Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2159

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-000761-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en vernieling, vrijspraak poging zware mishandeling

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 april 2026 het vonnis van de politierechter in hoger beroep vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot zware mishandeling omdat niet kon worden vastgesteld dat zij met kokend water had gegooid, waardoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kon worden.

Wel werd verdachte veroordeeld voor bedreiging van een benadeelde met woorden als "Ik steek jou neer" en "Ik maak je dood" en voor het opzettelijk onbruikbaar maken van kleding van benadeelden. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week op met een proeftijd van drie jaar, mede gelet op de ernst van de feiten en de recidive van verdachte.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden grotendeels afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor immateriële schade, behalve een beperkte vergoeding voor materiële schade aan kleding. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar klinische opname en psychische problematiek.

Het hof hield rekening met het strafblad van verdachte en haar kwetsbare persoonlijke situatie, waaronder een licht verstandelijke beperking en PTSS. Het zorgtraject van verdachte werd niet doorkruist door de voorwaardelijke straf. Het arrest werd gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. M.C. Fuhler en mr. O. Anjewierden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling, veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf voor bedreiging en vernieling, met beperkte schadevergoeding toegewezen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000761-25
Uitspraakdatum: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 14 februari 2025 met parketnummer 18-117828-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-130535-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in haar hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de vrijspraak van de onder 2 mede ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde 1] ;
  • bewezenverklaring van het aan verdachte overigens ten laste gelegde;
  • oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een contactverbod jegens aangeefster [benadeelde 2] en een locatieverbod voor het werkadres van aangeefster [benadeelde 2] ;
  • volledige toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. N.B. Swart, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 14 februari 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte voor het aan haar ten laste gelegde (met uitzondering van de bedreiging van [benadeelde 1] zoals mede onder 2 tenlastegelegd, waarvan is vrijgesproken) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof leest het onder 2 ten laste gelegde op die manier dat de daarin omschreven delicten moeten worden begrepen als impliciet cumulatief ten laste gelegd. Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van de bedreiging van [benadeelde 1] . Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak kan verdachte geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze in het vonnis gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
1.
zij, op of omstreeks 6 april 2024, te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een pan met kokend water en/of een geopende fles olie en/of bestek, op/tegen, althans in de richting van voornoemde [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
zij, op of omstreeks 6 april 2024, te [plaats] , [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek jou neer, als je naar bovenkomt." en/of "Ik maak je dood.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
zij, op of omstreeks 6 april 2024, te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een broek en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor alle feiten, gelet op de ontkenning van verdachte.
Subsidiair bepleit de verdediging vrijspraak voor feit 1, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte met kokend water zou hebben gegooid. De raadsvrouw heeft gewezen op het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt beschreven dat er olie is aangetroffen maar dat daarin geen melding van wordt gemaakt dat er ook water is aangetroffen en evenmin iets is vermeld over ander bestek dan een vork. De raadsvrouw refereert zich voor de overige feiten aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Vrijspraak van feit 1
Het hof stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van poging tot zware mishandeling, van belang is dat, door het handelen van verdachte, een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen hiervan.
Het hof miskent niet dat uit het dossier naar voren komt dat zich iets heeft voorgedaan tussen verdachte en aangevers. Zowel [benadeelde 2] als [benadeelde 1] verklaren dat verdachte bestek, olie en kokend water naar hen heeft gegooid. De politie treft aangevers aan met olievlekken op de kleding en zien in de trappengang bij de woningen van verdachte en aangevers een vork, een steelpan, olie en water op de grond liggen. Ook ligt er olie op de vloer in de woning van verdachte.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of hetgeen is voorgevallen poging tot zware mishandeling oplevert. Het hof is van oordeel dat het gooien van het bestek en de olie geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleverde. Ten aanzien van het gooien met water overweegt het hof, anders dan de politierechter, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat dit water kookte. Het enkele feit dat er damp van de pan met water kwam, maakt niet dat kan worden vastgesteld dat het water daadwerkelijk op het kookpunt zat. Daarbij blijkt naar het oordeel van het hof ook niet duidelijk uit het dossier hoe heet het water precies was, hoeveel water er is gegooid en op welk(e) lichaamsdeel/lichaamsdelen van aangevers verdachte het gooien van water heeft gericht. Bovendien is bij aangevers geen letsel geconstateerd. Al met al kan het hof niet vaststellen of sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel door het handelen van verdachte.
Gelet op het voorgaande heeft het hof uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feiten 2 en 3
Het hof acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
