ECLI:NL:GHARL:2026:210

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.355.646/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake kinderalimentatie en draagkracht van de man

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende de kinderalimentatie en de draagkracht van de man. De man en de vrouw zijn de ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank Gelderland had eerder bepaald dat de man een bijdrage van € 162 per kind per maand moest betalen, maar de man verzocht om deze bijdrage te verlagen naar € 25 per kind per maand, met ingang van november 2022. De rechtbank heeft in haar beschikking van 14 maart 2025 de kinderalimentatie aangepast, maar de man ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 december 2025 werd de draagkracht van de man ter discussie gesteld. De man is gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering, terwijl hij ook een eigen onderneming heeft. Het hof heeft vastgesteld dat de man een minimale draagkracht heeft van € 25 per maand. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd voor zover het betreft de hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, en heeft bepaald dat de man vanaf de datum van de beschikking € 36 per maand moet betalen. De proceskosten in hoger beroep zijn gecompenseerd, aangezien partijen gewezen partners zijn en de procedure betrekking heeft op de gezamenlijke kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.646
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440230)
beschikking van 15 januari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.L. van Olst te Apeldoorn.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 11 juni 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 5;
- een journaalbericht van mr. Van Olst van 18 november 2025 met producties 6 tot en met 8;
- een journaalbericht van mr. De Jong van 19 november 2025 met producties 6 tot en met 8.
2.2
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening schriftelijk kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek inzake de kinderalimentatie, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden, waar partijen en hun advocaten zijn verschenen.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van:
- [kind1] , geboren [in] 2005; en
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2010.
De man heeft [de minderjarige1] erkend. De vrouw heeft alleen het gezag over [de minderjarige1] en hij staat op haar adres ingeschreven.
3.2
De vrouw heeft een nieuwe partner en met hem heeft zij één kind:
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
3.3
De rechtbank heeft in een beschikking van 10 januari 2017 de door de man te
betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] en [de minderjarige1] met
ingang van 1 november 2016 op een bedrag van € 162 per kind per maand bepaald.
3.4
De man heeft de rechtbank op 20 augustus 2024 verzocht voor recht te verklaren dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw zou betalen. Verder heeft de man de rechtbank verzocht om de door hem te betalen bijdrages voor [kind1] en [de minderjarige1] met ingang van 1 september 2024 op nihil te stellen.
3.5
Bij de beschikking van 14 maart 2025 (die hierna ook als ‘de bestreden beschikking’ wordt aangeduid) heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang):
  • de beschikking van 10 januari 2017 gewijzigd in die zin dat voor recht wordt verklaard dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen;
  • de door partijen in november 2022 gemaakte afspraak over de (kinder)alimentatie gewijzigd in die zin dat met ingang van 1 september 2024 de door de man te betalen bijdrage voor [kind1] op nihil wordt gesteld en voor [de minderjarige1] op € 181 per maand (en met ingang van 1 januari 2025 op grond van de wettelijke indexatie op € 192,77 per maand).

