deze man, ter plekke gemaakt door een omstander. Een medewerker van Handhaving en Toezicht, verbalisant [verbalisant] , heeft later verklaard dat hij de man op de foto herkent als verdachte. Hij zou tot die herkenning zijn gekomenop grond van eerdere staande houdingen.
Verdachte ontkent degene te zijn die het ongeval heeft veroorzaakt en is weggereden.
De vraag die het hof in de onderhavige zaak moet beantwoorden is of verdachte degene is geweest die het ongeval heeft veroorzaakt en vervolgens is weggereden.
Het hof oordeelt als volgt.
Op verzoek van het hof is, na de vorige zitting in hoger beroep in augustus 2025, onderzoek gedaan naar de originele foto, op basis waarvan de herkenning door verbalisant [verbalisant] heeft plaatsgevonden. De foto die zich in het dossier bevindt, lijkt te zijn gemaakt vanaf een telefoon en is erg onduidelijk. De conclusie van dat nadere onderzoek is dat de originele foto niet meer terug te vinden is. Verder is verbalisant [verbalisant] door de raadsheer-commissaris gehoord. Tijdens dat verhoor heeft hij aangegeven naast zijn herkenningsproces-verbaal geen andere documenten te kunnen vinden waaruit zou blijken van contacten tussen hem en verdachte, waarvan hij het bestaan naar voren heeft gebracht en op basis waarvan hij in zijn herkenningsproces-verbaal heeft verklaard verdachte te hebben herkend. Uit het op verzoek van het hof door de politie opgevraagde overzicht van mutaties blijkt ook niet dat sprake is geweest van eerder contact: in de overgelegde mutaties komt de naam van [verbalisant] niet voor.
Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de onduidelijke foto van de persoon die de plaats van het ongeval heeft verlaten en de onvoldoende onderbouwde herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant] , oordeelt het hof dat niet buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat verdachte degene is geweest die het verkeersongeval heeft veroorzaakt en vervolgens de plaats van het ongeval heeft verlaten.
Het hof heeft aldus op grond van het dossier en uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen en de benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Verdachte wordt in dit arrest vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 april 2026.