Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1975

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.356.395/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie na echtscheiding met herberekening draagkracht en behoefte

Na ontbinding van het huwelijk van de ouders in 2022 wonen de drie minderjarige kinderen bij de moeder, met een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend bij de vader zijn. De rechtbank had de kinderalimentatie vastgesteld op € 279,- per maand vanaf oktober 2023 en € 683,- vanaf februari 2025. De vader ging in hoger beroep tegen de zorgregeling en alimentatie, maar trok het zorgverzoek in en verzocht de alimentatie vast te stellen op het mediatorbedrag met indexering.

Het hof herberekende de behoefte van de kinderen op basis van het hogere netto besteedbare inkomen (NBI) van de vader in 2024 (€ 3.612 per maand), inclusief salaris en winst uit onderneming, en gebruikte de Nibud-tabellen. De behoefte werd vastgesteld op € 937,- per maand in 2025. De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op € 155,- en die van de vader op € 877,- per maand, uitgaande van zijn verdiencapaciteit gelijk aan het inkomen in 2024, omdat hij onvoldoende stukken over 2025 had aangeleverd.

De zorgkorting van 25% werd toegepast conform de zorgregeling. Het hof bepaalde dat de vader vanaf 1 februari 2025 € 561,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen, oplopend naar € 585,- per maand vanaf 1 januari 2026. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op € 561,- per maand vanaf 1 februari 2025, met indexering vanaf 2026, en wijzigt de eerdere beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.395/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 570880)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. R. Croes-Bleijendaal te Heerhugowaard.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 juni 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 18 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- de brief van de raad van 20 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de moeder van 27 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 29 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 9 februari 2026 met bijlage(n).
2.2.
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven
over dat onderdeel van het verzoek dat betrekking heeft op de zorgregeling. Hij heeft
hiervan geen gebruik gemaakt.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.
Ter zitting heeft de advocaat van de vader mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die hij heeft overgelegd.

3.De feiten

3.1.
Het huwelijk van de ouders is op 17 oktober 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De ouders hebben drie kinderen:
  • [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), geboren [in] 2017;
  • [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ), geboren [in] 2019; en
  • [de minderjarige3] ( [de minderjarige3] ), geboren [in] 2021.
3.2.
Sinds het eindigen van de relatie van de ouders wonen de kinderen bij de moeder. In het bij de echtscheiding opgestelde ouderschapsplan is, voor zover hier van belang, een zorgregeling afgesproken waarbij de kinderen drie van de vier weekenden per maand bij de vader zijn. Ook is afgesproken dat de vader een bedrag van € 50,- per maand aan kinderalimentatie betaalt aan de moeder.
3.3.
In september 2023 zijn via een mediator nieuwe afspraken gemaakt. Afgesproken is dat de kinderen voortaan om het weekend bij de vader zijn en er is een nieuw alimentatiebedrag afgesproken van € 279,- per maand.

4.Het geschil

4.1.
De rechtbank heeft in de thans bestreden beschikking van 24 maart 2025, voor zover hier van belang, de overeengekomen zorgregeling gewijzigd en beslist dat de vader vanaf 1 oktober 2023 een bedrag van € 279,- per maand en vanaf 1 februari 2025 een bedrag van € 683,- per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
4.2.
De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de zorgregeling. De tweede en derde grief zien op de aan de moeder te betalen kinderalimentatie en op de draagkracht van de vader. Hij verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen, een andere zorgregeling vast te stellen en de kinderalimentatie op nihil te stellen, dan wel een kinderalimentatie vast te stellen rekening houdend met zijn juiste inkomen en met zijn werkelijke woonlasten. Ter zitting heeft de vader zijn verzoeken gewijzigd op de wijze zoals hierna is opgenomen.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen. Zij verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten.

