Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:202

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.355.806/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:450 lid 1 BWArt. 1:452 lid 3 BWWet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging mentorschap en benoeming professionele mentor ondanks levenstestament

In deze zaak stond de vraag centraal of het mentorschap en de benoeming van een professionele mentor, zoals door de kantonrechter vastgesteld, in stand konden blijven ondanks het bestaan van een levenstestament waarin de echtgenoot van betrokkene gemachtigd was om namens haar beslissingen te nemen.

Betrokkene, gediagnosticeerd met vasculaire dementie, had in 2021 samen met haar echtgenoot in een zorgappartement gewoond. De zorgcombinatie stelde dat de echtgenoot onvoldoende in staat was om haar belangen adequaat te behartigen, mede door zijn hoge leeftijd en emotionele betrokkenheid, wat leidde tot het niet tijdig verlenen van noodzakelijke zorg en verhuizing naar een passende woonvoorziening.

De echtgenoot voerde aan dat het levenstestament gerespecteerd moest worden en dat hij haar belangen goed behartigde. Het hof oordeelde echter dat een onafhankelijk mentorschap beter was voor betrokkene, mede gezien de feiten dat de echtgenoot de ernst van de situatie ontkende en de zorgcombinatie genoodzaakt was een rechterlijke machtiging te vragen.

De huidige professionele mentor werd als adequaat beoordeeld en het hof zag geen reden tot benoeming van een andere mentor. De bestreden beschikking van de kantonrechter werd dan ook bekrachtigd, waarbij de kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het mentorschap en de benoeming van de professionele mentor omdat dit het beste is voor betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.806
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11470944 MP VERZ 24-2745)
beschikking van 15 januari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats ] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. E.J.M. Brocatus.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[rechthebbende],
wonende in [woonplaats ] ,
verder te noemen: [rechthebbende]
en
Stichting Zorgcombinatie Marga Klompé,
gevestigd in Groenlo,
verder te noemen: de Zorgcombinatie,
advocaat: mr. S. Koelewijn
en
[de mentor] (DeMarge Bewindvoering),
die een correspondentieadres heeft in Winterswijk,
verder te noemen: de mentor
en
[de zoon] ,
wonende in [woonplaats ] ,
verder te noemen: de zoon
en
[de dochter] ,
wonende in [woonplaats ] ,
verder te noemen: de dochter.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de kantonrechter), van 19 maart
2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 18 juni 2025;
- het verweerschrift van de Zorgcombinatie met bijlagen;
- het e-mailbericht namens [verzoeker] van 29 oktober 2025;
- het e-mailbericht namens de Zorgcombinatie van 4 november 2025.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;
-twee werknemers van de Zorgcombinatie, bijgestaan door de advocaat;
- de zoon;
- de dochter.
[rechthebbende] is, ondanks behoorlijke oproeping, niet naar het hof gekomen.
De mentor was uitgenodigd, maar heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan het hof laten weten dat zij, in verband met vervoersproblemen, niet aanwezig kon zijn.

