ECLI:NL:GHARL:2026:207

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.356.338/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 377a BWArt. 377c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging reguliere zorgregeling en advies tot hulpverlening bij communicatieproblemen ouders

De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, waarbij het hoofdverblijf bij de moeder is. Na eerdere procedures is een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind in oneven weken bij de vader verblijft op zondag tot dinsdag en in even weken van zaterdag tot dinsdag. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen deze regeling vanwege gebrekkig overleg en gewijzigde omstandigheden.

Het hof constateert dat de vader een nieuwe baan heeft met aangepaste werktijden en dat de moeder de zorgregeling tijdelijk opschortte, maar dat de vader zijn werktijden heeft aangepast en opvang door familie is geregeld. Ondanks de gewijzigde omstandigheden acht het hof de bestaande zorgregeling passend en noodzakelijk voor het belang van het kind.

De communicatie tussen ouders is problematisch en beïnvloedt de uitvoering van de zorgregeling negatief. De raad voor de kinderbescherming adviseert een hulpverleningstraject om de communicatie te verbeteren. Het hof wijst de verzoeken tot wijziging van de zorgregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestaande zorgregeling en wijst verzoeken tot wijziging af, met het advies aan ouders een hulpverleningstraject te volgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.338
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 570906)
beschikking van 15 januari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.J. Neijenhof,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J. Breeveld.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2024 en de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 april 2024 en 5 maart 2025, uitgesproken onder de hiervoor genoemde zaaknummers. De beschikking van 5 maart 2025 wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 26 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 maart 2025 bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft het hof Amsterdam zich onbevoegd verklaard en de zaak doorverwezen naar dit hof. Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het beroepschrift met producties;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Neijenhof van 1 december 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 te Zwolle plaatsgevonden. Aanwezig waren de moeder en haar advocaat en een vertegenwoordiger namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). De vader en zijn advocaat hebben digitaal (via Teams) aan de mondelinge behandeling vanuit Arnhem deelgenomen. Partijen hebben ingestemd met deze digitale deelname.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren [in] 2023 in [geboorteplaats] . [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder en de ouders hebben samen het gezag over hem.
3.2
De vader heeft in eerste aanleg bij de rechtbank onder andere een verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] ingediend. De raad heeft in zijn rapport van 13 augustus 2024 een advies gegeven over de zorgregeling.
Daarna zijn de ouders alsnog in onderling overleg tot overeenstemming gekomen. Zij hebben de door hen gemaakte afspraken over de opvoeding en verzorging van [minderjarige] vastgelegd in een ouderschapsplan, dat door hen is ondertekend op 3 en 5 februari 2025. Dit ouderschapsplan is door de rechtbank aangehecht aan de beschikking van 5 maart 2025 en maakt daarvan deel uit.
De ouders zijn als reguliere zorgregeling overeengekomen dat [minderjarige] per veertien dagen in de oneven weken op zondag om 18.00 uur door de vader bij de moeder wordt opgehaald en daarna op dinsdag op 18.00 uur weer door de moeder bij de vader wordt opgehaald. Vervolgens haalt de vader [minderjarige] in de even weken op zaterdag om 9.00 (zo nodig 8.00) uur bij de moeder op en haalt de moeder [minderjarige] daarna op dinsdag om 18.00 uur weer bij de vader op. Daarnaast is een uitgebreide regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld.
Onder nummer 6.2 van het ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat de vader vrij is wanneer hij [minderjarige] ontvangt. Wanneer de vader toch verhinderd is, dan overlegt hij met de moeder om te kijken of de moeder opvang kan organiseren. Wanneer dit niet mogelijk is, zal er overleg plaatsvinden over de verblijfplaats van het kind, zodat beide ouders altijd op de hoogte zijn waar [minderjarige] verblijft en wie er op hem past.
3.3
Bij het vonnis in kort geding van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter:
- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan van februari 2025 dat is aangehecht aan de beschikking van 5 maart 2025;
- en ook de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 200,- voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

