Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2002

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
200.304.076/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige verwatering aandelen zonder waardeverlies

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of bestuurders van een stichting aansprakelijk zijn voor schade door verwatering van aandelen waarop een pandrecht rustte als zekerheid voor een lening. De verwatering ontstond door uitgifte van aandelen in ruil voor leningen die geen extra geld in de vennootschap brachten, waardoor de zekerheid onnodig werd verminderd.

Het hof stelde vast dat het handelen van de bestuurders onrechtmatig was omdat zij wisten of hadden moeten begrijpen dat de stichting haar verplichtingen jegens de leningverstrekker niet zou nakomen. De schade moest worden bepaald door vergelijking van de situatie met en zonder de verwatering.

Een deskundige onderzocht de waarde van de aandelen ten tijde van de verwatering en concludeerde dat de aandelenwaarde nihil was, mede door negatieve resultaten en schuldenpositie. Hierdoor kon geen schade worden vastgesteld. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, maar veroordeelde de bestuurders wel tot betaling van de proceskosten, omdat de onrechtmatigheid vaststond en de kosten dienden ter vaststelling van de schade.

Uitkomst: Bestuurders handelden onrechtmatig maar er is geen schade omdat aandelenwaarde nihil was; bestuurders veroordeeld tot proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.304.076/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 507178)
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant]

Die woont in [woonplaats1]
2. Black Forest Invest BV (BFI)
Dat is gevestigd in Amstelveen
hierna gezamenlijk te noemen:
[appellanten] c.s.
advocaat: mr. W.M.J. Ariëns
tegen

1.[geïntimeerde1]

Die woont in [woonplaats2]

2. Gooisch Invest BV

Dat is gevestigd in Laren

3. MID Healthcare BV (MID)

Dat is gevestigd in Amstelveen
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden] c.s.
advocaat: mr. B.P. van Overeem

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 30 april 2024 heeft de deskundige rapport uitgebracht. Hierna hebben beide partijen nog een akte genomen. Daarna heeft het hof opnieuw een datum voor het arrest vastgesteld.

