ECLI:NL:GHARL:2026:2

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.356.524/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake omgangsregeling tussen vader en dochter met betrekking tot de belangen van de minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn dochter, geboren in 2020. De vader, die in hoger beroep is gegaan, verzoekt om een uitbreiding van de omgangsregeling, waarbij hij elke twee weken op zondagmiddag van 12.00 tot 18.00 uur met zijn dochter wil omgaan. De huidige regeling, vastgesteld door de rechtbank Noord-Nederland, staat de vader echter slechts eens per drie weken gedurende twee uur omgang toe, met begeleiding van de gecertificeerde instelling (GI). De GI heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader en vraagt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft in zijn overwegingen de belangen van de minderjarige vooropgesteld. De minderjarige is onder toezicht gesteld en is na haar geboorte uit huis geplaatst. De omgang met de vader verloopt goed, maar de minderjarige heeft behoefte aan de aanwezigheid van haar pleegouders tijdens deze momenten. Het hof heeft begrip voor de wens van de vader om meer tijd met zijn dochter door te brengen, maar heeft besloten de bestaande regeling in stand te houden. Het hof benadrukt dat de verdere opbouw van de omgang zorgvuldig gemonitord moet worden, rekening houdend met de ontwikkeling en behoeften van de minderjarige. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd, en het verzoek van de vader wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.524/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 231867)
beschikking van 6 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. K.B. Spoelstra te Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
die is gevestigd in Groningen,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbende(n) is/zijn aangemerkt:
[belanghebbenden](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 mei 2024, 11 september 2024 en 4 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 4 april 2025 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 27 juni 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 16 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een brief van de raad van 25 augustus 2025, waarin hij zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de vader van 14 november 2025 met bijlage(n);
- een bericht van de GI van 26 november 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de vader met zijn advocaat, de pleegvader en een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1.
[minderjarige] is [in] 2020 geboren uit de affectieve relatie tussen de vader en [naam1] (de moeder). De moeder oefende eenhoofdig het gezag uit. De vader heeft [minderjarige] met vervangende toestemming erkend.
3.2.
[minderjarige] is vóór haar geboorte, [in] 2020, onder toezicht gesteld. Op de dag van haar geboorte is [minderjarige] uit huis geplaatst. Op 15 september 2023 is het gezag van de moeder beëindigd en de GI benoemd tot voogd van [minderjarige] . De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarmee ook geëindigd.

4.De omvang van het geschil

4.1.
In deze zaak gaat het over de invulling van het recht op omgang van de vader met [minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat:
  • de vader eens per drie weken gedurende twee uur omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de omgang – zo lang de GI dat noodzakelijk vindt – wordt begeleid;
  • er onder de regie van de GI binnen drie maanden moet worden toegewerkt naar uitbreiding van de duur van de omgang naar drie uur per keer.
4.2.
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog een omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader omgang heeft met [minderjarige] gedurende één zondagmiddag van 12.00 uur tot 18.00 uur per twee weken, waarbij de pleegouders [minderjarige] brengen en halen.
4.3.
De GI voert verweer. Zij vraagt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
In 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling vast stelt over de uitoefening van het omgangsrecht dan wel het recht op omgang ontzegt.
5.2.
Het hof heeft begrip voor de wens van de vader om vaker en langer omgang te hebben met [minderjarige] , maar zal de beslissing van de rechtbank in stand laten en dus zijn verzoek afwijzen. Het hof legt hierna uit waarom.
5.3.
De vader had, voordat hij bij de rechtbank zijn verzoek indiende, twee uur per drie weken omgang met [minderjarige] . Deze omgangsmomenten werden begeleid door de pleegvader. Na de eerste (tussen)beslissing van de rechtbank worden de omgangsmomenten begeleid door [naam2] ; de pleegvader blijft in het belang van [minderjarige] ook aanwezig. Sinds de uitspraak van de rechtbank op 4 april 2025 zijn er verschillende stappen gezet in het opbouwen van de omgang tussen [minderjarige] en de vader. De omgang is uitgebreid van twee naar drie uur. Daarnaast wordt er gestructureerd gewerkt aan een grotere mate van afwezigheid van de pleegvader tijdens de omgang. Uit de omgangsverslagen blijkt dat de omgang in de huidige vorm goed verloopt.
5.4.
Om de bestaande omgangsregeling verder uit te kunnen breiden moet rekening gehouden worden met verschillende factoren.
De vader brengt het liefst zo veel mogelijk tijd met zijn dochter door. In verband met zijn werk doet hij dit bij voorkeur in het weekend, het liefst op zondag.
De omgang moet echter ook in het belang van [minderjarige] zijn. Zij vindt de omgang met de vader leuk, maar heeft op dit moment nog een sterke behoefte om altijd een van haar pleegouders – die haar primaire hechtingspersonen zijn – in de buurt te hebben, ook tijdens de omgang met haar vader. De pleegvader mag nu bijvoorbeeld tijdens zo’n omgangsmoment best even een boodschap doen maar niet té lang wegblijven.
Verder is het onderzoek naar de traumaklachten van [minderjarige] gestart. Behandeling kan, indien nodig, aansluitend beginnen. Hoewel de vader heeft aangegeven zelf de traumaklachten bij [minderjarige] niet te herkennen, vindt het hof het wel in het belang van [minderjarige] dat onderzoek wordt gedaan en dat – als blijkt dat er sprake is van trauma – behandeling volgt.
[minderjarige] zal bovendien binnenkort beginnen met zwemles en naarmate ze ouder wordt zal haar sociale omgeving, met vriendjes, vriendinnetjes, school en sport steeds groter worden.
Er gebeurt dus momenteel veel in het jonge leven van [minderjarige] wat maakt dat een verdere terugtrekking van begeleiding, en uitbreiding van omgang zorgvuldig gemonitord moet worden. Voor [minderjarige] is het namelijk belangrijk dat haar belangen en behoeftes het tempo bepalen, ook al wil de vader zelf graag dat het sneller gaat.
5.5.
Omdat het gezien de verschillende factoren waarmee rekening moet worden gehouden voor [minderjarige] niet mogelijk is om nu al een vaste stip op de horizon te zetten, zal het hof het verzoek van de vader afwijzen en de verdere opbouw van de omgang onder de regie van de GI laten. Een passend toekomstperspectief lijkt daarbij het stapsgewijs toewerken naar (a) om de week (b) een dagdeel (c) op zaterdag (d) onbegeleide omgang. Hoewel de vader de voorkeur heeft voor de zondag is in het pleeggezin de zondag de familiedag en is de zaterdag de dag in het weekend dat ook andere pleegkinderen in het gezin omgangsmomenten hebben. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij de structuur van het gezin waarin ze opgroeit volgt.
Verder is het aan de GI om te bepalen en te regelen welk van deze vier aspecten op welk moment aan bod komt en met de pleegouders en de vader te blijven communiceren over het verloop van dit proces.
5.6.
Uit de stukken en wat er op de zitting is besproken blijkt dat zowel de GI als het pleeggezin het belangrijk vinden dat omgang plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader en dat zij doen wat nodig is om dit te bevorderen. Het hof heeft het vertrouwen dat zij zullen blijven meewerken aan een uitbreiding van de omgang, wanneer en zolang dat in het belang van [minderjarige] is.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 4 april 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.B. Kamminga, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. M.A.F. Veenstra bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 6 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.