Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 april 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep een nieuwe beslissing genomen in de zaak tegen verdachte wegens mishandeling van zijn echtgenote.
De tenlastelegging betrof het meermalen slaan van de echtgenote in het gezicht en op haar pols of hand, alsmede het duwen tegen een muur. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft geslagen, maar sprak hem vrij van het duwen tegen de muur wegens onvoldoende bewijs.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, een buurman die het letsel constateerde, en politieprocessen-verbaal van verhoor en aanhouding. Het hof verwierp het verweer van de verdediging dat sprake was van wederzijdse worsteling en concludeerde dat het slachtoffer betrouwbaar was.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het ontbreken van eerdere veroordelingen en een positief reclasseringsrapport. Het hof legde een taakstraf van 25 uur op, te vervangen door 12 dagen hechtenis, en verwierp het verzoek om een geldboete vanwege de impact op het slachtoffer.