2.De verdere beoordeling

Het beslissingen in de procedure tot dusverre
2.1
Het gaat in deze procedure in hoger beroep om de vraag of [appellanten] c.s. uit hoofde van toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad een vordering hebben op [geïntimeerden] en diens persoonlijke vennootschap, Gooisch Invest. Die schade zou het gevolg zijn van verwatering van de aandelen van MID, waarin partijen samen met de niet in deze procedure betrokken Nijlandia Holding NV (Nijlandia) participeerden. [appellant] , [geïntimeerde1] en Nijlandia bezaten ieder (indirect) een derde van de aandelen van MID.
2.2
De stichting Continuïteit MID Healthcare (de Stichting) hield die aandelen voor de persoonlijke vennootschap van [appellant] (BFI). [geïntimeerde1] was via Gooisch Invest bestuurder van de Stichting. De stichting had de aandelen gekocht van BFI en was de koopprijs van € 187.500 voor die aandelen aan BFI schuldig gebleven in de vorm van een lening van BFI. Ter verzekering van betaling van de koopprijs heeft BFI een pandrecht verkregen op de aandelen die de stichting voor haar hield in MID.
2.3
Gooisch Invest en Nijlandia hebben in 2016 ieder aan MID een lening verstrekt van € 375.000 die is omgezet in aandelenkapitaal. Gelijktijdig met deze omzetting is de nominale waarde van de aandelen op 5 april 2016 afgewaardeerd van € 1 naar € 0,05. Het aandelenbelang van de stichting (en dus van [appellant] via BFI) in MID is hierdoor verwaterd. [appellanten] c.s. houden [geïntimeerde1] en Gooisch Invest daarvoor verantwoordelijk.
2.4
Het hof heeft de conclusie getrokken dat de verwatering inderdaad het gevolg is van onrechtmatig handelen van Gooisch Invest en [geïntimeerden] , omdat met de leningen geen extra geld in de vennootschap is gevloeid waarover de vennootschap niet al de beschikking had en ook overigens niet is gebleken van een door derden geëiste herkapitalisatie of een andere reden die daartoe noopte. Het voorzienbare gevolg was echter wel de genoemde verwatering van de door de Stichting voor BFI gehouden aandelen in het kapitaal van MID, terwijl [geïntimeerden] c.s. zich goed bewust waren van de bedoelingen van de keuze van [appellant] om de aandelen van BFI in MID onder te brengen bij de Stichting en het belang van [appellanten] c.s. daarbij. In die situatie is het maatschappelijk onbetamelijk hem niet over de herkapitalisatie te informeren. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat [geïntimeerde1] en Gooisch Invest wisten, althans redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg zou hebben dat de stichting haar verplichtingen jegens [appellanten] c.s. niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
2.5
Die schade moet worden bepaald door een vergelijking te maken van de huidige situatie met de fictieve situatie waarin de aan [geïntimeerde1] en Gooisch Invest verweten gedragingen niet zouden hebben plaatsgevonden. [appellanten] c.s. zijn ervan uitgegaan dat de aandelen van MID ten tijde van de aandelenemissie en verwatering nog steeds een waarde van € 201.801 zouden hebben vertegenwoordigd. Daarmee zou BFI volgens hen bij de executie van het pandrecht op de door de stichting gehouden aandelen in MID tenminste een verkoopopbrengst van € 187.500,- hebben gerealiseerd in de fictieve situatie waarin de aan [geïntimeerde1] en Gooisch Invest verweten gedragingen niet zouden hebben plaatsgevonden.
2.6
Het hof kon op basis van de verschillende bevindingen van partijdeskundigen en de stellingen van partijen over en weer niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat de waarde van het door de stichting voor BFI gehouden aandelenpakket ten tijde van de aandelenemissie en verwatering daadwerkelijk was. Daarom is in het arrest van 10 oktober 2023 overwogen dat het hof behoefte had aan deskundige voorlichting.
2.7
In het arrest van 30 april 2024 is het hof overgegaan tot de benoeming van De heer [naam] RV RAB, Partner bij ValuePro Haarlem B.V. uit Haarlem. De deskundige is gevraagd of hij op basis van de beschikbare stukken de waarde kan bepalen van de aandelen in het kapitaal van MID ten tijde van de aandelenemissie en verwatering op 5 april 2016.
2.8
De deskundige heeft die vraag beantwoord in een rapport van 22 september 2025. Beide partijen hebben daar nog op kunnen reageren.
De beslissingen in dit arrest
2.9
De deskundige heeft voor het opstellen van zijn rapportage gebruikgemaakt van de advisering van een vastgoeddeskundige die de waarde van het onroerend goed aan het Belcampoplantsoen 1 in Amstelveen heeft bepaald. Bij zijn eigen waardering heeft hij verder gebruikgemaakt van de zogenoemde Market approach (en niet de income of asset/cost approach), omdat die naar zijn mening het beste aansluit bij de beschikbare informatie en economische realiteit van de onderneming. Zijn analyse heeft geresulteerd in een gemiddelde EBITDA-marge met een mediaan van 9,7%. De EBITDA-multiple voor tandartspraktijken ligt in de praktijk volgens hem doorgaans tussen 4 en 7 keer de genormaliseerde EBITDA. Deze EBITDA-multiples zijn gebaseerd op actuele en historische marktgegevens. Er zijn geen indicaties of ontwikkelingen bekend die erop wijzen dat de multiples in de periode 2013 tot en met 2015 significant anders waren. De deskundige acht in dit geval een multiple van maximaal 5 x EBITDA van toepassing. Hij baseert dat op de volgende uitgangspunten.
2.1
De geconsolideerde omzet van MID bedraagt ca. € 2 miljoen. De omzet in de periode 2014-2016 vertoont een dalende lijn. De omzet in de branche per behandelstoel bedraagt gemiddeld € 250.000 tot € 300.000. Dat betekent dat er 7 tot 8 behandelstoelen benodigd zijn voor de omzet van MID. Deze zijn verdeeld over 4 vestigingen. Het operationele resultaat is echter negatief. De andere vestigingen zijn dermate klein dat zij de omzet hebben voor een of twee behandelstoelen. Ook deze praktijken realiseren een negatief operationeel resultaat.
2.11
Om de ondernemingswaarde als percentage van de omzet te berekenen (de omzetmultiple), moet de EBITDA-marge worden vermenigvuldigd met de EBITDA-multiple, dus 9,7/100 x 5 = 48%.
2.12
Uit de jaarcijfers blijkt dat in 2015 een omzet van € 2.117.993 is gerealiseerd. Toepassing van de omzetmultiple leidt dan tot een ondernemingswaarde van € 1.019.460 (exclusief onroerend goed, waarvan de marktwaarde is getaxeerd op € 600.000 kosten koper).
2.13
Naast deze waardes wordt voor de bepaling van de economische waarde van de aandelen onder meer ook rekening gehouden met een schuldenpositie conform de balans van 2015 van - € 1.510,291. Als ook rekening wordt gehouden met een tekort van - € 100.000, een aandelenwaarde per 31 december 2015 van € 9.169 en het pro rato negatieve resultaat per 5 april 2016 (- € 28.872), komt de waarde per peildatum uit op - € 19.703. Omdat de waarde van aandelen niet negatief kan zijn, komt dit neer op een waarde van nihil.
2.14
De door de deskundige gevolgde redenering is navolgbaar. Het is het hof bovendien gebleken dat de deskundige de in de loop van het onderzoek opgestelde concepten voor commentaar aan partijen heeft voorgelegd – ook dat van de door hem ingeschakelde vastgoedadviseur. Hij is op die commentaren inhoudelijk ingegaan en heeft ook de rapportages van de partijdeskundigen ECFG ( [geïntimeerden] c.s.) en Aurea ( [appellanten] c.s.) in zijn beoordeling betrokken. [appellanten] c.s. hebben wel gesteld dat de deskundige ten onrechte voorbij is gegaan aan de bezwaren van haar deskundige tegen het conceptrapport, maar zij hebben die stelling verder niet toegelicht, terwijl de deskundige in zijn rapport die bezwaren gemotiveerd heeft weerlegd. Er is dan ook geen reden om aan de juistheid van de door de deskundige getrokken conclusie te twijfelen. [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de deskundige wel stelt dat de onderneming nog waarde had, maar dat dat niets zegt over de kans dat de onderneming nog weer winstgevend zou zijn geworden. Volgens [appellanten] c.s. volgt daaruit dat zij schade hebben geleden in de vorm van het verlies van een kans. [appellanten] c.s. hebben hun stellingen op dit onderdeel echter onvoldoende concreet uitgewerkt, zodat daaraan wordt voorbij gegaan. De conclusie is daarmee dat het hof er niet vanuit kan gaan dat [appellanten] c.s. schade hebben geleden als gevolg van (wanprestatie of) onrechtmatige gedragingen van [geïntimeerden] c.s. Dat betekent dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
2.15
Een uitzondering maakt het hof voor de kostenveroordeling. Omdat de onrechtmatigheid wel vaststaat en de kosten strekten tot vaststelling van de daardoor geleden schade, komen de proceskosten voor rekening van [geïntimeerden] c.s. als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen. Het hof volgt de rechtbank in het daarbij te hanteren tarief.
2.16
Onder de kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak, alsmede de kosten van de deskundige. Uit het voorgaande blijkt immers dat het redelijk was deze kosten te maken. Dat de rekening van de deskundige op zichzelf ook redelijk is, staat niet ter discussie. [geïntimeerden] c.s. zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat [appellanten] c.s. uit hoofde van het bestreden vonnis aan hen hebben voldaan.

