ECLI:NL:GHARL:2026:2146
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewind en mentorschap wegens afwezigheid noodzaak voortzetting
De zaak betreft het hoger beroep van verzoeker tegen de beschikking van de kantonrechter die het bewind en mentorschap over zijn goederen handhaafde. Verzoeker had het bewind en mentorschap aanvankelijk laten instellen vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand, maar verzocht later om opheffing en vervanging van de bewindvoerder en mentor door zijn partner.
Het hof oordeelt anders dan de kantonrechter en concludeert dat het bewind en mentorschap niet langer noodzakelijk zijn. Uit het dossier en de zitting blijkt dat verzoeker stabiel is, geen schulden heeft, een uitkering ontvangt en mantelzorger is voor zijn partner. Diverse familieleden, waaronder de vader en broers, ondersteunen het standpunt dat het bewind en mentorschap niet meer nodig zijn.
Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter voor het gedeelte vanaf 15 april 2026 en heft het bewind en mentorschap op met ingang van die datum. De bewindvoerder en mentor krijgen zo de tijd om de overdracht te regelen. De beschikking blijft voor de periode tot 15 april 2026 in stand.
Uitkomst: Het hof heft het bewind en mentorschap op met ingang van 15 april 2026 wegens het ontbreken van noodzaak tot voortzetting.