Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2193

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.360.161/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 1:157 lid 6 BWArtikel 3 lid 1 onder a Brussel II-bisArtikel 3 aanhef en onder c Alimentatieverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking partneralimentatie en bewijslevering transitievergoeding en schulden na echtscheiding

De man en vrouw zijn gehuwd en hebben de Nederlandse en Turkse nationaliteit. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en partneralimentatie vastgesteld, waarbij de man een maandelijkse bijdrage aan de vrouw moet betalen. Beide partijen zijn het niet eens met de beslissing over de echtscheiding en partneralimentatie en zijn in hoger beroep gegaan.

Het hof bevestigt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is. De echtscheiding wordt bekrachtigd omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man voerde psychische problemen aan, maar het hof ziet geen reden om de echtscheiding uit te stellen.

Over de partneralimentatie is het hof van oordeel dat de vrouw behoeftig is en niet in staat is haar inkomen te verhogen vanwege medische klachten en werkloosheid. De man ontvangt een WIA-uitkering en kan zijn inkomen niet uitbreiden. De bijdrage aan de minderjarige dochter blijft gehandhaafd.

Er is onenigheid over de transitievergoeding die de man ontving en waarvan hij stelt dat deze is gebruikt om schulden af te lossen. Het hof geeft de man twee weken de tijd om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt hoe de vergoeding is besteed, waarna de vrouw kan reageren. De beslissing over partneralimentatie wordt aangehouden totdat hierover duidelijkheid is.

De beschikking van de rechtbank wordt voor wat betreft de echtscheiding bekrachtigd, maar de verdere beslissing over alimentatie wordt uitgesteld in afwachting van de bewijslevering.

Uitkomst: Echtscheiding bekrachtigd, beslissing partneralimentatie aangehouden voor bewijslevering over transitievergoeding en schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.161
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582900)
beschikking van 14 april 2025
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.P. van Stralen,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.M. van Veen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 oktober 2025;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
  • een journaalbericht van mr. Van Veen van 13 februari 2026 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Van Stralen van 16 februari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling was op 24 februari 2026. Aanwezig waren de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn op [trouwdatum] in de gemeente Vijfheerenlanden met elkaar gehuwd.
3.2
Zij hebben beiden de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
3.3
De man heeft een minderjarige dochter, genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] . [minderjarige] woont bij haar moeder in Duitsland. De man heeft een omgangsregeling met [minderjarige] .

4.Het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat:
- de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (verder ook: de partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.580 per maand, en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 365 per maand aan de vrouw moet voldoen;
- de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [persoon1] , [persoon2] , Vision2You, [persoon3] , [persoon4] / [persoon5] , ICS Creditcrad en Bondora.
4.2
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de echtscheiding en de partneralimentatie en komt daarom in hoger beroep.
De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen:
primair
het verzoek tot echtscheiding en daarmee de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen;
subsidiair
te bepalen dat hij geen partneralimentatie aan de vrouw hoeft te voldoen.
4.3
De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep. De vrouw is het ook niet eens met de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie en komt daarom ook in hoger beroep.
De vrouw vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn principaal hoger beroep dan wel zijn grieven ongegrond te verklaren. In haar incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing over de partneralimentatie in de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 1.652,68 per maand aan haar moet betalen, althans een bedrag dat het hof juist acht en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.4
De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof dit incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren.