3.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad van 8 september 2021, behoudens waar [appellanten] c.s. onder 5.3 en 5.4 in de proceskosten zijn veroordeeld en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Vernietigt dit vonnis in zoverre en beslist in plaats daarvan het volgende.
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot vergoeding aan [appellanten] c.s. van € 19.118 aan kosten van de deskundigen [1] ;
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan [appellanten] c.s. van € 4.214,38 aan overige procedurele kosten tot aan de beslissing van de rechtbank;
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan [appellanten] c.s. van € 956 aan salaris van de advocaat tot aan de beslissing van de rechtbank (2 punten. Nu de schade op nihil wordt begroot, gaat het hof uit van tarief € 478);
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan [appellanten] c.s. van de volgende proceskosten in hoger beroep, met inbegrip van de kosten van het incident:
€ 5.905,56 aan procedurele kosten;
€ 2.574,00 aan salaris van de advocaat van [appellanten] c.s. (3 punten tarief I 2026);
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot terugbetaling van € 5.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2021;
verklaart deze uitspraak ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, O.E. Mulder en M. Wolters en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
31 maart 2026.

Voetnoten

1.Het saldo van het door [appellanten] c.s. betaalde voorschot van de door het hof benoemde deskundige van € 17.303 (overeenkomstig de eindnota) en de helft van de door hen betaalde nota van de vastgoeddeskundige van € 1.815 (3.630/2).