ECLI:NL:GHARL:2026:203

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.360.614/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in jeugdhulp

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 januari 2026 de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige1] en [minderjarige2], is verlengd tot 13 augustus 2026. De vader van de kinderen had in hoger beroep verzocht om de machtiging te verkorten of de kinderen bij hun oma te plaatsen, maar dit verzoek werd afgewezen. Het hof oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, die een kwetsbare achtergrond hebben en onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling. De ouders hebben samen het gezag, maar de kinderen zijn sinds 13 augustus 2024 onder toezicht gesteld en hebben een voorgeschiedenis van zorgmeldingen. De rechtbank had eerder de machtiging tot uithuisplaatsing verleend, en het hof concludeerde dat er geen aanleiding was om deze beslissing te herzien. De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis waar zij de nodige zorg en ondersteuning ontvangen. Het hof benadrukte dat de ouders niet de capaciteiten hebben om de kinderen zelf op te voeden, en dat terugplaatsing bij hen niet in het belang van de kinderen zou zijn. De beslissing van het hof is in het openbaar uitgesproken en de ouders zijn geïnformeerd over de mogelijkheden van contact met de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.614
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 595498
beschikking van 15 januari 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. P.G.M. Lodder
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N.J. Hos

1.Samenvatting

De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 13 augustus 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
[minderjarige1] , geboren [in] 2016, en
[minderjarige2] (roepnaam: [minderjarige2] ), geboren [in] 2019.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan sinds 13 augustus 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.
2.4.
De kinderrechter heeft op 13 augustus 2024 een machtiging verleend om [minderjarige1] en [minderjarige2] uit huis te plaatsen bij de oma (van vaderszijde) tot 13 augustus 2025.
2.5.
De kinderrechter heeft op 16 januari 2025 (met spoed) toestemming verleend aan de GI om de verblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] te wijzigen naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, met ingang van 16 januari 2025 tot en met 13 februari 2025. De behandeling van het verzoek van de GI (voor een wijziging van de verblijfplaats) is voor het overige aangehouden.
2.6.
De kinderrechter heeft op 12 februari 2025 op het resterende deel van het verzoek van de GI beslist en toestemming verleend aan de GI om de verblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] te wijzigen naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.7.
De kinderen wonen sinds 16 januari 2025 in een gezinshuis.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot 13 augustus 2026.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de GI toegewezen. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 13 augustus 2026.
3.3.
Die beslissing is gegeven op 1 augustus 2025 en schriftelijk vastgelegd in een beschikking van 7 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, dan wel in duur verkort (tot zes maanden). Hij vindt dat de kinderen weer naar huis moeten, dan wel naar de oma (van vaderszijde).
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 24 oktober 2025
  • het verweerschrift van de GI
  • een brief van de raad van 30 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • een brief van de GI van 28 november 2025, met bijlagen.
4.4.
[minderjarige1] heeft een brief geschreven aan het hof. Zij heeft geschreven hoe het met haar gaat.
4.5.
De zitting bij het hof was op 5 december 2025. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat en een begeleider van [naam1]
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is van oordeel dat er gronden zijn voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.3.
[minderjarige1] en [minderjarige2] zijn kwetsbare kinderen met een fors belaste voorgeschiedenis. In maart 2021 startte Veilig Thuis een crisisinterventie nadat Veilig Thuis verschillende zorgmeldingen (anoniem en vanuit school) had ontvangen over fysiek geweld naar [minderjarige1] en [minderjarige2] . Een vertrouwensarts concludeerde na een onderzoek dat het letsel van [minderjarige1] vermoedelijk ‘toegebracht letsel’ was. Deze conclusie is bevestigd door [naam2] . Daarna zijn [minderjarige1] en [minderjarige2] vrijwillig uit huis geplaatst. Zij zijn toen gaan wonen bij hun oma en opa (van vaderszijde). Na de uithuisplaatsing zijn in het vrijwillig kader diverse onderzoeken ingezet. Zo is in oktober 2021 gestart met het [naam3] -traject van [naam4] en is diagnostiek en behandeling van [naam5] ingezet. Het [naam3] -traject en [naam5] zijn ingezet om inzicht te krijgen in het opvoedperspectief van [minderjarige1] en [minderjarige2] en de (on)mogelijkheid van een terugplaatsing. De conclusie in het eindverslag van [naam4] is dat de ouders zichtbaar van de kinderen houden en zich hebben ingezet voor het [naam3] -traject, maar dat hun mogelijkheden om [minderjarige1] en [minderjarige2] zelf op te voeden onvoldoende zijn gebleken. Dat de kinderen niet kunnen worden teruggeplaatst bij de ouders is opnieuw bevestigd door de raad in het raadsrapport van 26 juli 2024. Volgens de raad zou de ontwikkeling van de kinderen worden bedreigd indien de ouders weer de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen zouden vervullen.
5.4.
Uit verschillende onderzoeken is duidelijk geworden dat terugplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] bij (één van) de ouders geen optie is, omdat beide ouders niet de capaciteiten en opvoedvaardigheden bezitten die [minderjarige1] en [minderjarige2] nodig hebben. Daarbij speelt mee dat beide kinderen een zogenoemde ‘verzwaarde opvoedvraag’ hebben. Dat is ook de reden dat de kinderen in een gezinshuis verblijven waar kennis is over trauma en hechtingsproblematiek, en niet in een (netwerk)pleeggezin.