5.De overwegingen voor de beslissing

Zorgregeling
5.1.
De vader heeft ter zitting zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling ingetrokken, zodat het hof daar niet meer over hoeft te beslissen.
Kinderalimentatie
5.2.
De vader heeft ter zitting zijn verzoek aangepast in die zin dat hij het hof verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen op het destijds bij de mediator overeengekomen bedrag (€ 279,- in 2023), met inachtneming van de wettelijke indexering.
5.3.
Er is geen grief opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Ingangsdatum
5.4.
Niet in geschil is dat de vader vanaf 1 oktober 2023 € 279,- per maand kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen en dat de vader dit ook heeft betaald.
5.5.
Tegen de door de rechtbank bepaalde datum van 1 februari 2025 voor een vanaf dan te wijzigen kinderalimentatie is geen grief gericht, zodat het hof, net als de rechtbank, bij de beoordeling zal uitgaan deze datum.
Aanhechten draagkrachtberekeningen
5.6.
Het hof neemt de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt. Het hof zal de berekeningen aan deze beschikking hechten.
Hoogte behoefte kinderen
5.7.
Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de kinderen. De vader is van mening dat de grondslag voor het vaststellen van de behoefte moet liggen in het laatste gezamenlijke gezinsinkomen in 2022, van € 2.680,- per maand. Hieruit volgt een behoefte van € 612,- per maand, in 2025 geïndexeerd naar € 716,-. De moeder voert aan dat het actuele inkomen van de vader gebruikt moet worden voor een herberekening van de behoefte van de kinderen, omdat dit het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie overstijgt.
5.8.
Het hof zal, net als de rechtbank, bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uitgaan van het hogere inkomen van de vader in 2024. Het hof volgt hierin de aanbevelingen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven.
5.9.
Ter vaststelling van het netto besteedbare inkomen (NBI) van de vader zal het hof uitgaan van het in 2024 door hem verdiende salaris bij de NS. Hiervoor gebruikt het hof de salarisspecificatie van de NS van oktober 2024. Dit is de laatste representatieve specificatie, omdat de vader daarna uit dienst is gegaan. Het hof gaat uit van een inkomen van € 3.288,80 bruto per maand. Verder wordt rekening gehouden met 8% vakantiegeld, een decemberuitkering, onregelmatigheidsvergoedingen, derving SAV, bonus 40 uur werken en premies (WN-premie PAWW, WN-premie WGA, werknemerspremie pensioen, werknemerspremie ANW-hiaat en WGA hiaat extra verzekering).
5.10.
Daarnaast zal het hof, omdat de vader in 2024 ook inkomen had uit zijn onderneming, uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming in 2023 (€ 8.320,-) en 2024 (€ 25.714,-). Dit komt neer op € 17.017,- per jaar.
Het hof acht dit bedrag passend, omdat het duidelijk is dat de inkomsten van de vader uit zijn onderneming weliswaar structureel van aard zijn, maar in hoogte kunnen wisselen, afhankelijk van externe invloeden. Het hof acht het daarom niet passend om 2022 als derde jaar bij de vergelijking te betrekken, omdat dat jaar niet representatief wordt geacht vanwege corona-restricties die het resultaat in negatieve zin hebben beïnvloed. Het inkomen over 2025 is door de vader onvoldoende onderbouwd en kan om die reden niet worden meegenomen.
5.11.
Op grond van de als bijlage 1 aangehechte berekening becijfert het hof het NBI van de vader op € 3.612,- in 2024. Het hof heeft bij de berekening daarvan geen rekening gehouden met een zelfstandigenaftrek omdat de vader dat in zijn berekening evenmin heeft gedaan en niet is gebleken dat hij daarvoor in aanmerking komt. Dit bedrag is zodanig hoger dan het eerdere gezamenlijke gezinsinkomen van € 2.680,- per maand dat het hof het gerechtvaardigd acht de behoefte van de kinderen opnieuw vast te stellen. Daarvoor maakt het hof gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit de tabellen volgt dat ouders van drie kinderen in 2024 bij een besteedbaar inkomen van € 3.612,- een eigen aandeel in de kosten van hun kinderen hadden van € 880,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 937,-.
Draagkracht van de ouders
5.12.
De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht te voorzien in de behoefte van de kinderen. Gelet op de hiervoor onder 5.5 genoemde ingangsdatum van de wijziging zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 1 februari 2025.
Draagkracht van de moeder
5.13.
De vader stelt dat voor de moeder uit moet worden gegaan van een (niet nader uitgewerkte) verdiencapaciteit en dat hij vermoedt dat zij zwart werkt. Door de vader wordt deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het in het geding brengen van een reeks foto’s die suggereren dat de moeder regelmatig op vakantie is, is daartoe onvoldoende. Het hof gaat daarom aan dit verweer voorbij. Uit de door de moeder aangeleverde stukken blijkt dat zij een WIA-uitkering met toeslagen ontvangt. In 2025 betrof dit, uitgaande van een betaalspecificatie van het UWV van november 2025 € 1.474,44 bruto per maand. Inclusief vakantietoeslag, kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop is dit een NBI voor de moeder van € 2.188,-. De draagkracht van de moeder is bij dit NBI € 155,- per maand, zoals volgt uit de als bijlage 2 aangehechte berekening.