4.De omvang van het geschil

4.1
De ouders zijn het in hoger beroep niet eens over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] .
4.2
De moeder stelt dat zij zich niet meer met de beschikking van 5 maart 2025 kan verenigen, met name wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, omdat van goed overleg met de vader geen sprake meer is.
De moeder verzoekt het hof de beschikking van 5 maart 2025 te vernietigen ten aanzien van de beslissing over de reguliere zorgregeling en als reguliere zorgregeling te bepalen dat [minderjarige] in de even weken van zaterdag 9.00 uur (dan wel vanwege voetbal 8.00 uur) tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag haalt en de moeder op zondag [minderjarige] weer ophaalt, en [minderjarige] voor het overige bij de moeder verblijft en de vader te gelasten dat hij de moeder volgens het ouderschapsplan over [minderjarige] moet informeren en consulteren op de momenten dat [minderjarige] bij hem verblijft.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar verzoeken af te wijzen.
In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vader het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, artikel 6.2 van het ouderschapsplan (aangehecht aan de beschikking van 5 maart 2025) buiten werking te stellen, althans te vernietigen en die beschikking voor het overige te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in kosten van deze procedure (inclusief de kosten van zijn advocaat). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader meegedeeld dat hij zijn verzoek intrekt indien de moeder in haar verzoek over de reguliere zorgregeling niet-ontvankelijk wordt verklaard of indien dit verzoek wordt afgewezen.
4.4
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader. Zij wijzigt haar eerdere verzoek en verzoekt het hof:
1. als reguliere zorgregeling te bepalen:
primair
dat [minderjarige] in de even weken op zaterdag door de vader wordt opgehaald om 9.00 uur (of vanwege voetbal om 8.00 uur) en dat de moeder hem op zondag om 18.00 uur weer bij de vader ophaalt;
subsidiair
dat de vader [minderjarige] in de even weken ophaalt om 9.00 uur (of vanwege voetbal om 8.00 uur) en dat de moeder hem op zondag om 19.00 weer bij de vader ophaalt, en ook dat de vader [minderjarige] iedere dinsdagochtend om 9.00 uur ophaalt en de moeder hem op woensdagmorgen om 9.00 uur weer ophaalt;
meer subsidiair
een zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht;
primair en (meer) subsidiair
te bepalen dat [minderjarige] voor het overige tijdens de reguliere zorg- en contactmomenten bij de moeder verblijft;
2. de vader te gelasten dat hij de moeder volgens het ouderschapsplan informeert en consulteert over [minderjarige] op de momenten dat [minderjarige] bij hem verblijft;
3. de verzoeken van de vader tot buitenwerkstelling van artikel 6.2 van het ouderschapsplan en de moeder te veroordelen in de proceskosten af te wijzen, althans hem niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken.

