Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2200

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.361.322/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag moeder wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging minderjarige

De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de moeder over haar dochter beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemd vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van het kind. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof bevestigt het vonnis.

De feiten tonen aan dat de minderjarige sinds 2024 onder toezicht staat en voltijds bij haar pleegmoeder woont vanwege ernstige verwaarlozing, partnergeweld en middelengebruik door de moeder. Ondanks intensieve hulpverlening en begeleiding is de opvoedingssituatie niet verbeterd en is de aanvaardbare termijn voor herstel verstreken.

Het belang van het kind staat centraal; het kind heeft recht op duidelijkheid over haar woonplaats en toekomstperspectief. De pleegmoeder overweegt te remigreren, wat extra begeleiding door de GI vereist. Het hof oordeelt dat het beëindigen van het gezag noodzakelijk en proportioneel is, en dat een lichtere maatregel niet volstaat.

De moeder toont recent verbetering en blijft betrokken bij het leven van haar kinderen, wat het hof toejuicht. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het verzoek van de moeder wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.322/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 244980)
beschikking van 14 april 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
advocaat: mr. M.J. Flach te Groningen,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
die is gevestigd in Groningen,
en
[belanghebbende](de pleegmoeder),
die woont op een geheim te houden adres.

1.1. Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het gezag van de moeder over
[de minderjarige1] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft vier kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2023, en
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2024.
2.2.
[naam1] (hierna: de vader) is de vader van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De vader heeft [de minderjarige1] erkend. Hij heeft geen gezag over [de minderjarige1] . De relatie tussen de moeder en de vader is medio 2016 verbroken.
2.3.
[de minderjarige1] is op 16 april 2024 onder toezicht van de GI gesteld en op 1 april 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 april 2026.
2.4.
[de minderjarige1] is op 5 februari 2024 vrijwillig uithuisgeplaatst bij haar oma, de pleegmoeder, op de doordeweekse dagen. Op 16 april 2024 is een machtiging uithuisplaatsing verleend. Sinds mei 2024 woont [de minderjarige1] voltijds bij de pleegmoeder.
[de minderjarige1] heeft begeleide omgang met de moeder gedurende anderhalf uur per week.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.
3.2.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 augustus 2025. Door deze beslissing van de rechtbank is de ondertoezichtstelling komen te vervallen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof om de beslissing van de rechtbank te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de moeder, binnengekomen op 5 november 2025;
  • een journaalbericht namens de moeder van 3 december 2025 met bijlagen;
  • het verweerschrift;
  • een journaalbericht namens de moeder van 6 februari 2026 met bijlagen;
  • een e-mail van de moeder van 17 februari 2026 met daarbij gevoegd een brief van
[de minderjarige1] aan de rechter.
4.4.
[de minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de beëindiging van het gezag van de moeder. [de minderjarige1] heeft een brief geschreven. In die brief heeft zij aangegeven graag naar huis te willen.
4.5.
De zitting bij het hof was op 17 februari 2026 en tijdens de zitting zijn ook de zaken over de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] behandeld. Aanwezig voor deze zaak waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, en
  • de pleegmoeder.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
5.3.
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Een dergelijke inmenging is slechts gerechtvaardigd als het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of een gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). [3]
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen).
5.5.
Vanaf 2017 worden er jaarlijks meerdere zorgmeldingen gedaan over partnergeweld en vermoedens van kindermishandeling in het gezin van de moeder en middelengebruik door de moeder. Naar aanleiding van de zorgmeldingen worden verschillende vormen van hulpverlening ingezet, waaronder het KINGS -traject (kind in gezond systeem) bij [naam2] . In dat traject wordt geconstateerd dat [de minderjarige1] PTSS-klachten heeft en zij krijgt traumabehandeling. In 2023 vinden meerdere geweldsincidenten plaats tussen de moeder en haar partner. Er wordt opnieuw hulpverlening ingezet. [naam3] , die betrokken is in het kader met ouderschapsdiagnostiek, constateert ernstige verwaarlozing van [de minderjarige1] en het WIJ-team heeft grote zorgen over de structurele en chronische onveiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is boos en onredelijk tegen [de minderjarige1] , en zij scheldt haar uit. In 2024, als [de minderjarige1] alleen in de weekenden bij de moeder is omdat zij doordeweeks bij de pleegmoeder woont, wordt gezien dat de moeder tijdens die weekenden niet goed kan aansluiten op [de minderjarige1] en zich verbaal agressief blijft uiten richting [de minderjarige1] . Na weer een escalatie wordt het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] verder beperkt en wordt op 16 april 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. In juli 2024 blijkt uit het door [naam3] uitgevoerde NIKA -traject dat de gehechtheidsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige1] laag is en dat het niet gelukt is deze te verbeteren. In december 2025 geeft de GI aan dat [de minderjarige1] trauma’s heeft en er zorgen zijn over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. [de minderjarige1] krijgt op dit moment speltherapie bij [naam4] en zij heeft een kindercoach bij [naam4] . Ook is er een Words en Pictures-boekje voor haar gemaakt en met haar besproken. Uit de speltherapie komt naar voren dat (familie)geheimen een thema zijn voor [de minderjarige1] . Het hof concludeert op basis van deze (voldoende vastgestelde) feiten en omstandigheden dat er ernstige zorgen zijn over haar ontwikkeling.
