Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de instelling van een mentorschap voor [rechthebbende], die lijdt aan vasculaire dementie. De kantonrechter had eerder op 19 maart 2025 een mentorschap ingesteld en [de mentor] benoemd tot mentor. [verzoeker], de echtgenoot van [rechthebbende], ging in hoger beroep tegen deze beslissing, omdat hij meende dat het levenstestament van [rechthebbende] hem de bevoegdheid gaf om haar belangen te behartigen. Hij stelde dat de kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat zijn machtiging niet voldeed en dat hij in het belang van [rechthebbende] handelde.
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 december 2025 werd duidelijk dat [verzoeker] en [rechthebbende] samen in een zorgappartement woonden, maar dat de zorg voor [rechthebbende] te zwaar werd voor [verzoeker]. De Zorgcombinatie had geadviseerd om [rechthebbende] naar een meer beschermende locatie te verhuizen, maar [verzoeker] weigerde dit. Het hof oordeelde dat [verzoeker] onvoldoende in staat was om de zorgbehoeften van [rechthebbende] goed in te schatten en dat hij zijn eigen belangen boven die van haar stelde. Het hof bevestigde de benoeming van [de mentor] als mentor, omdat deze beter in staat was om de belangen van [rechthebbende] te behartigen. De beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd, en de kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.