Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1997

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
21-001532-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen ontnemingsbeslissing rechtbank

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen de ontnemingsbeslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Tijdens de zitting van het hof op 18 maart 2026 gaf betrokkene aan zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank niet langer te handhaven.

De advocaat-generaal verzocht het hof betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof nam dit verzoek over, omdat er geen redenen waren voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Het hof verklaarde betrokkene daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en bevestigde daarmee de ontnemingsbeslissing van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan op 1 april 2026 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de ontnemingsbeslissing van de rechtbank.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001532-25
Uitspraakdatum: 1 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 19 december 2022 met parketnummer 18-136663-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 18 maart 2026 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van betrokkene in zijn hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn (waarnemend) raadsvrouw, mr. H.L.P. Fauser, hebben aangevoerd, te weten dat betrokkene heeft aangegeven zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank niet langer te handhaven.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Betrokkene heeft geen bezwaren opgegeven tegen de ontnemingsbeslissing van de rechtbank. Het hof ziet, mede gelet op het feit dat betrokkene op de zitting van het hof heeft aangegeven de aanvankelijk aangevoerde bezwaren tegen die beslissing niet te handhaven, zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep noodzakelijk maken. Het hof verklaart betrokkene daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. L.T. Wemes en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 april 2026.