Draagkracht van de vader
5.14.
Op de vader rust een inspanningsverplichting om ervoor te zorgen dat hij een zodanig inkomen verdient dat hij daarmee aan zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen kan voldoen. Daarbij geldt dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat de onderhoudsplichtige daadwerkelijk verwerft, maar dat daarbij ook rekening dient te worden gehouden met het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven, ofwel de verdiencapaciteit.
Door de vader is gesteld, maar niet met stukken onderbouwd, dat hij gedurende 2025 niet kon werken omdat hij ziek zou zijn. Ook heeft hij niet aangetoond welke inspanningen hij doet om opnieuw werk te vinden. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn stellingen ten aanzien van zijn inkomen na 2024 te onderbouwen met stukken. Dat heeft hij nagelaten. De stukken die de vader heeft overgelegd leiden niet tot een compleet en verifieerbaar beeld van zijn inkomsten. Dit leidt ertoe dat het hof het huidige inkomen van de vader niet kan vaststellen en dus een verdiencapaciteit zal bepalen.
Het hof zal voor de draagkracht van de vader vanaf 2025 uitgaan van een verdiencapaciteit gelijk aan zijn inkomen uit 2024. Het is het hof niet gebleken dat de bedragen uit 2024 zodanig hoog zijn dat van de vader in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij een dergelijk inkomen opnieuw kan verwerven.
Met verwijzing naar de als bijlage 3 aangehechte berekening levert dit in 2025 voor de vader een NBI op van € 3.662,- en een draagkracht van € 877,- per maand.
5.15.
Het hof ziet, anders dan de vader wenst, geen aanleiding om af te wijken van het berekende woonbudget van € 1.099,-. In het Rapport alimentatienormen 2025 van de Expertgroep Alimentatie blijkt uit paragraaf 4.2.2.4 dat er rekening gehouden kan worden met duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten bij een onderhoudsplichtige, als die lasten niet vermijdbaar zijn en niet aan de onderhoudsplichtige kunnen worden verweten. In paragraaf 4.6.2 van het rapport wordt dit nader toegelicht, en blijkt dat een last die ergens anders binnen het budget kan worden opgevangen, vermijdbaar wordt geacht. Het verschil tussen het forfaitaire woonbudget en de daadwerkelijk verschuldigde huur, in 2024 € 1.358,56, kan door de vader opgevangen worden met zijn draagkrachtvrije ruimte. Het hof merkt op dat ook wanneer dit niet het geval zou zijn en het verschil in woonlasten als niet-vermijdbaar en niet-verwijtbaar zou gelden, door de vader niet is aangevoerd waarom deze last voorrang zou moeten hebben op de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Verdeling van de kosten
5.16.
De totale draagkracht van de ouders is € 155,- + € 877,- = € 1.032,- per maand. Dit is genoeg om volledig in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien, want die behoefte bedraagt in 2025 € 937,- per maand.
Met verwijzing naar de als bijlage 4 aangehechte berekening is het aandeel van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen € 795,- per maand. Het aandeel van de moeder is € 141,- per maand.
Zorgkorting
5.17.
De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. De rechtbank heeft bepaald dat er op grond van de zorgregeling die tussen partijen geldt een zorgkorting van 25% toegepast moet worden. Hiertegen is geen grief opgeworpen, zodat ook het hof zal uitgaan van een zorgkorting van 25%. Met verwijzing naar de als bijlage 4 aangehechte berekening betekent dit dat de vader vanaf 1 februari 2025 een bedrag van € 561,- per maand aan de moeder moet betalen, ofwel € 187,- per kind per maand.
5.18.
Met toepassing van de wettelijke indexering bedraagt genoemde bijdrage met ingang van 1 januari 2026 € 585,- per maand, ofwel € 195,- per kind per maand.
Proceskosten
5.19.
Het hof is van oordeel dat er veel aan te merken valt op de manier waarop de vader procedeert. Hij heeft meerdere mogelijkheden gehad zijn stellingen te onderbouwen met de benodigde stukken, maar heeft dit steeds nagelaten. Het dossier is hierdoor nog altijd verre van compleet. Deze wijze van procederen kan de vader worden aangerekend. Omdat de beslissing van hof iets afwijkt van die van de rechtbank kan echter niet worden gesteld dat er in zodanige mate nodeloos is geprocedeerd dat er aanleiding is af te wijken van de gebruikelijke compensatie van proceskosten in familierechtelijke procedures. Het hof zal daarom de proceskosten compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
6.2.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 29 september 2022 en het daarbij aangehechte ouderschapsplan ten aanzien van de kinderalimentatie als volgt:
6.3.
bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2017, [de minderjarige2] , geboren [in] 2019 en [de minderjarige3] , geboren [in] 2021, dient te betalen:
  • met ingang van 1 oktober 2023 een bedrag van in totaal € 279,- per maand;
  • met ingang van 1 februari 2025 een bedrag van € 187,- per kind per maand;
  • met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 195,- per kind per maand;
de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. J.G. Knot en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (200.356.395)
Berekening
berekening behoefte kinderen
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
