In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn dochter, geboren in 2020. De vader, die in hoger beroep is gegaan, verzoekt om een uitbreiding van de omgangsregeling, waarbij hij elke twee weken op zondagmiddag van 12.00 tot 18.00 uur met zijn dochter wil omgaan. De huidige regeling, vastgesteld door de rechtbank Noord-Nederland, staat de vader echter slechts eens per drie weken gedurende twee uur omgang toe, met begeleiding van de gecertificeerde instelling (GI). De GI heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader en vraagt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof heeft in zijn overwegingen de belangen van de minderjarige vooropgesteld. De minderjarige is onder toezicht gesteld en is na haar geboorte uit huis geplaatst. De omgang met de vader verloopt goed, maar de minderjarige heeft behoefte aan de aanwezigheid van haar pleegouders tijdens deze momenten. Het hof heeft begrip voor de wens van de vader om meer tijd met zijn dochter door te brengen, maar heeft besloten de bestaande regeling in stand te houden. Het hof benadrukt dat de verdere opbouw van de omgang zorgvuldig gemonitord moet worden, rekening houdend met de ontwikkeling en behoeften van de minderjarige. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd, en het verzoek van de vader wordt afgewezen.