Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2196

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.365.284/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen

De moeder verzocht het hof om de schorsing van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, waarin zij samen met de vader werd belast met het gezag over hun drie minderjarige kinderen. De rechtbank had deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor de werking ervan niet automatisch werd geschorst bij hoger beroep.

Het hof overwoog dat schorsing alleen kan worden toegewezen indien het belang van de verzoeker om de situatie te handhaven zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij onmiddellijke uitvoering, of bij een duidelijke fout in de beschikking of nieuwe feiten die rechtvaardigen van de uitspraak af te wijken. De moeder had onvoldoende feiten aangevoerd om aan te tonen dat haar belang zwaarder woog dan dat van de vader.

De door de moeder aangevoerde communicatieproblemen tussen de ouders betroffen vooral de zorgregeling en niet het gezag zelf. Ook was de periode tot de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep beperkt, waardoor de belangenafweging niet in haar voordeel uitviel. Er was geen sprake van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigden.

Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af en bevestigde de uitvoerbaarheid van de beschikking van de rechtbank. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door de genoemde rechters.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de beschikking tot gezamenlijk gezag af en bevestigt de uitvoerbaarheid van de beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.284/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596427)
beschikking van 14 april 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.A. van den Broek
en
[verweerder](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 596427. Bij deze beschikking heeft de rechtbank – onder meer – de vader samen met de moeder belast met het gezag over de kinderen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing, met producties, bij het hof ingekomen op 16 februari 2026.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing was op 31 maart 2026. Daarbij waren de moeder met haar advocaat aanwezig, en de advocaat van de vader. De raad is ook opgeroepen maar heeft zich bij brief van 17 maart 2026 afgemeld.

3.De motivering van de beslissing

3.1
De moeder verzoekt het hof de schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, wat betreft de beslissing om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over de kinderen [de minderjarige1] (geboren [in] 2014), [de minderjarige2] (geboren [in] 2016) en [de minderjarige3] (geboren [in] 2019). De vader voert hiertegen verweer.
3.2
In de wet staat dat hoger beroep de werking van de bestreden beschikking schorst, tenzij deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
3.3
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet verder toegelicht. In zo’n geval (als de beslissing niet is gemotiveerd) kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
3.4
Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat zij een groter belang heeft bij schorsing van de werking van de beschikking dan de vader bij uitvoering ervan.
Dat de ouders bij (de uitvoering van) de zorgregeling niet met elkaar kunnen communiceren zonder dat dit tot conflicten tussen hen leidt, zoals de moeder stelt, is onvoldoende grond voor een directe schorsing van de beslissing over het gezag. Het hof stelt voorop dat het hier gaat om de beslissing waarbij de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. Wat de moeder heeft aangevoerd, heeft voornamelijk betrekking op (de problemen rond) de zorgregeling en dan met name op het halen en brengen van de kinderen, maar heeft verder niets van doen met gezag.
Verder neemt het hof in aanmerking dat de periode tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak in hoger beroep te overzien is (enkele maanden), zodat de belangenafweging ook in dat opzicht niet ten gunste van de moeder uitvalt.
Gebleken is ook dat de door de moeder gestelde problemen rondom de zorgregeling niet in de weg hebben gestaan aan het gezamenlijk uitoefenen van het gezag op die enkele momenten dat dit nodig was, zoals het maken van de keuze voor de middelbare school van [de minderjarige1] . De vader heeft zich daartegen in ieder geval niet verzet.
3.5
Dat sprake is (geweest) van een duidelijke fout of vergissing in de beschikking van de rechtbank is gesteld noch gebleken.
Van nieuwe feiten, waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden gehouden, is evenmin gebleken. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat de inhoud van een brief van haar advocaat van 24 oktober 2025 (over het traject ouderschapsbemiddeling) aan de rechtbank, niet is betrokken bij de beoordeling omdat deze brief pas na de zitting is ontvangen, maar dat is onvoldoende om schorsing van de werking van de beschikking te rechtvaardigen.
3.6
Het verzoek van de moeder om de werking van de bestreden beschikking te schorsen, wordt afgewezen.

4.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de moeder af tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is getekend door mr. Kamminga en is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,