ECLI:NL:GHARL:2026:2189

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.360.526/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gezamenlijk gezag over minderjarige ondanks communicatieproblemen ouders

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun in 2019 geboren kind, die bij de moeder woont. De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, maar dit verzoek werd afgewezen.

In hoger beroep handhaaft het hof deze beslissing. Hoewel de communicatie tussen de ouders momenteel minimaal is, ziet het hof nog mogelijkheden voor verbetering en is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem komt te zitten. De vader werkt over het algemeen mee en heeft spijt betuigd van een eerdere onhandige beslissing.

Het hof benadrukt dat het nog te vroeg is om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De rechtbankbeschikking van 24 juli 2025 wordt bekrachtigd, waarmee het gezamenlijk gezag blijft bestaan.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.526
zaaknummer rechtbank Gelderland 447802
beschikking van 14 april 2026
over het gezag van
[de minderjarige]( [de minderjarige] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een geheim adres
advocaat: mr. M. Metin
en
[verweerder](de vader)
die woont in [woonplaats] , [land1]
advocaat: mr. G.M. Koert

1.Samenvatting

De rechtbank heeft, voor zover van belang, het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] afgewezen.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2019.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.2.
In het gezagsregister is op 9 februari 2019 aangetekend dat de ouders hebben voldaan aan de voorwaarden om gezamenlijk het gezag uit te oefenen over [de minderjarige] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat zij alleen het gezag krijgt over met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en haar alsnog alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
4.2.
De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 21 oktober 2025
  • het verweerschrift
  • het journaalbericht van de moeder, ingediend op 20 november 2025
  • het journaalbericht van de moeder, ingediend op 10 maart 2025
4.4.
De zitting bij het hof was op 17 maart 2026.
Aanwezig waren:
  • de advocaat van de moeder
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Hoe oordeelt het hof?
Wijziging van omstandigheden
5.2.
Tussen de ouders is er geen discussie over de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden na de aantekening van het gezamenlijk gezag in het gezagsregister op 9 februari 2019. Het hof zal het gezag dan ook opnieuw beoordelen.
Het gezag
5.3.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat er nog onvoldoende aanleiding is om nu tot wijziging van het gezamenlijke gezag over te gaan. Hoewel de ouders momenteel weinig tot niet communiceren ziet ook het hof nog mogelijkheden voor verbetering. De vader wil zich hiervoor inzetten en het is de ouders eerder gelukt om de communicatie te verbeteren. Het hof is met de raad eens dat [de minderjarige] tussen de ouders in staat en dat er nog geen rust lijkt te komen voor haar. Het is aan de ouders om hierin verandering te brengen en te gaan samenwerken om te voorkomen dat [de minderjarige] echt klem komt te zitten. Daarvan is nu nog geen sprake, zodat het nog te vroeg is om een einde maken aan het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag.
Hierbij is ook van belang dat niet is gebleken dat de vader gezagsbeslissingen structureel tegenwerkt. Afgelopen najaar heeft de vader pas laat zijn toestemming gegeven voor een vakantie naar [plaats1] omdat hij boos en verdrietig was dat hij [de minderjarige] al anderhalf jaar niet had gezien. Dat was, zoals de raad ook tijdens de mondelinge behandeling heeft benoemd, niet slim en heeft niet voor vertrouwen gezorgd. De vader heeft echter spijt betuigd van deze beslissing en toegezegd dat hij dat niet meer zal doen. Het hof heeft er vertrouwen in dat dit eenmalig was en ziet hierin, anders dan de moeder, geen reden om de moeder alleen met het gezag te belasten. De vader werkt over het algemeen goed mee; zo heeft hij – zonder voorwaarden – zijn toestemming verleend voor een vakantie naar [land2] en voor een behandeling bij de kinderpsycholoog.
5.4.
De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 juli 2025, voor wat betreft het gezag.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.