Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2103

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.361.623
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag en omgangsregeling minderjarige na ondertoezichtstelling

De ouders van een minderjarige, geboren in 2022, zijn in geschil over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. De vader verzocht om gezamenlijk gezag en een zorgregeling waarbij het kind regelmatig bij hem verblijft. De rechtbank stelde het kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling en bepaalde een voorlopige omgangsregeling met begeleiding.

De moeder kwam in hoger beroep tegen het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling, stellende dat er geen vertrouwen en communicatie tussen de ouders is, wat een uitzonderingssituatie vormt om gezamenlijk gezag te weigeren. De vader verzet zich hiertegen en wil betrokken zijn bij het leven van het kind.

Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en dat geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. De ondertoezichtstelling en begeleide omgang verlopen positief, ondanks de zorgen van de moeder. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank van 15 augustus 2025, waarmee het gezamenlijk gezag wordt toegewezen en de voorlopige zorg- en omgangsregeling wordt gehandhaafd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en de voorlopige omgangsregeling zoals vastgesteld door de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.623
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 575177)
beschikking van 9 april 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A. Prins,
en
[verweerder] ,
wonende in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. F.P. Slijkhuis.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen de GI.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 augustus 2025, uitgesproken onder zaaknummer 575177 (verder: de bestreden beschikking).

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 november 2025;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 5;
- een journaalbericht van mr. F.P. Slijkhuis van 19 februari 2026 met producties 6 tot en met 12.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI en de raad waren vertegenwoordigers aanwezig.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022 in Utrecht. [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij verzoekschrift van 2 mei 2024 heeft de vader verzocht:
-hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] ;
-een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] van vrijdag 15.30 uur tot zondag 12.00 uur bij hem verblijft, en één doordeweekse dag vanaf 15.00 uur, met een opbouwregeling;
-een informatieregeling vast te stellen;
-een nader te verzoeken bijdrage vast te stellen aan kinderalimentatie met ingang van
een nader te bepalen datum.
3.3
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de beschikking van 26 juni 2024 onder toezicht
gesteld van BJZ Limburg voor de duur van een jaar.
3.4
Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de rechtbank de beslissing over het gezag, de zorgregeling, de informatieregeling en de kinderalimentatie aangehouden tot 1 mei 2025, in afwachting van de uitkomst van het verloop van de ondertoezichtstelling en de ontwikkelingen in de omgang tussen de vader en [de minderjarige] .
3.5
Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank - voor zover in deze zaak van belang-
- de vader samen met de moeder belast met het gezag over [de minderjarige] ;
- bepaald dat de moeder een keer per twee weken een e-mail of brief zal sturen aan de
vader over het welzijn en de gezondheid van [de minderjarige] , haar hobby’s en overige
bijzonderheden;
- een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij een opbouw van de omgang plaatsvindt en vanaf vrijdag 7 november 2025 als zorgregeling geldt dat [de minderjarige] één keer in de veertien dagen van vrijdag 15.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft;
-de (verdere) beslissing over de zorgregeling is tot 15 november 2025 aangehouden, in afwachting van het verloop van de opbouwregeling.
3.6
De ondertoezichtstelling is verlopen op 25 juni 2025. Bij beschikking van 21 augustus 2025 is [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, van 21 augustus 2025 tot
21 augustus 2026.
3.7
Bij mondelinge uitspraak van 8 januari 2026 heeft de rechtbank als voorlopige zorg- en contactregeling tussen [de minderjarige] en de vader bepaald dat [de minderjarige] met ingang van de week na de zitting en voor de duur van de drie maanden wekelijks een dagdeel omgang met de vader heeft bij de vader thuis, waarbij de GI de regie heeft over hoe de omgang wordt vormgegeven en over de volledige of gedeeltelijke begeleiding. De omgang wordt begeleid door [naam1] (of een andere instantie). Indien deze instantie niet beschikbaar is, is de oma (vaderszijde) aanwezig bij de omgang tussen [de minderjarige] en de vader.
De beslissing is door de rechtbank tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De verdere behandeling van het verzoek van de vader is voor de duur van drie maanden aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum, met het verzoek aan de ouders en de GI om de rechtbank twee weken voor die zittingsdatum te informeren over het verloop van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Daarnaast wil de rechtbank van de moeder en de GI ook informatie over de woonsituatie van de moeder krijgen en het overige verzochte is afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen over het gezag en de omgangsregeling betreft. Zij vraagt het hof de verzoeken van vader, om hem mede te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om tussen hem en [de minderjarige] een omgangsregeling vast te stellen, af te wijzen.
4.2
De vader voert verweer en hij vraagt de door de moeder gedane verzoeken af te wijzen, althans met inachtneming van het door vader gevoerde verweer te beslissen zoals het hof juist acht en hooguit (indien nodig) de gronden waarop de beschikking van de rechtbank berust, te verbeteren.

5.De motivering van de beslissing

Omgang
5.1
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de voorlopige zorgregeling uit de bestreden beschikking bij het hof niet meer aan de orde is, zodat die grief geen nadere beoordeling behoeft door het hof.
Gezag
5.2
In artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die niet eerder het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. De moeder is van mening dat er een dergelijke uitzonderingssituatie is, kort gezegd is er volgens haar geen enkel vertrouwen en ook geen communicatie tussen de ouders. De vader bestrijdt dat er een uitzonderingssituatie is. Hij wil graag het gezag en betrokken zijn in het leven van [de minderjarige] .
5.4
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank over het gezag over [de minderjarige] moet blijven gelden. Het hof kan zich na eigen onderzoek vinden in de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt het hof het volgende toe.
De GI heeft verklaard dat de begeleide omgangsregeling is gestart. De zorgregeling loopt en uit de omgangsverslagen blijkt dat er geen zorgen bestaan over de omgang van [de minderjarige] met de vader, hoewel de moeder dit anders ervaart. Volgens de GI moet de moeder ook gaan inzien dat de zorgregeling goed gaat en moet zij (nog) vertrouwen krijgen.
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het positief is dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] is hersteld. Dat is heel spannend voor [de minderjarige] . De vader krijgt een plaats in het leven van [de minderjarige] en dat moet vorm krijgen. De raad vindt het noodzakelijk dat de vader gezag heeft, ook binnen de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In deze zaak moet alles nog zijn plek krijgen en moet alles vanuit de ondertoezichtstelling goed worden gevolgd.
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren raakt of dat afwijzing anderszins noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] . Met de raad is het hof van oordeel dat gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] is en het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
15 augustus 2025 ten aanzien van het gezamenlijk gezag.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, E. de Boer en
D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 9 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.