ECLI:NL:GHARL:2026:209

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.356.112/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling na verhuizing minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een moeder en haar minderjarige zoon, [naam1]. De moeder had in eerste aanleg verzocht om uitbreiding van de omgangsregeling, die door de rechtbank Midden-Nederland was afgewezen. De moeder stelde dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, omdat haar situatie was gestabiliseerd en zij openstond voor hulpverlening. De GI, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, voerde verweer en stelde dat er geen gewijzigde omstandigheden waren die een uitbreiding van de omgang rechtvaardigden.

Het hof heeft vastgesteld dat de verhuizing van [naam1] naar een behandelgroep van Youké een wijziging van omstandigheden met zich meebracht. Het hof oordeelde dat de huidige omgangsmomenten, die één uur per maand onder begeleiding plaatsvinden, goed verlopen en dat er positieve ontwikkelingen bij de moeder zijn. Het hof heeft ook rekening gehouden met de wens van [naam1] om de omgang uit te breiden. Gezien de positieve signalen van de GI en de wens van [naam1] heeft het hof besloten de bestreden beschikking te vernietigen en de omgangsregeling te wijzigen. De moeder en [naam1] zullen voortaan twee uur per maand begeleide omgang hebben.

De beslissing van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.112
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586876
beschikking van 15 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. F. Pool
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam-Zuidoost.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer. Het hof zal deze beschikking verder ook noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juni 2025;
- het verweerschrift met producties.
2.2
Op 24 november 2025 heeft [naam1] met een raadsheer en een griffier van het hof gesproken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door mr. M. Krol, waarnemend voor mr. F. Pool;
- een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft een zoon:
- [naam1] geboren op [in] 2016.
3.2
Bij beschikking van 2 maart 2023 is [naam1] onder voogdij gesteld van de GI.
3.3
[naam1] verbleef van 20 juni 2019 tot 9 juli 2025 in een perspectief biedend pleeggezin. Sinds 9 juli 2025 verblijft [naam1] op een behandelgroep van Youké (Kinabu in [woonplaats1] ).
3.4
Bij de beschikking van 2 maart 2023 heeft de rechtbank de volgende omgangsregeling tussen de moeder en [naam1] vastgesteld:
­ elke twee weken is er een contactmoment tussen de moeder en [naam1] , de ene keer een fysiek moment en de andere keer een videobelmoment;
­ het fysieke moment vindt één keer per maand plaats voor de duur van maximaal één uur, onder begeleiding van de pleegzorgwerker, jeugdzorgwerker of begeleider vanuit de Tussenvoorziening (donderdag, vrijdag of zaterdag), waarbij uitbreiding kan worden besproken na het positief afronden van de oudermodule;
­ het videobelmoment vindt één keer per maand op donderdag of vrijdag om 15.00 uur plaats voor de duur van maximaal 15 minuten, waarbij het eerder stopt als [naam1] dit aangeeft.

4.De omvang van het geschil

4.1
Deze zaak gaat over de omgang tussen de moeder en [naam1] . Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de moeder, tot uitbreiding van de omgang met [naam1] en het gelasten van een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad), door de rechtbank afgewezen.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de omgangsregeling te wijzigen, inhoudende dat de moeder éénmaal in de maand, voor de duur van drie uur, begeleide omgang heeft met [naam1] , dan wel een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Juridisch kader
5.1
In artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter op verzoek van een ouder een beslissing over de omgang kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunten
5.2
De moeder vindt dat haar verzoek om uitbreiding van de omgangsregeling met [naam1] onterecht is afgewezen. Volgens de moeder is er sprake van een wijziging van omstandigheden omdat de situatie van de moeder inmiddels is gestabiliseerd. De moeder begrijpt dat [naam1] niet bij haar zal opgroeien en zij staat open voor iedere vorm van hulpverlening, waaronder een ouderschapsmodule. Volgens de moeder belast zij [naam1] niet meer met volwassenproblematiek en verlopen de omgangsmomenten op dit moment goed. Het zou volgens de moeder ook voor [naam1] beter zijn om de omgangsmomenten uit te breiden, omdat er dan minder onrust is en er meer tijd is om leuke activiteiten te ondernemen, waardoor de band tussen de moeder en [naam1] sterker wordt.
5.3
De GI vindt dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die maken dat een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling kan worden beoordeeld. De GI ziet dat de moeder kleine stapjes maakt maar volgens de GI is deze ontwikkeling nog te kwetsbaar om de omgang op dit moment al uit te breiden.
Oordeel van het hof
5.4
Het hof constateert dat de voormalig pleegouders van [naam1] aanvankelijk zijn aangemerkt als belanghebbenden. Door de verhuizing van [naam1] naar een behandelgroep van Youké zijn zij geen belanghebbenden meer.
5.5
Door de verhuizing van [naam1] is er naar het oordeel van het hof ook sprake van een wijziging van omstandigheden die rechtvaardigt dat opnieuw naar de omgangsregeling gekeken wordt.
5.6
Gebleken is dat de omgangsmomenten in de huidige vorm, gedurende één uur per maand onder begeleiding, de laatste tijd goed verlopen. Door de GI wordt een positieve ontwikkeling bij de moeder gesignaleerd. Zij belast [naam1] minder met volwassenproblematiek en maakt goed contact met hem. [naam1] geniet van de omgangsmomenten met zijn moeder. [naam1] heeft tijdens het gesprek met een raadsheer van het hof aangegeven dat hij de omgang met zijn moeder graag wil uitbreiden. Ook de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat vanuit Youké wordt aangegeven dat het voor [naam1] haalbaar is om de omgang (uiteindelijk) uit te breiden naar twee uur begeleide omgang per maand.
Uit de verslagen en wat de GI naar voren heeft gebracht maakt het hof op dat de omgangsmomenten het beste verlopen als [naam1] en de moeder een activiteit kunnen ondernemen die passend is bij de leeftijd van [naam1] . Dit blijkt lastig te zijn in een tijdsbestek van één uur per maand. Gelet hierop, en nu ook overigens niet van bezwaren tegen een uitbreiding met een uur van de omgang is gebleken, acht het hof het in het belang van [naam1] dat de huidige fysieke omgangsmomenten in duur worden verlengd met één uur. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en bepalen dat [naam1] en de moeder twee uur per maand begeleide omgang met elkaar hebben.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2023, voor zover dit het fysieke omgangsmoment betreft, en
stelt vast als fysiek omgangsmoment tussen de moeder en [naam1] dat zij één keer per maand voor de duur van twee uur, onder begeleiding van de pleegzorgwerker, jeugdzorgwerker of begeleider vanuit de Tussenvoorziening, omgang met elkaar hebben;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.