zij, op 6 april 2024, te [plaats] , [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek jou neer, als je naar bovenkomt." en "Ik maak je dood.";
3.
zij, op 6 april 2024, te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een broek die aan [benadeelde 1] toebehoorde en een jas die aan [benadeelde 2] toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en aan het onbruikbaar maken van de kleding van aangevers. Verdachte heeft met haar handelen angst aangejaagd bij [benadeelde 2] en heeft geen respect gehad voor de spullen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] .
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor vernieling.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte werd in december 2025 klinisch opgenomen in het kader van een rechterlijke machtiging. Zij heeft op de zitting van het hof verklaard dat dit haar goed doet en dat zij zich op haar plek voelt. Binnen de kaders van haar klinische opname lukt het haar om clean te blijven.
Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsrapport van 10 maart 2026. In dit rapport schrijft de reclassering dat verdachte een kwetsbare vrouw is. Zij kampt met een licht verstandelijke beperking en psychische problematiek in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), beperkt ziektebesef en een ernstige mate van beïnvloedbaarheid. De reclassering is van mening dat de problematiek van verdachte niet binnen het strafrecht, maar binnen de zorg onder de aandacht moet worden gebracht en adviseert daarom geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden. Verdachte zit nu op de voor haar goede plek.
De raadsvrouw van verdachte heeft op de zitting van het hof naar voren gebracht dat het, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, van belang is om haar traject in het kader van de rechterlijke machtiging niet te doorkruisen. De raadsvrouw heeft daarom bepleit om verdachte te veroordelen zonder oplegging van straf. Naar het oordeel van het hof is dit niet op zijn plaats, gelet op de ernst van het feit en de recidive van verdachte. Wel acht het hof het van belang het zorgtraject van verdachte niet te doorkruisen. Daarom komt het hof tot oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Voor een contactverbod jegens aangeefster [benadeelde 2] en een locatieverbod voor het werkadres van aangeefster [benadeelde 2] ziet het hof onvoldoende onderbouwing.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 733,49 ingediend, bestaande uit € 33,79 aan materiële schade en € 700,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering volledig toegewezen.
Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof als volgt. Op de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof gaat ten aanzien van de materiële schade uit van de kosten zoals deze door de benadeelde partij zijn gevorderd. Dit deel van het verzoek tot schadevergoeding is onderbouwd met een foto van de olievlekken op de jas en een bonnetje van de aankoop. Het hof zal dit deel van de vordering toewijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan voor zover hier van belang een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast, doordat deze lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Daarnaast kan ook zonder geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin sprake zijn van 'aantasting in de persoon op andere wijze', namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. Het hof overweegt dat de benadeelde partij geen lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde en dat van geschaad zijn in de eer of goede naam geen sprake is. Verder is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aannemelijk te achten dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde (bedreiging en vernieling). De benadeelde partij heeft ook onvoldoende concreet gemaakt dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zodanig nadelig zijn dat van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. Aldus ontbreekt een wettelijke grondslag voor het bestaan van immateriële schade.
Gelet op het bovenstaande zal het hof, in aanmerking genomen dat het debat omtrent deze schadepost genoegzaam is gevoerd en er geen aanleiding is tot nader onderzoek, de gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft de vordering volledig toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan voor zover hier van belang een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast, doordat deze lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Daarnaast kan ook zonder geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin sprake zijn van 'aantasting in de persoon op andere wijze', namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. Het hof overweegt dat de benadeelde partij geen lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde en dat van geschaad zijn in de eer of goede naam geen sprake is. Verder is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aannemelijk te achten dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde (bedreiging van [benadeelde 2] en vernieling). De benadeelde partij heeft ook onvoldoende concreet gemaakt dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zodanig nadelig zijn dat van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. Aldus ontbreekt een wettelijke grondslag voor het bestaan van immateriële schade.
Gelet op het bovenstaande zal het hof, in aanmerking genomen dat het debat omtrent deze schadepost genoegzaam is gevoerd en er geen aanleiding is tot nader onderzoek, de gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 18-130535-23 is verdachte op 17 november 2023 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, gelet op de voorgenoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover het is gericht tegen de vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde 1] .
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 33,49 (drieëndertig euro en negenenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 33,49 (drieëndertig euro en negenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 april 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 25 juni 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 november 2023, parketnummer 18-130535-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. M.C. Fuhler en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 april 2026.