De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter, die sinds haar geboorte onder toezicht staat en uit huis is geplaatst. De moeder oefende het gezag uit, maar dit is beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) is benoemd tot voogd.
De rechtbank had bepaald dat de vader eens per drie weken gedurende twee uur omgang heeft met de dochter, begeleid door de GI, met een streven naar uitbreiding naar drie uur. De vader verzocht in hoger beroep om een uitbreiding naar één zondagmiddag per twee weken van 12.00 tot 18.00 uur, waarbij de pleegouders de dochter brengen en halen.
Het hof heeft het verzoek van de vader afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof motiveert dat de omgang goed verloopt, maar dat uitbreiding zorgvuldig moet gebeuren vanwege de hechting van de dochter aan haar pleegouders, haar traumaklachten en haar sociale ontwikkeling. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat de GI de regie houdt over de opbouw van de omgang.
Het hof stelt een toekomstperspectief voor van stapsgewijze uitbreiding naar om de week een dagdeel op zaterdag, onbegeleide omgang, waarbij de structuur van het pleeggezin en het belang van de minderjarige leidend zijn. De GI en het pleeggezin tonen bereidheid tot medewerking aan uitbreiding zolang dit in het belang van de minderjarige is.