Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1991

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
21-000076-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de ontnemingsvordering tegen verdachte behandeld, die was veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in meerdere kwekerijen in Duitsland en Nederland.

De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €77.175,43, maar het hof vernietigde deze beslissing en deed opnieuw recht. Het openbaar ministerie had aanvankelijk een veel hoger bedrag gevorderd, maar in hoger beroep werd het bedrag vastgesteld op €28.929,67.

Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op standaardrapporten van het Functioneel Parket en het bewijs uit het onderliggende strafproces, waaronder berichtenverkeer via beveiligde communicatiediensten en politieonderzoeken in verschillende kwekerijen.

Verdachte had een ondergeschikte rol en werd geacht per oogst een vergoeding te hebben ontvangen, niet te hebben meegeprofiteerd van de winst. Het hof stelde het voordeel vast op €20.000 voor de kwekerij in [plaats 1], €5.000 voor de kwekerij in [plaats 2] en €3.929,67 voor de hennepstekkerij in [plaats 4].

Hoewel sprake was van een lichte overschrijding van de redelijke termijn, werd dit slechts geconstateerd zonder verdere sancties. De betalingsverplichting aan de Staat werd opgelegd voor het vastgestelde bedrag van €28.929,67.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €28.929,67 en legt betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000076-24
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2023 met parketnummer 18-335317-21 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 16 februari 2026, 19 februari 2026 en 3 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de [verdachte] door zijn raadsman, mr. E. van Reydt, is aangevoerd.

De beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 22 december 2023 het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 77.175,43 en heeft aan [verdachte] de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 77.175,43.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 739.374,32, maar heeft dit ter zitting van de rechtbank verlaagd naar € 510.243,56. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan [verdachte] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 77.175,43 en dat [verdachte] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het te ontnemen bedrag fors gematigd dient te worden. Het deel van de opbrengst van de Duitse hennepkwekerijen dat aan [verdachte] wordt toebedeeld is veel te groot. [verdachte] heeft slechts een ondergeschikte rol en beperkt aandeel hierin gehad. Zijn verdiensten liggen meer in de lijn van de verdiensten van een knipper, welke verdiensten worden geschat op € 250,00 per dag. Uitgaande van in totaal 24 knipdagen in de Duitse kwekerijen [plaats 1] en [plaats 2] is het voordeel van [verdachte] vanuit de Duitse kwekerijen in totaal € 6.000,00.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er rekening mee moet worden gehouden bij hoeveel oogsten [verdachte] daadwerkelijk betrokken is geweest. In [plaats 1] is dat bij 2 oogsten en in [plaats 2] bij 1 oogst. In [plaats 3] heeft hij niets verdiend, want daar moest hij vluchten voor de politie. Als dan een aandeel van 5% aan [verdachte] wordt toebedeeld, resulteert dit in een voordeel van € 13.443,11 van de kwekerij in [plaats 1] en € 8.846,85 van de kwekerij in [plaats 2] .
Ten aanzien van de opbrengsten van de kwekerij in [plaats 4] verenigt de verdediging zich met de berekening van de rechtbank, namelijk dat [verdachte] daarmee € 3.929,00 heeft verdiend.
Concluderend bepleit de verdediging primair het wederrechtelijk voordeel te schatten op
€ 9.929,00 (€ 6.000,00 dagvergoedingen + € 3.929,00 [plaats 4] ). In verband met de overschrijding van de redelijke termijn moet de betalingsverplichting worden bepaald op
€ 9.000,00.
Subsidiair bepleit de verdediging het wederechtelijk voordeel te schatten op € 26.218,96 (€ 13.443,11 [plaats 1] + € 8.846,85 [plaats 2] + € 3.929,00 [plaats 4] ).
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn moet de betalingsverplichting subsidiair worden bepaald op 22.500,00.
Feiten waarop de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd
[verdachte] is bij arrest van dit hof op 3 april 2026 veroordeeld tot straf voor:
  • medeplegen van hennepteelt in de periode van eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021 te [plaats 1] (Duitsland) en in Nederland (feit 1);
  • medeplegen van hennepteelt in de periode van januari 2022 tot en met 7 februari 2022 te [plaats 2] (Duitsland) en in Nederland (feit 2);
  • medeplegen van het bewerken van hennep op 21 mei 2021 te [plaats 3] (Duitsland) en in Nederland (feit 3);
  • medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 4] (feit 4)
  • medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 april 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 5] (feit 5).
Uit het dossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen van de feiten 1, 2 en 4 financieel voordeel heeft genoten. Uit het bewezenverklaarde handelen van de feiten 3 en 5 is niet gebleken van financieel voordeel voor [verdachte] .
Bewijsmiddelen
Met betrekking tot het door [verdachte] verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel
gebruikt het hof de volgende bewijsmiddelen:
  • de in het arrest van de meervoudige strafkamer van dit hof van 3 april 2026 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht ( [adres 1] ) d.d. 22 maart 2022;
  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht ( [adres 2] ) d.d. 10 oktober 2022;
  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepstekkerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht ( [adres 3] ) d.d. 21 oktober 2022.
Berekening
Het hof gaat bij de schatting van de opbrengst en de kosten van de hennepteelt, evenals het openbaar ministerie, uit van de standaardberekeningen beschreven in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016, tenzij door het hof anders is aangegeven.