4.De omvang van het geschil

4.1
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking voor zover het betreft de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te vernietigen en:
  • te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 primair een bijdrage van € 32 per maand aan de vrouw is verschuldigd en subsidiair € 77 per maand; en
  • te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2025 primair een bijdrage van € 34,08 en subsidiair van € 82,01 per maand is verschuldigd aan de vrouw.
4.2
De vrouw voert verweer en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof:
  • de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die af te wijzen; en
  • de bestreden beschikking deels te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 ten behoeve van [de minderjarige1] € 235 aan de vrouw dient te betalen en met ingang van 1 januari 2025 € 250,28 per maand.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Met name de draagkracht van de man is onderwerp van geschil. Volgens de man is die door de rechtbank te hoog ingeschat, volgens de vrouw te laag.
de draagkracht van de man
5.2
De man is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WIA-uitkering. Daarnaast is hij eind 2023, met goedvinden van het UWV, gestart met een eigen onderneming: ‘ [naam1] ’ (een eenmanszaak).
5.3
Blijkens de jaaropgave 2024 is de WIA-uitkering € 19.266. Verder heeft de man een aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd, waaruit blijkt van een fiscale winst van € 3.527, en een prognose voor 2025 met een resultaat (fiscale winst) van € 6.024. De werkelijke woonlasten van de man zijn inmiddels € 197,44 per maand (standplaatskosten).
5.4
De rechtbank is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man van € 10.000 met betrekking tot de winst uit onderneming en daarbij rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. Er is geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, omdat de man volgens de rechtbank niet aan het urencriterium voldoet.
5.5
In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een winst van € 10.000. Dat heeft hij niet behaald en zal hij ook niet halen, omdat hij daartoe fysiek niet in staat is als gevolg lichamelijke klachten door drie of vier verkeersongelukken waarbij hij telkens van achteren is aangereden. Daarnaast heeft de man ook een stollingsziekte. Op dit moment werkt de man volgens zijn verklaring tussen de dertien en vijftien uur per week, verdeeld over drie dagen. Als hij € 10.000 winst zou behalen zou hij, blijkens een door hem overgelegde brief van het UWV, gekort worden op zijn uitkering die dan € 1.106 zou worden in plaats van € 1.509 per maand.
5.6
Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de man fysieke klachten heeft en als gevolg daarvan deels is afgekeurd. De vrouw weet hier ook van; bij het tweede ongeval waarbij de man van achteren is aangereden zat zij zelf ook in de auto. Ook weet zij van de stollingsziekte van de man. Ten aanzien van het inkomen van de man zal het hof daarom uitgaan van het inkomen dat hij daadwerkelijk heeft, in die zin dat hof rekening zal houden met de door de man ontvangen WIA-uitkering en de door de man zelf overgelegde winstprognose van € 6.024. Niet in geschil is verder dat dat een hogere winst van de man tot gevolg heeft dat hij wordt gekort op zijn WIA-uitkering. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat bij een winst van € 10.000 (dat is gemiddeld € 833 per maand) zijn uitkering met zo’n € 400 zal dalen. Dat is ongeveer de helft van de winst. Die lijn volgend, zal het hof bij de geprognotiseerde (jaar)winst van € 6.024 (dat is gemiddeld € 502 per maand) rekening houden met een WIA-uitkering die met de helft van die winst wordt gekort, dus met € 251. De bruto uitkering van de man is blijkens de meest recente door de man overgelegde uitkeringsspecificaties € 1.604,93 per maand. Verminderd met € 251 is dat (afgerond) € 1.354 per maand. Het inkomen van de man waarmee het hof zal rekenen is dan de WIA-uitkering van € 1.354 bruto per maand (nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld) en een fiscale winst uit onderneming van € 502 per maand.
5.7
Op grond van voormelde gegevens en geen rekening houdend met zelfstandigenaftrek - omdat de man niet voldoet aan het urencriterium - maar wel met de MKB winstvrijstelling, is het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man dan € 1.557 per maand. Dit inkomen is minder dan het tabelinkomen van € 1.823 uit het Rapport Alimentatienormen (2025) en dit betekent dat de man een minimale draagkracht van € 25 heeft. Ook als gerekend zou worden met de daadwerkelijke woonlasten wordt dit niet anders.
5.8
De man heeft primair verzocht om te bepalen dat hij met ingang van 1 september 2024 een bijdrage van € 32 per maand aan de vrouw dient te betalen. De vrouw heeft ter zitting verzocht om voor het geval een lagere door de man te betalen bijdrage wordt vastgesteld aan de vrouw geen terugbetalingsverplichting op te leggen. Het hof overweegt dat met de bijdrage die de man tot nu betaalde - waarmee hij bij is - in de kosten van [de minderjarige1] (behoefte) kon worden voorzien. Het hof gaat er vanuit dat die bijdrage is gebruikt overeenkomstig de behoefte van [de minderjarige1] . Het hof zal als ingangsdatum de datum van deze beschikking aanhouden, omdat de draagkracht van de man blijkens deze beschikking nu lager is en daardoor niet meer geheel in de behoefte van [de minderjarige1] kan worden voorzien. Daar deze ingangsdatum hoeft de vrouw niets terug te betalen. Wel zal het hof de € 32 die de man verzoekt op te leggen indexeren naar 2026, zodat de man met ingang van de datum van deze beschikking geïndexeerd naar 2026 (afgerond) € 36 per maand dient bij te dragen. Grief 1 van de man slaagt.
5.9
Aan een bespreking van de grief van de vrouw en de tweede en derde grief van de man komt het hof gelet op het voorgaande niet meer toe.
zorgkorting
5.1
De rechtbank heeft geen zorgkorting toegepast, omdat er geen sprake is van omgangsregeling. Ook in hoger beroep is dat niet het geval en heeft de man dus ook geen omgangskosten. Het hof zal daarom geen zorgkorting toepassen, wat betekent dat de vierde grief van de man faalt.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 1 van de man en faalt zijn vierde grief. Aan bespreking van de overige grieven is het hof niet meer toegekomen, omdat de man een minimale draagkracht heeft. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover die ziet op de periode vanaf de datum van deze beschikking vernietigen en in zoverre beslissen als hierna vermeld.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen partners zijn en de procedure de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun gezamenlijke nog minderjarige kind betreft.

7.Aanhechten berekeningen

Het hof heeft een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man en diens draagkracht. Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2025, voor zover het betreft de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] betreft vanaf de datum van deze beschikking, en in zoverre opnieuw beschikkende:
8.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] € 36 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
8.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.