ECLI:NL:GHARL:2026:2015

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
200.365.137/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 15c FwArt. 349a FwArt. 1.2 onder b Recofa-richtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting faillissement naar wettelijke schuldsaneringsregeling met termijnverkorting

Op 2 mei 2024 werd het faillissement van appellant uitgesproken. Appellant verzocht bij de rechtbank om opheffing van het faillissement en gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank hechtte hieraan gevolg, maar wees het verzoek tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling af.

Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste besluit. Het hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk is, omdat het verzoek tot termijnverkorting niet onder het rechtsmiddelenverbod van artikel 15c Fw valt. Het hof onderzocht vervolgens de bevoegdheid van de toelatingsrechter om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verkorten en concludeerde dat deze bevoegdheid bestaat zonder verwijzing naar de rechter-commissaris.

Op basis van de Recofa-richtlijnen en de feiten dat appellant vanaf 1 september 2025 het meerdere boven het vrij te laten bedrag aan de faillissementsboedel heeft afgedragen, besloot het hof de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verkorten met circa vijf maanden. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de termijnverkorting betrof, en de nieuwe einddatum van de regeling werd vastgesteld op 12 maart 2027.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling toe en stelt de einddatum vast op 12 maart 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.365.137/01
(zaaknummer rechtbank [zaaknummer] )
arrest van 2 april 2026
inzake
[appellant]
die woont in [woonplaats]
saniet
hierna te noemen:
[appellant]
advocaat: mr. E.P. Groot, die kantoor houdt in Groningen

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

1.1
Op 2 mei 2024 is op eigen aangifte het faillissement van [appellant] uitgesproken, met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en mr. A.L.S. Verhoog tot curator.
1.2
[appellant] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De curator heeft laten weten het verzoek te ondersteunen.
1.3
In het vonnis van 12 februari 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het faillissement van [appellant] opgeheven en ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Het verzoek tot verkorting van de looptijd of een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 17 februari 2026, heeft [appellant] verzocht dit vonnis in zoverre te vernietigen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verkort, dan wel een eerdere ingangsdatum wordt bepaald.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van de curator, ontvangen door de griffie op 2 maart 2026.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook de curator is verschenen.

3.De beoordeling

3.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarbij het faillissement wordt opgeheven en gelijktijdig de toepassing van de Wsnp wordt uitgesproken (artikel 15b Faillissementswet (hierna: Fw)). Tegen een dergelijk vonnis kan in beginsel op grond van artikel 15c Fw geen hoger beroep worden ingesteld. De beoordeling van het verzoek tot termijnverkorting, zoals hier tegelijkertijd is gedaan, valt echter niet onder de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod. Een dergelijk verzoek wordt namelijk beheerst door titel III van de Faillissementswet en daarin is geen uitsluiting van rechtsmiddelen voor een dergelijke beslissing opgenomen. Dat betekent dat [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
3.2
Artikel 349a Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt. Uit de tekst van artikel 349a Fw volgt dat de rechter-commissaris bevoegd is de termijn van de schuldsaneringsregeling te verkorten. De vraag is of de rechter die een faillissement ‘omzet’ in een schuldsaneringsregeling daartoe ook bevoegd is. In de tweede volzin van artikel 349a lid 1 Fw staat dat de (toelatings)rechter de termijn, in afwijking van de eerste volzin, op ten hoogste drieënhalf halfjaar kan stellen als de aard van de schulden daartoe aanleiding geeft of de schuldenaar niet aan al zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Het hof is van oordeel dat een redelijke en met de behoeften van de praktijk strokende uitleg van artikel 349a lid 1 Fw meebrengt dat de toelatingsrechter de termijn van de schuldsaneringsregeling niet alleen kan verlengen maar ook kan verkorten en daarvoor niet hoeft te verwijzen naar een procedure bij de rechter-commissaris. [1]
3.3
Het hof neemt hierna artikel 1.2 onder b van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringszaken tot uitgangspunt. Daarin is vermeld dat de wettelijke termijn kan worden verkort als de schuldenaar in een faillissement voorafgaand aan de wettelijke schuldsaneringsregeling het meerdere boven het in de Wsnp geldende vrij te laten bedrag heeft afgedragen aan de boedel.
3.4
Uit de overgelegde stukken van de curator is gebleken dat [appellant] gedurende het faillissement vanaf 1 september 2025 volgens de Recofa-richtlijnen het meerdere boven het vrij te laten bedrag heeft afgedragen aan de faillissementsboedel. Gelet op deze omstandigheid ziet het hof reden om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verkorten met de periode van 1 september 2025 tot aan de omzetting, wat neerkomt op (afgerond) een verkorting van vijf maanden.
3.5
Het hof beslist als volgt.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 februari 2026, voor zover daarin is bepaald dat het verzoek om termijnverkorting wordt afgewezen;
bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling 13 maanden bedraagt en daarmee eindigt op 12 maart 2027.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, C.P. Lunter en E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026.

Voetnoten