Hennepkwekerij [plaats 1]

Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie binnen in een loods aan de [adres 1] . De politie treft daar enkel pallets met hennepgerelateerde goederen aan. Echter, uit het onderzoek - en dan met name uit het onderzoek aan het berichtenverkeer via de beveiligde communicatiediensten EncroChat en Sky ECC - is gebleken dat hier een hennepkwekerij heeft gezeten. Op 27 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 1] via Sky ECC naar [medeverdachte 2] een aantal foto’s met de tekst “de eerste is klaar”. Op de foto’s - die overeenkomsten vertonen met de loods aan [adres 1] - zijn rijen met potten te zien.
De bewezenverklaarde hennepkweekperiode is vanaf eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021. Uit de bewijsmiddelen in het onderliggende arrest blijkt dat [verdachte] vanaf het begin zelf bezig is geweest in deze kwekerij. Dit betreft een periode van 51 weken. Uitgaande van een kweekcyclus van tien weken zouden er dus maximaal 5 oogsten geweest kunnen zijn. In het voordeel van [verdachte] gaat het hof uit van 4 oogsten.
Het hof heeft in het onderliggende arrest in de hoofdzaak vastgesteld dat [verdachte] meerdere keren in de hennepkwekerij in [plaats 1] is geweest en dat hij daar ook diverse werkzaamheden heeft verricht. Hij heeft meer gedaan dan alleen hennep knippen, maar was niet zodanig betrokken dat hij meedeelde in de winst van de kwekerij. Het hof gaat er vanuit dat [verdachte] per oogst werd betaald voor zijn werkzaamheden en schat zijn verdiensten op
€ 5.000,00 per oogst.
Uitgaande van 4 oogsten heeft [verdachte] € 20.000,00 wederrechtelijk voordeel verkregen van de hennepkwekerij in [plaats 1] .

Hennepkwekerij [plaats 2]

Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie binnen in een pand aan [adres 2] . De politie treft hier een hennepkwekerij aan.
Op basis van de bewijsmiddelen in het onderliggende arrest stelt het hof vast dat [verdachte] vanaf januari 2022 in de hennepkwekerij in [plaats 2] aan het werk is geweest. Hij is bij tenminste 1 oogst betrokken geweest. Hij heeft ook in deze kwekerij meer gedaan dan alleen hennep knippen, maar was niet zodanig betrokken dat hij meedeelde in de winst van de kwekerij. Het hof gaat er vanuit dat [verdachte] per oogst werd betaald voor zijn werkzaamheden en schat zijn verdiensten voor deze periode op € 5.000,00.
Uitgaande van 1 oogst heeft [verdachte] € 5.000,00 wederrechtelijk voordeel verkregen van de hennepkwekerij in [plaats 2] .