De traumatherapeut waar [minderjarige1] sinds de afgelopen zomervakantie voor therapie komt, schrijft in haar brief van 17 november 2025 dat zij een ernstig beschadigd meisje ziet. [minderjarige1] staat eigenlijk de hele dag in een overlevingsstand. Ze is voortdurend op haar hoede, heeft weinig zelfvertrouwen, maar ook geen vertrouwen in een ander. [minderjarige1] voelt alles als kritiek en is steeds bang voor de afwijzing die komen gaat. Verder schrijft de traumatherapeut dat de situatie zowel thuis als op school op dit moment heel wankel en weinig stabiel is. De gezinshuisouders, maar ook de leerkracht van [minderjarige1] worden gecoacht door de traumatherapeut hoe ze het beste met [minderjarige1] om kunnen gaan, omdat [minderjarige1] bij stress en onrust snel de controle verliest. Zo was er een voorval in het gezinshuis waarbij [minderjarige1] zodanig veel boosheid liet zien dat zij buiten zinnen was en dit was zelfs voor de professionele opvoeders van het gezinshuis een moeilijke situatie om mee om te gaan. Dit voorval heeft de GI besproken met [minderjarige1] en met de gezinshuisouders, omdat de ouders zich hierover zorgen maakten. Duidelijk is dat [minderjarige1] meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden vraagt van haar opvoeder(s). Dit geldt ook voor [minderjarige2] ; bij haar wordt gezien dat zij zich tijdens emotioneel beladen momenten kan afsluiten voor haar omgeving en dat zij dan moeilijk benaderbaar is. [minderjarige2] vindt het dan ingewikkeld om onder woorden te brengen wat er is of wat zij voelt. Niet duidelijk is of [minderjarige2] moeite heeft om over emoties te praten, of dat ze dichtklapt omdat ze denk dat volwassenen boos zijn of dat ze om een andere reden dan niet praat. Dit heeft de aandacht van de GI.
5.5.
Volgens de vader is de situatie sinds het onderzoek door [naam4] in positieve zin veranderd. Destijds was sprake van een onrustige periode, omdat de ouders toen in scheiding lagen. Ook was de vader op dat moment erg druk met zijn werk waardoor hij zich niet volledig heeft kunnen inzetten voor het onderzoek. Het hof gaat niet mee in het standpunt van de vader dat de situatie opnieuw moet worden onderzocht.
In de eerste plaats merkt het hof op dat de ouders zijn getrouwd [in] 2022 en uit elkaar gegaan [in] 2023. De onderzoeken van [naam3] en [naam5] vonden in 2021 en 2022 plaats, dus voordat de ouders in scheiding lagen.
Dat tijdens de begeleide contactmomenten wordt gezien dat de vader en de kinderen blij zijn elkaar te zien, betekent niet zonder meer dat de vader over de opvoedvaardigheden beschikt die [minderjarige1] en [minderjarige2] nodig hebben. De begeleiders van [naam4] en [naam6] hebben opgemerkt dat de vader tijdens de begeleide contactmomenten nog steeds onvoldoende aansluit bij de kinderen. Volgens de GI heeft de vader aansturing nodig en neemt hij weinig initiatieven in het contact met de kinderen. Hierdoor blijven de zorgen (die ook eerder door [naam5] zijn beschreven) over het onvoldoende aansluiten bij de kinderen aanwezig. Daarbij komt dat de GI heeft toegelicht dat afspraken met de vader nog steeds op zijn werkrooster moeten worden afgestemd.
5.6.
Voor zover de vader het hof verzoekt te bepalen dat de verblijfplaats van de kinderen bij oma (van vaderszijde) is, merkt het hof het volgende op.
De vader kan niet worden ontvangen in zijn verzoek om (zo leest het hof dat verzoek) een machtiging aan de GI te verlenen om de kinderen uit huis te plaatsen bij de oma van vaderszijde. Nog los van de omstandigheid dat het verzoek van de vader (plaatsing bij de oma) een verzoek is om een machtiging tot uithuisplaatsing anders dan in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (zoals nu in het gezinshuis), kan een verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing niet door een ouder worden gedaan.
5.7. Alles afwegende is het hof met de GI van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] in het gezinshuis noodzakelijk is omdat het in hun belang is om op te groeien in een omgeving die aansluit bij wat zij nodig hebben in hun verzorging en opvoeding. De ouders hebben op de zitting verteld dat zij zich zorgen maken over de kinderen in het gezinshuis, in het bijzonder over hun kleding en hygiëne. Daarnaast heeft [minderjarige1] verteld dat zij in haar wangen is geknepen. De GI heeft beaamd dat de kinderen anders gekleed gaan bij het gezinshuis, en dat er inderdaad verschil is met hoe de ouders de kinderen kleden. Bij het gezinshuis krijgen de kinderen meer ruimte. Het hof ziet dat, met de GI, niet als een grote zorg. Bovendien heeft de GI duidelijk kunnen maken dat zij hiervoor oog heeft. De GI heeft op de zitting ook verteld dat zij met [minderjarige1] en de gezinshuisouders heeft gesproken over het in de wangen knijpen en de achtergrond van het incident. Omdat het verder in het gezinshuis goed lijkt te gaan – de kinderen eten beter, hun schoolresultaten verbeteren en het gaat sociaal beter, aldus de GI – en de GI zich betrokken toont, is het hof van oordeel dat de kinderen op hun plaats zijn.
Gelet op het hiervoor overwogene ziet het hof geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen met een kortere duur te verlengen, zoals door de vader is verzocht.
5.8.
Ten slotte merkt het hof op dat uit de stukken en wat op de zitting is verteld blijkt dat de GI oog heeft voor het contact tussen de kinderen en de moeder, de vader en de oma. Bij het vormgeven van de bezoekregelingen staat het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] voorop en het is aan de GI om hun belangen te behartigen en te blijven kijken naar de mogelijkheden ten aanzien van deze bezoekregelingen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 1 augustus 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, S. Kuijpers en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.