3.De feiten

3.1
[rechthebbende] , geboren [in] 1935, is de echtgenote van [verzoeker] . Zij is in 2019 gediagnosticeerd met vasculaire dementie en verblijft op één van de locaties van de Zorgcombinatie.
3.2
Op 16 februari 2021 heeft [rechthebbende] een levenstestament opgesteld bij de notaris, waarin zij [verzoeker] heeft gemachtigd om namens haar rechtshandelingen te verrichten, ook op het gebied van medische zorg, indien zij daartoe niet meer in staat zou zijn.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 31 december 2024, heeft de Zorgcombinatie verzocht om een mentorschap in te stellen ten behoeve van [rechthebbende] en de zoon en de dochter te benoemen tot mentoren.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter ten behoeve van [rechthebbende] een mentorschap ingesteld en [de mentor] benoemd tot mentor.
4.2
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof:
- primair de bestreden beschikking te vernietigen, het verzoek van de Zorgcombinatie alsnog
af te wijzen en de Zorgcombinatie te veroordelen in de proceskosten van de beide
instanties;
- subsidiair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij [de mentor] is
benoemd tot mentor en een andere professionele mentor te benoemen, aan wie de instructie
wordt gegeven om maandelijks met hem overleg te voeren en in de besluitvorming rekening
te houden met zijn oordeel.
4.3
De Zorgcombinatie heeft verweer gevoerd en gevraagd om het verzoek in hoger beroep van [verzoeker] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen dan wel de beslissing te nemen die het hof in het belang van [rechthebbende] acht.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat er in de wet?
5.1
In artikel 1:450 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap kan instellen.
Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
Hoe luiden de standpunten?
5.2
[verzoeker] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het levenstestament, waarbij [rechthebbende] hem heeft gemachtigd om beslissingen namens haar te nemen, niet voldoet. Hij ontkent dat hij beslissingen neemt die niet in het belang van [rechthebbende] zijn. Hij kent en verzorgt haar al heel lang, waardoor hij heel goed weet wat zij wenst en wat goed voor haar is. Bij zijn handelen is geen sprake van het nastreven van zijn eigen belang, een belangenverstrengeling of verwaarlozing van [rechthebbende] . [verzoeker] stelt dat de in het levenstestament beschreven wil van [rechthebbende] moet worden gerespecteerd en dat de door haar aan hem verleende machtiging kan voortduren. Als het hof toch van oordeel is dat er een mentorschap moet worden ingesteld, dan wil [verzoeker] dat er een andere mentor wordt benoemd, omdat hij van mening is dat de huidige mentor haar taak niet goed uitoefent.
5.3
Volgens de Zorgcombinatie worden de zorgbelangen van [rechthebbende] onvoldoende beschermd met de door haar in het levenstestament gegeven volmacht aan [verzoeker] , die bovendien door zijn hoge leeftijd ook beperkt is in zijn vermogen om die belangen adequaat te behartigen. [verzoeker] houdt bij de vertegenwoordiging van [rechthebbende] haar belangen onvoldoende voor ogen en laat zijn persoonlijke belangen prevaleren.
5.4
De zoon en de dochter hebben tijdens de zitting verklaard dat het nu naar omstandigheden goed gaat met [rechthebbende] in haar nieuwe woonomgeving en dat zij willen dat de zorgbelangen van [rechthebbende] voortaan behartigd blijven door de mentor, die daartoe beter in staat is gebleken dan [verzoeker] .
Hoe oordeelt het hof?
5.5
Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat de door [rechthebbende] in het levenstestament opgenomen wens ten aanzien van het behartigen van haar belangen zoveel als mogelijk moet worden gerespecteerd. Het hof is echter in dit geval van oordeel dat een onafhankelijk mentorschap beter is in het belang van [rechthebbende] . Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. [verzoeker] en [rechthebbende] zijn in 2021 samen in een zorgappartement van de Zorgcombinatie gaan wonen. Door de Zorgcombinatie werd gezien dat de zorg voor [rechthebbende] , die steeds meer mentale klachten kreeg, voor [verzoeker] te zwaar werd. [verzoeker] ontkende de ernst van de situatie en weigerde toestemming te geven voor een door de Zorgcombinatie geadviseerde verhuizing van [rechthebbende] naar een meer beschermende locatie. [verzoeker] wilde alleen instemmen met een verhuizing van [rechthebbende] naar een locatie waar hij samen met haar zou kunnen wonen, wat volgens de Zorgcombinatie niet mogelijk is omdat zij niet dezelfde zorgindicatie hebben. Na een incident met [verzoeker] is [rechthebbende] overgeplaatst naar een crisisopvangplek. Omdat [verzoeker] bleef weigeren om toestemming te geven voor de definitieve verhuizing van [rechthebbende] naar een voor haar geschikte woonplek zag de Zorgcombinatie zich genoodzaakt om in het belang van [rechthebbende] een rechterlijke machtiging in het kader van de wet zorg en dwang (Wzd) te vragen voor die overplaatsing. Inmiddels is [rechthebbende] , mede dankzij het adequaat handelen van de mentor, in april 2025 verhuisd naar de psychogeriatrische afdeling [woonadres] in [woonplaats ] . Op grond van het voorgaande moet worden geconstateerd dat [verzoeker] onvoldoende in staat is om de zorgbehoeften van [rechthebbende] goed in te schatten, dat hij daarbij zijn eigen belangen vaak stelt boven die van [rechthebbende] , dat samenwerking en afstemming met hem over de zorg niet goed mogelijk is en dat hij emotioneel te betrokken is om objectief in het belang van [rechthebbende] te kunnen handelen. Door dit alles is [rechthebbende] lange tijd verstoken gebleven van de juiste zorg en de voor haar geschikte woonvoorziening. De machtiging op grond van het levenstestament voldeed niet aan de zorgbehoefte van [rechthebbende] .
Volgens de Zorgcombinatie, maar ook volgens de zoon en de dochter, gaat het naar omstandigheden goed met [rechthebbende] in haar huidige woonomgeving en is er tevredenheid over de werkwijze van de huidige mentor, die de noodzakelijke beslissingen, uitsluitend gericht op het welzijn van [rechthebbende] , tijdig en consistent neemt. Het hof acht het mentorschap in het belang van [rechthebbende] en ziet geen reden voor de benoeming van een andere mentor, nu niet is gebleken dat de huidige mentor haar taak niet goed uitoefent. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
5.6
Gelet op het familierechtelijk karakter van de procedure zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 maart 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, S. Kuijpers en A.T. Bol, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.