5.De overwegingen voor de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof beoordeelt ambtshalve of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de verzoeken. Omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om over de echtscheiding te oordelen (artikel 3 lid Pro 1, onder a, Brussel II-bis), alsmede over de daarmee samenhangende nevenvoorziening over de alimentatie (artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening).
Nu hiertegen geen grief is gericht, zal het hof het verzoek tot echtscheiding net als de rechtbank beoordelen naar Nederlands recht. Dat geldt ook voor het verzoek tot partneralimentatie.
Echtscheiding
Juridisch kader echtscheiding
5.2
Op grond van artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is ‘duurzaam ontwricht’ als de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Of sprake is van duurzame ontwrichting moet worden beoordeeld op het tijdstip van de uitspraak, dat wil zeggen op dit moment. Daarbij is niet beslissend hoe de duurzame ontwrichting is ontstaan, maar uitsluitend de vraag óf sprake is van een duurzame ontwrichting.
Standpunten partijen
5.3
De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de man heeft de rechtbank verzocht om dit verzoek van de vrouw toe te wijzen. De man stelt in het beroepschrift dat hij gedurende de echtscheidingsprocedure kampte met psychische problemen, dat hij kampt met overige gezondheidsproblemen en dat hij van mening is dat er een poging moet worden gedaan om het huwelijk te redden.
De vrouw voert hiertegen verweer en benadrukt dat de man in eerste aanleg expliciet en ondubbelzinnig heeft erkend dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het is in strijd met de goede procesorde om hierop terug te komen. Het hoger beroep van de man op dit punt heeft alleen tot doel de financiële consequenties van de partneralimentatie te blokkeren: zolang de echtscheiding niet definitief is uitgesproken en deze beslissing is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand is de man geen bijdrage aan de vrouw verschuldigd. De man onderbouwt niet dat sprake was van zodanige psychische problemen dat hij niet in staat was om zijn wil te bepalen.
Oordeel hof
5.4
Het hof stelt vast dat de vrouw in hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling heeft volhard in haar wens om van de man te scheiden. Duidelijk is voor het hof dat de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord is geraakt. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de zaak aan te houden om partijen gelegenheid te bieden om tot een verzoening te komen. De grief van de man faalt en het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen.
Partneralimentatie
Algemene uitgangspunten
5.5
Het hof neemt voor de berekening van de partneralimentatie de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt.
Het hof zal eventueel te maken berekeningen aanhechten en bespreekt alleen de punten waarover partijen van mening verschillen en – al dan niet – een afwijking van die aanbevelingen bepleiten.
Ingangsdatum
5.6
De rechtbank heeft de partneralimentatie vastgesteld met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Volgens artikel 1:157 lid 6 BW Pro vangt de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud namelijk pas aan op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Omdat de echtscheiding nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zal het hof partneralimentatie berekenen naar de tarieven 2026.
Hoogte van de behoefte
5.7
De door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.334 netto per maand in 2025 is door de man in eerste aanleg niet betwist. Hierover bestaat ook in hoger beroep geen discussie tussen partijen. De behoefte van de vrouw bedraagt geïndexeerd in 2026 – anders dan de vrouw heeft berekend – afgerond € 3.487 netto per maand.
Behoeftigheid
5.8
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
Er rust een wettelijke inspanningsverplichting op de vrouw om zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
5.9
De man stelt dat de vrouw meer kan verdienen door de omvang van haar werk als huishoudelijke hulp uit te breiden van parttime naar fulltime. Daarbij maakt hij ter zitting wel de kanttekening dat hij zich realiseert dat zelfs als de vrouw fulltime werkt, zij met haar inkomen dan niet volledig zal kunnen voorzien in haar behoefte. De man voert ook nog aan dat de vrouw bij haar ouders woont en daarom op dit moment geen woonlasten heeft.