5.6.
Verder staat (voldoende) vast dat de moeder sinds 2018 verschillende vormen van hulpverlening heeft ontvangen. In de periode van 1 mei 2018 tot 18 juni 2021 heeft de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] het KINGS -traject bij [naam2] gevolgd. Daarna, tot mei 2022, ontvangt de moeder ambulante hulpverlening ( [naam5] ). In oktober 2023 wordt de moeder samen met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] opgenomen bij [naam3] voor ouderschapsdiagnostiek. In april 2024 start [naam3] de interventie NIKA , gericht op het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] . Op 4 juli 2024 eindigt de opname van de moeder bij [naam3] . De moeder ontvangt daarna hulpverlening van [naam6] gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen de moeder en de beide oma’s, die netwerkpleeggezin zijn voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , en van WIJ Basis Jeugdhulp , gericht op ondersteuning van de moeder in haar rol van moeder op afstand. In de verschillende hulpverleningstrajecten is gebleken dat moeder niet altijd voldoende meewerkt aan de hulpverlening, maar vooral dat de opvoedingssituatie niet is verbeterd. De moeder blijkt beperkt leerbaar; ondanks intensieve ondersteuning lukt het haar niet om zich voldoende op haar kinderen te richten en haar opvoedrol voldoende in te vullen en de juiste keuzes in het belang van de kinderen te maken. Dit blijkt ook uit het feit dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] nog steeds begeleid plaatsvindt, omdat anders de veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd. Nu er jarenlang sprake is geweest van intensieve hulpverlening en die hulpverlening niet voldoende heeft geholpen, oordeelt het hof dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder de verzorging en opvoeding weer zelf op zich kan nemen, is verstreken.
5.7.
Het is voor [de minderjarige1] belangrijk om duidelijkheid te hebben over waar zij woont en blijft wonen. Op dit moment is dat bij de pleegmoeder. In augustus 2024 heeft de GI besloten dat het perspectief van [de minderjarige1] bij haar pleegmoeder ligt. In september 2024 wordt op basis van het Kort en Krachtig -traject geconcludeerd dat de opvoedsituatie bij de pleegmoeder volstaat, maar dat opvoedondersteuning, onder andere gericht op traumasensitief opvoeden, wenselijk is. De pleegmoeder heeft aangegeven te overwegen te remigreren naar Curaçao . Als de pleegmoeder dat gaat doen, dan is dit sowieso een verandering voor [de minderjarige1] , zowel indien zij meegaat met de pleegmoeder, als indien zij niet meegaat. Het is van groot belang dat de GI dit traject begeleidt en daarin de voor [de minderjarige1] noodzakelijke beslissingen neemt. Vanwege de remigratie-wens van de pleegmoeder heeft de moeder ter zitting aangegeven nogmaals een ouderschapsbeoordeling te willen met het oog op de toekomst van [de minderjarige1] . Nu de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder de verzorging en opvoeding weer zelf op zich kan nemen voor [de minderjarige1] is verstreken, is er echter geen ruimte meer voor een ouderschapsbeoordeling. Uit het verzoek van de moeder om een nieuwe ouderschapsbeoordeling in combinatie met andere uitingen van de moeder leidt het hof af dat moeder de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] niet (volledig) accepteert. Deze houding van de moeder brengt onnodig onrust voor [de minderjarige1] mee, terwijl zij juist de duidelijkheid moet krijgen dat haar opgroeiperspectief niet bij de moeder ligt.
5.8.
Uit de stukken en uit dat wat ter zitting is besproken, blijkt dat de familiedynamieken complex zijn en dat er (familie)geheimen zijn. De moeder, de pleegmoeder, maar ook [de minderjarige2] en haar pleegouders wonen bij elkaar in de buurt. De pleegouders van [de minderjarige2] zijn de opa en oma van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader woont op hetzelfde adres als [de minderjarige2] . In ieder geval binnen de familie van moederszijde lijkt de mentaliteit te bestaan dat problemen binnen de familie moeten blijven en dat daarover niet gepraat mag worden met mensen van buiten de familiekring. De GI geeft aan dat [de minderjarige1] deze mentaliteit lijkt over te nemen. Deze omstandigheden onderstrepen het belang van de aanwezigheid van de GI als een externe voogd.
5.9.
Nu thuisplaatsing van [de minderjarige1] bij de moeder niet meer kan en daar ook niet meer naar toegewerkt kan worden, het in het belang van [de minderjarige1] is dat zij duidelijkheid over haar opgroeiperspectief heeft en de aanwezigheid van een externe voogd in haar leven essentieel is, is er geen ruimte voor een lichtere maatregel dan het beëindigen van het gezag van de moeder.
5.10.
Tijdens de zitting gaf de moeder aan dat het sinds twee maanden beter met haar gaat en dat ze dit goed vol kan houden. Het hof complimenteert de moeder met de stappen die zij zet en de opgaande lijn die zij sinds kort laat zien. De GI heeft aangegeven te willen dat de moeder in het leven van de kinderen betrokken blijft en de moeder heeft ter zitting bevestigd dat dit in de praktijk ook gebeurt. Zo is zij met [de minderjarige1] mee geweest naar open dagen voor middelbare scholen. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een goede moeder op afstand kan zijn. Dit is in het belang van [de minderjarige1] .

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 augustus 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. B.J. Engberts en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 14 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW.
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind.
3.Artikel 8 EVRM Pro.