5.De motivering van de beslissing

juridisch kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.
oordeel van het hof
5.2
Het hof stelt vast dat de situatie voor [minderjarige] na de bestreden beschikking is gewijzigd. De vader heeft een andere baan met nieuwe werktijden. De moeder heeft de uitvoering van de zorgregeling in reactie hierop opgeschort, waarna in kort geding is bepaald dat de moeder de zorgregeling moet blijven uitvoeren. Verder heeft de moeder haar eigen werktijden aangepast. Het hof is ondanks deze omstandigheden van oordeel dat de ouders ook in de huidige omstandigheden de eerder overeengekomen zorgregeling moeten blijven uitvoeren. Het hof legt hierna uit hoe het hof tot dit oordeel komt.
5.3
Gebleken is dat de vader een week na de bestreden beschikking een andere baan heeft geaccepteerd en aanvankelijk op maandag en dinsdag wilde gaan werken en op die dagen kinderopvang wilde regelen. Het hof is het met de moeder eens dat dit in strijd is met de gemaakte afspraken omdat zij in het ouderschapsplan hebben afgesproken dat de vader over dergelijke wijzigingen eerst met de moeder zal overleggen, zodat de moeder kan bekijken of zij de opvang voor [minderjarige] dan kan regelen. Bovendien acht het hof net zoals de moeder het inschakelen van een andere kinderopvang naast de huidige opvang niet in het belang van [minderjarige] . Het hof stelt vast dat de moeder zich vervolgens niet aan de uitvoering van het ouderschapsplan heeft gehouden, want zij heeft de uitvoering van de zorgregeling opgeschort.
De vader heeft nadat bleek dat de moeder niet instemde met zijn voorstel zijn nieuwe werktijden alsnog aangepast. Hij hoeft nu op dinsdag niet meer te werken en op maandag heeft hij voorlopig nog ouderschapsverlof. Vanaf februari 2026 gaat de vader op maandag werken en dan zal oma vaderszijde op [minderjarige] gaan passen. Het hof is van oordeel dat deze aangepaste invulling door de vader voldoende tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] en een aanpassing van de regeling in deze situatie niet nodig is.
De moeder stelt dat zij haar werktijden inmiddels heeft aangepast en zelf op maandag op [minderjarige] kan passen. Zij vindt opvang door oma vaderszijde te druk voor [minderjarige] , onder meer omdat opa moederszijde ook hem past. Het hof gaat hieraan voorbij. De raad heeft op de zitting opgemerkt dat jonge kinderen zich aan meerdere personen kunnen hechten. Het is waardevol voor [minderjarige] dat hij een band kan opbouwen met zijn familie van vaderskant. Een dergelijke verandering vindt het hof passend in het kader van hetgeen de ouders in het ouderschapsplan onder 9.3 kort geleden hebben afgesproken, namelijk dat het ouderschapsplan minimaal een keer per jaar wordt geëvalueerd en eventueel bijgesteld, waarbij het belang van [minderjarige] voorop staat.
5.4
Het hof heeft op de zitting geconstateerd dat de ouders geïrriteerd op elkaar reageren. De problemen rondom de uitvoering van de zorgregeling worden grotendeels veroorzaakt door de slechte verstandhouding en de negatieve dynamiek tussen de ouders.
De raad merkt op dat er een patroon is in de communicatie tussen de ouders. De moeder duwt en trekt om informatie te krijgen van de vader en in reactie daarop geeft de vader juist steeds minder informatie. De raad benoemt dat de informatie van de vader aan de moeder over het feit dat hij onlangs vader is geworden van een tweeling te summier was. Het is belangrijk dat de ouders elkaar met het oog op de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voldoende informeren over “life-events”. De negatieve houding van de ouders naar elkaar toe zal [minderjarige] zeker aanvoelen, en hij heeft daar last van. Daarom is het belangrijk dat de ouders met hulpverlening gaan proberen hun communicatie over [minderjarige] te verbeteren. Pas als dat niet tot verbetering leidt, komt eventueel een solo-parallel-ouderschapstraject in beeld, aldus de raad.
Het hof maakt uit het rapport van de raad van 13 augustus 2024 op dat de situatie tussen de ouders al vanaf een paar maanden na de geboorte van [minderjarige] af en toe escaleert. In het rapport van de raad staat dat er op dat moment geen zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de ouders. Volgens de raad moest er vooral rust komen, de ouders moesten het mediationtraject afmaken en het sociaal wijkteam moest een passend hulpverleningstraject starten en monitoren.
Het hof hoopt dat de ouders het advies van de raad om een hulpverleningstraject te volgen ter harte nemen. De vader stelt zich op dit moment ten opzichte van een hulpverleningstraject om de communicatie te verbeteren niet erg constructief op, zo heeft het hof gemerkt. Dit kan te maken hebben met de manier waarop de moeder hem benadert, maar de ouders moeten het belang van [minderjarige] vooropstellen. Wat de ouders van elkaar vinden moet daaraan ondergeschikt zijn. [minderjarige] is nog zo jong dat hij twee verzorgende ouders nodig heeft die in het kader van de opvoeding en verzorging weten wat er over en weer bij elkaar speelt. Als de ouders in hun opstelling volharden en de vader contact met de moeder blijft vermijden dan zal dit vrijwel zeker ten koste van het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] gaan.
5.5
Op grond van wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep van de moeder ten aanzien van de zorgregeling dus niet.
5.6
Dit heeft, gelet op wat onder 4.3 is vermeld, tot gevolg dat het hof ook geen beslissing hoeft te nemen op het verzoek van de vader om artikel 6.2 van het ouderschapsplan buiten werking te stellen.
5.7
Het verzoek van de moeder om de vader te gelasten dat hij de moeder volgens het ouderschapsplan moet informeren en consulteren over [minderjarige] op de momenten dat [minderjarige] bij hem verblijft zal het hof afwijzen. Omdat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de bestreden beschikking acht het hof dit overbodig. De ouders hebben op dit punt ook een eigen verantwoordelijkheid. Zij dienen de door hun in het ouderschapsplan gemaakte afspraken zoveel mogelijk na te leven.
5.8
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat deze procedure betrekking heeft op het kind waarvan zij beiden ouder zijn. Het hof ziet in de stellingen van de man geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling te komen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2025 ten aanzien van de reguliere zorgregeling voor [minderjarige] :
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, H. Phaff en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door de griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.