De vrouw voert verweer tegen de stellingen van de man. Zij heeft tijdens het huwelijk nooit meer dan 24 uur per week gewerkt en zij kampt op dit moment met verschillende fysieke problemen waardoor zij niet meer uren per week kan werken dan zij doet. Bij onderzoeken aan haar arm vanwege overbelasting is volgens de vrouw ook geconstateerd dat zij meerdere hernia’s heeft. Hiervoor moet zij een operatie ondergaan. Ter zitting heeft zij onder verwijzing naar recente producties aangegeven dat haar werkgever besloten heeft haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen en deze is geëindigd op 5 februari jongstleden. Vanaf 9 januari 2026 is de vrouw ziekgemeld door haar werkgever volgens de brief van het UWV. De vrouw heeft een WW-uitkering aangevraagd bij het UWV op 29 januari 2026. De vrouw stelt verder dat zij niet bij haar ouders woont, maar op een geheim adres verblijft (anti-kraak).
5.1
Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende nader heeft onderbouwd dat zij op dit moment niet in staat is om een hoger inkomen te realiseren door meer uren per week te werken dan zij tot nu toe heeft gedaan. Nu uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat zij op dit moment geen baan heeft en kampt met medische klachten is haar financiële toekomst op dit moment onzeker. De grief van de man over de behoeftigheid van de man slaagt daarom niet. Het oordeel van de rechtbank dat de vrouw in 2025 behoefte had aan € 2.845 bruto per maand blijft daarom in stand. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw in 2026 behoefte heeft aan de door haar in hoger beroep verzochte bijdrage per 1 januari van € 1.652,68 bruto per maand.
Draagkracht
5.11
De overige grieven van partijen hebben betrekking op de draagkracht van de man. Ter beoordeling ligt voor de draagkracht van de man vanaf dit jaar, omdat de man de partneralimentatie voor de vrouw moet voldoen vanaf de datum dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De draagkracht van de man in de voor deze beschikking gelegen periode behoeft daarom geen bespreking meer.
Inkomen man
5.12
De man heeft aanvullende stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn WIA-uitkering geen € 3.488 bruto per maand, maar € 3.380,82 bruto per maand bedraagt per 1 januari 2026.
Terecht heeft de vrouw ter zitting aangevoerd dat deze uitkering op jaarbasis moet worden vermeerderd met vakantiegeld. Het hof gaat zal daarom aan de zijde van de man rekenen met een WIA-uitkering van in totaal € 43.816 bruto per jaar.
Uit de stukken en de stellingen van de man blijkt dat hij op grond van de aard van zijn werk kampt met ernstige psychische en fysieke gezondheidsklachten. Gelet op deze medische problemen moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat de man niet in staat is te werken en zijn inkomen uit te breiden.
Kosten [minderjarige]
5.13
Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de kinderalimentatie die de man voor [minderjarige] voldoet. [minderjarige] is kortgeleden achttien jaar geworden, maar niet wordt betwist dat [minderjarige] een opleiding in Nederland volgt en nog niet in haar eigen levensonderhoud voorziet. De man zal de bijdrage, die volgens partijen in het verleden gerechtelijk is vastgesteld, vanaf haar achttiende jaar dus aan [minderjarige] persoonlijk moeten blijven voldoen, omdat duidelijk is dat [minderjarige] hieraan nog steeds behoefte heeft. Geïndexeerd bedraagt de bijdrage voor [minderjarige] in 2026 € 196,04 per maand.
Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde verblijfskosten voor [minderjarige] , omdat hij deze niet nader heeft gespecificeerd. De man stelt dat hij kosten voor [minderjarige] voldoet voor het vervoer en voor haar opleiding en dat zij eenmaal per twee weken bij hem verblijft. De vrouw betwist dit. Zij geeft aan dat [minderjarige] eenmaal per drie weken bij de man verblijft en dat er vaak andere familieleden zijn die voor het vervoer van [minderjarige] zorgdragen.
Transitievergoeding en schulden
5.14
Partijen verschillen van inzicht over hoe moet worden omgegaan met de transitievergoeding die de man vorig jaar heeft ontvangen van € 38.977 bruto.
5.15