Hennepstekkerij [plaats 4]

Op 12 juli 2022 is de politie binnengetreden in het perceel aan [adres 3] . Daar treft de politie een hennepkwekerij met 259 hennepplanten en een knipruimte waar de stekken gemaakt worden. [1] [verdachte] heeft bekend dat hij bij de hennepstekkerij betrokken is geweest. [2]
Van de 259 moederplanten zijn steekproefsgewijs vijf moederplanten geteld op het aantal knipwonden. Afgerond naar beneden kwam dit uit op een gemiddelde van 38 knipwonden per plant. Rekening houdend met een uitvalpercentage van 20% wordt vastgesteld dat er in totaal 7.873 hennepstekken zijn opgekweekt.
38 knipwonden x 259 moederplanten = 9.842 knipwonden
20% uitvalpercentage van 9.842 = 1.969 (afgerond naar boven)
Totaal aantal knipwonden = 7.873
Volgens de notities hennepstekkerij bedraagt de inkoopprijs van een hennepstek € 3,81 (voor de gebruiker). Ervan uitgaande dat de hennepstekkenkweker verkoopt aan de tussenhandel, die de hennepstekken voor het dubbele aan de klant verkoopt, wordt uitgegaan van een verkoopprijs van € 1,90.
De totale opbrengst is dan € 14.958,00 (7873 x € 1,90).
Uit het onderzoek is niet gebleken hoeveel de variabele kosten per hennepstek bedragen. Volgens de notities hennepstekkerij kunnen de variabele kosten gesteld worden op € 0,20 per verkochte hennepstek. De overige kosten zijn omgerekend per verkochte hennepstek heel laag, in totaal € 0,037 per hennepstek. Inclusief de hiervoor genoemde variabele kosten van € 0,20 per hennepstek is een totale kostenpost € 0,25 per hennepstek aannemelijk. Uit de verklaring van de bewoonster bleek dat zij in totaal € 1.200,00 heeft ontvangen als vergoeding voor de hennepstekkerij bij haar in de woning. De totale kosten huisvesting bedroegen derhalve € 1.200,00.
Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op:
Bruto opbrengst 7873 verkochte hennepstekken x € 1.90
€ 14.958,00
Totale kosten 7873 verkochte hennepstekken x € 0.25
- € 1.969,00
Kosten huisvesting (betaald aan de bewoonster)
- € 1.200,00
Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 11.789,00
De hennepkwekerij werd opgebouwd en onderhouden door [verdachte] en twee anderen. Zij hebben geen verklaring afgelegd omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof ziet ook geen aanleiding om uit te gaan van een andere verdeling dan een pondspondsgewijze toerekening. [verdachte] heeft met deze hennepstekkerij dus
€ 3.929,67(€ 11.789,00 / 3) verdiend.

Totaal

Dit leidt tot vaststelling van het door [verdachte] genoten wederrechtelijk voordeel als volgt:
Hennepkwekerij [plaats 1]
€ 20.000,00
Hennepkwekerij [plaats 2]
€ 5.000,00
Hennepkwekerij [plaats 4]
€ 3.929,67
Totaal
€ 28.929,67

Verplichting tot betaling aan de Staat

Er is geen aanleiding tot vermindering van de betalingsverplichting.
Er is in de appèlfase wel sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof volstaat, gelet op de relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn (circa drie maanden), met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van Pro het EVRM.
Aan [verdachte] dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, daarom de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 28.929,67.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
28.929,67 (achtentwintigduizend negenhonderdnegenentwintig euro en zevenenzestig cent).
Legt de [verdachte] de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 28.929,67 (achtentwintigduizend negenhonderdnegenentwintig euro en zevenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
289 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. M.C. van Linde en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 april 2026.

Voetnoten

1.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2022, opgenomen op pagina 182 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2022030909 d.d. 24 september 2022, inhoudend het relaas van verbalisant.
2.Proces-verbaal zitting van de rechtbank op 13 november 2023.