Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2152

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-002890-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met voorwaardelijk opzet en taakstraf

Op 3 februari 2025 heeft verdachte te [Plaats] geprobeerd om het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met beide handen de keel van het slachtoffer vast te pakken, dicht te knijpen en vast te houden, waardoor het slachtoffer geen lucht meer kreeg. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en een nieuwe straf opgelegd: een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 2 jaar. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding van €2.000 is integraal toegewezen.

Het hof oordeelde dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (voorwaardelijk opzet) en dat het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer, haar zus en het verslag van de forensisch arts, wettig en overtuigend was. Verdachte toonde berouw en werkt mee aan ambulante behandeling en meldplicht. Het hof vond een contact- en locatieverbod niet noodzakelijk.

De straf is gebaseerd op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd, en de persoonlijke situatie van verdachte, die stabiele huisvesting en een sociaal netwerk heeft. De schadevergoeding wordt verhoogd met wettelijke rente vanaf 3 februari 2025. Het arrest is gewezen op 9 april 2026 door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf, 4 weken voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding van €2.000 wegens poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002890-25
Uitspraakdatum: 9 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingslocatie Leeuwarden, van 30 juni 2025 met parketnummer 18-038345-25 in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] 1997 in [Geboorteplaats] ,
wonende [Adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 maart 2026 en op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte voor het primair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het verplicht meewerken aan ambulante behandeling;
  • integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] voor het bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. Logemann hebben aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partij [Slachtoffer] , door haar gemachtigde mw. [gemachtigde] van Slachtofferhulp, naar voren is gebracht.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte voor het primair ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] integraal toegewezen voor het bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te [Plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een of meerdere handen de hals en/of de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of (vervolgens) de hals en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, in elk geval door verstikkend geweld op de hals en/of de keel heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te [Plaats] , [Slachtoffer] heeft mishandeld door die [Slachtoffer] met een of meerdere handen bij de hals en/of de keel vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of (vervolgens) de hals en/of de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, in elk geval door verstikkend geweld op de hals en/of de keel uit te oefenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging primair ten laste gelegde

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Gelet op het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier is er geen andere conclusie mogelijk dan dat sprake is van een poging tot zware mishandeling. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar zus en het verslag van de forensisch arts. Daaruit volgt dat aangeefster door verdachte bij haar hals is gegrepen en dat haar keel is dichtgeknepen. Verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verklaring van de huisgenoot van verdachte dient terzijde te worden geschoven omdat hij door de snelheid waarmee het incident zich afspeelde niet alles heeft kunnen waarnemen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat hij geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft aangeefster beetgepakt, van zichzelf afgehouden en zichzelf verweerd. Verder kan op basis van het verslag van de forensisch arts niet worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onderdeel dat ziet op het dichtknijpen van de keel.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair ten laste gelegde. Het verweer dat verdachte geen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later zullen worden uitgewerkt, ingeval cassatieberoep zal worden ingesteld. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.
Het hof stelt op basis de aangifte, die wordt ondersteund de verklaring van de zus van aangeefster en het verslag van de forensisch arts, vast dat verdachte aangeefster met beide handen bij de keel heeft gepakt, vastgepakt heeft gehouden en de keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden. Het verweer van de raadsman – dat voor bewijs van het ten laste gelegde dichtknijpen van de keel behalve de medische verklaring ook, zo begrijpt het hof het verweer, ondersteuning door een ander bewijsmiddel nodig is – vindt geen steun in het recht.
Opzet
Voor een bewezenverklaring van poging zware mishandeling is het van belang dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven in hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn, dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
Naar het oordeel van het hof kunnen het vastpakken van de keel, het dichtknijpen en het dichtgeknepen houden van de keel van aangeefster naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Verdachte heeft met kracht, met twee handen de keel van aangeefster vastgepakt, dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, ook toen zij zich naar de grond liet zakken. Het werd zwart voor haar ogen en zij voelde dat zij geen lucht meer kreeg. Het kan niet anders dan dat verdachte zich bewust was van de kans dat dit in zwaar lichamelijk letsel zou kunnen resulteren en dat hij deze mogelijkheid ook heeft aanvaard door het dichtknijpen voort te zetten. Van belang daarbij is de kwetsbaarheid van de keel ter plaatse van de luchtwegen. Van contra-indicaties voor het aannemen van opzet is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair
hij op 3 februari 2025 te [Plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een of meerdere handen de keel heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden en de keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van het slachtoffer. Verdachte heeft met kracht de keel van het slachtoffer vastgepakt en dichtgeknepen, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Dit heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, op het moment dat sprake was van een onstuimige relatie tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de inhoud van het hem betreffend strafblad van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte na de pleegdatum van het in deze zaak ter beoordeling staande feit niet opnieuw met politie en justitie in contact is gekomen;
  • de inhoud van het reclasseringsrapport van 25 maart 2026, waaruit volgt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde delict niet beschikte over functionele copingvaardigheden om met stress en spanning om te gaan. Verdachte beschikt nu over stabiele huisvesting, een steunend sociaal netwerk en een gestructureerde dagbesteding waaruit hij legaal inkomen genereert. Verdachte toont enige mate van reflectie op zijn handelen en hij heeft zelfstandig psychische hulp gezocht. De kans op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, het verplicht meewerken aan ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en locatieverbod voor de woning van aangeefster.
  • de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte samenwoont met zijn vrouw en kind. Daarnaast runt hij samen met zijn familie een horecagroothandel, waar hij samenwerkt met jongeren met een kwetsbare achtergrond. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich te willen houden aan de voorwaarden die de reclassering heeft voorgesteld.
De raadsman heeft verzocht om de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, te matigen in verband met zijn rol in het gezin en bedrijf. Daarnaast kan volgens de raadsman een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Alles afwegende acht het hof, gelet op de huidige positieve stand van zaken op de belangrijkste leefgebieden van verdachte en het door hem geuite besef dat zijn handelen fout is geweest, een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en het verplicht meewerken aan ambulante behandeling worden verbonden. Anders dan door de benadeelde partij is verzocht, is het hof de noodzaak tot oplegging van een contact- en locatieverbod in de vorm van bijzondere voorwaarden niet gebleken. Van belang daarbij is het belastende karakter daarvan voor verdachte, afgezet tegen het gegeven dat niet gebleken is dat verdachte nog contact heeft gezocht met de benadeelde partij en dat hij er ter zitting blijk van heeft gegeven het foute van zijn handelen in te zien.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, ingediend. De politierechter heeft dit bedrag integraal toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte spijt betuigd richting de benadeelde partij en met zoveel woorden te kennen gegeven de gehele door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding te willen voldoen. Deze verklaring van de verdachte ter zitting wordt door het hof opgevat als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering en brengt het hof tot de conclusie dat het aldus door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor integrale toewijzing in aanmerking komt.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen voor het bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • dat verdachte zich meldt binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van het Leger des Heils op de [Adres 2] te [Plaats] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
  • dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [Zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het afnemen van een delict analyse, risicotaxatie of andere problematiek
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 februari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. L.T. Wemes en mr. M.M. Dolman, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 april 2026.