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte bij de bepaling van zijn draagkracht in 2025 deze vergoeding in aanmerking heeft genomen als extra inkomen. Hij heeft met deze vergoeding de vele schulden die gedurende het huwelijk door partijen waren opgebouwd grotendeels afgelost. Dat is ook in het belang van de vrouw. Hij kan de vergoeding dus niet (nogmaals) aanwenden als extra inkomen in het kader van zijn draagkracht. Dat er schulden waren blijkt onder meer uit zijn productie 2 bij zijn zelfstandig verzoek in de procedure in eerste aanleg. Het ging in ieder geval om schulden bij de Regiobank, [persoon2] , voor de Creditcard, Bandora en de Rabobank van in totaal circa € 22.000.
De vrouw betwist dat er schulden waren en voor zover deze schulden er wel waren, heeft de man deze volgens de vrouw niet afgelost. De man heeft zijn stellingen op dit punt ook niet onderbouwd en daarom moet het hof daar geen rekening mee houden. Omdat de man in 2025 geen partneralimentatie hoefde te voldoen omdat de echtscheiding nog niet was ingeschreven, moet de transitievergoeding in 2026 althans gedurende een zeker periode vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking alsnog worden meegenomen als inkomen van de man bij het bepalen van zijn draagkracht.
5.16
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft de man meerdere keren aangegeven dat het voor hem eenvoudig is om te onderbouwen met stukken dat hij daadwerkelijk de volledige transitievergoeding heeft gebruikt om de door hem gestelde schulden van partijen af te betalen. Deze stukken heeft hij in zijn bezit en kan hij op zeer korte termijn opsturen.
In antwoord op vragen van het hof heeft hij verklaard dat hij de transitievergoeding in 2025 heeft ontvangen, dat loonbelasting is ingehouden en dat deze vergoeding netto € 22.000 was.
Het hof ziet in de stellingen van partijen aanleiding de man alsnog kort de gelegenheid te geven zijn stelling te onderbouwen door deze bewijsstukken in te dienen. Indien het hof namelijk wel rekening houdt met de transitievergoeding bij de bepaling van de partneralimentatie, maar de man de transitievergoeding daadwerkelijk heeft aangewend om de schulden van partijen af te lossen dan zal hij ernstig in de problemen komen door een te hoge bijdrage die hij moet voldoen. Bovendien komt de transitievergoeding dan door afbetaling op gezamenlijke schulden en een hogere partneralimentatie feitelijk twee keer deels ten goede aan de vrouw. Het hof acht dat een onredelijke en onwenselijk uitkomst.
Het hof stelt de man daarom in de gelegenheid om binnen twee weken na deze beschikking stukken in te dienen:
  • waaruit blijkt hoe hoog de door hem ontvangen transitievergoeding was (bruto en netto)
  • een overzicht met afbetalingen op schulden, gespecificeerd en met onderliggende bewijsstukken (zodat duidelijk is op welke gezamenlijk schulden met welke bedragen de man heeft afgelost de afgelopen periode).
De vrouw mag op deze stukken binnen twee weken reageren. Daarna zal het hof beslissen.
5.17
Verder overweegt het hof dat een transitievergoeding normaalgesproken is bedoeld enerzijds ter compensatie van het ontslag en anderzijds om een periode na het ontslag het inkomen aan te vullen. Het hof wil ook dat partijen zich uitlaten over de vraag op welke wijze de transitievergoeding in de draagkrachtberekening moet worden meegenomen, voor het geval het hof, na het overleggen van aanvullende stukken door de man en de reactie daarop van de vrouw, van oordeel is dat de man niet heeft aangetoond dat hij de transitievergoeding heeft gebruikt om gezamenlijke schulden van partijen mee af te lossen. Met welk bedrag en hoe lang moet het inkomen van de man dan met de vergoeding worden aangevuld en hoe moet dat dan worden verwerkt in de draagkrachtberekening (als extra bruto inkomen of netto bijvoorbeeld onder post 119a in het alimentatierekenprogramma?).
5.18
Het hof zal de beslissing over de partneralimentatie en de resterende punten daarom aanhouden en beslissen als volgt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2025, voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken;
alvorens verder te beslissen:
stelt de man tot twee weken na de datum van deze beschikking in de gelegenheid om de bewijsstukken zoals genoemd in rechtsoverweging 5.16 met een schriftelijke toelichting aan het hof en de vrouw te doen toekomen, vervolgens krijgt de vrouw twee weken de gelegenheid om schriftelijk op deze stukken te reageren,
partijen dienen zich daarbij tevens uit te laten over de vraag zoals verwoord in rechtsoverweging 5.17;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door de griffier, en is op 14 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.