03-03-2026
Kenmerk
Bijlage 1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
39.468
44
Vakantietoeslag
3.157
46a
Inkomsten uit overwerk waarover geen vakantietoeslag wordt berekend
1.884
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
1.272
Bruto inkomsten
45.781
Specificaties voor post: 46a (Optellen)
onregelmatigheidstoeslag okt 24 (2,63 + 11,56): 14,19
168
jaar
derving SAV, okt 2024: 61,05
732
jaar
bonus 40 uur werken okt 2024: 82,22
984
jaar
Specificaties voor post: 48 (Optellen)
in okt 2024 cumulatief: 1056 /10 = 106
1.272
jaar
Premies (51-59)
Pensioenpremie
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
2.664
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
43.117
Specificaties voor post: 53 (Optellen)
WN-premie PAWW - 2,75
24
jaar
WN-premie WGA - 5,80
72
jaar
Werknemerspremie pensioen - 202,77
2.436
jaar
Werknemerspr. ANW-hiaat - 3,06
36
jaar
WGA hiaat extra verz. - 8,07
96
jaar
59
Inkomsten
43.117
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
43.117
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
17.017
70
Winst uit onderneming
17.017
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde)
2023
8.32
jaar
2024
25.714
jaar
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
2.265
75
Belastbare winst uit onderneming
14.752
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
57.869
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
7.309
95
Inkomensheffing box 1
21.393
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
60.134
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
21.393
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.39
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
16.003
Inkomen na aftrek inkomensheffing
44.131
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.171
jaar
Arbeidskorting
4.219
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
14.752
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
14.752
Maximum bijdrage loon
71.628
Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen
-
45.781
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
25.847
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
14.752
Percentage Zvw
%
5,32
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
785
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
785
Totale inkomsten
43.346
120
Besteedbaar inkomen
43.346
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
43.346
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.612
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Alimentatieplichtige
NBI totaal
3.612
Tabel aantal kinderen
3
Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel
880
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Eigen aandeel geïndexeerd
937
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (200.356.395)
Berekening
berekening draagkracht 2025
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
03-03-2026
Kenmerk
Bijlage 2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
17.688
44
Vakantietoeslag
1.415
Bruto inkomsten
19.103
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
19.103
59
Inkomsten
19.103
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
19.103
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
19.103
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
6.842
95
Inkomensheffing box 1
6.842
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
19.103
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.842
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.068
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
3.774
Inkomen na aftrek inkomensheffing
15.329
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Bij: Kindgebonden budget
10.922
120
Besteedbaar inkomen
26.251
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
26.251
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.188
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.188
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
656
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
1.966
136a
Draagkrachtruimte
222
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
155
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
155
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (200.356.395)
Berekening
berekening draagkracht 2025
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
03-03-2026
Kenmerk
Bijlage 3
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
39.468
44
Vakantietoeslag
3.157
46a
Inkomsten uit overwerk waarover geen vakantietoeslag wordt berekend
1.89
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
1.272
Bruto inkomsten
45.787
Premies (51-59)
Pensioenpremie
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
2.664
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
43.123
Specificaties voor post: 53 (Optellen)
WN-premie PAWW - 2,75
24
jaar
WN-premie WGA - 5,80
72
jaar
Werknemerspremie pensioen - 202,77
2.436
jaar
Werknemerspr. ANW-hiaat - 3,06
36
jaar
WGA hiaat extra verz. - 8,07
96
jaar
59
Inkomsten
43.123
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
43.123
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
17.017
70
Winst uit onderneming
17.017
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde)
2023
8.32
jaar
2024
25.714
jaar
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
2.161
75
Belastbare winst uit onderneming
14.856
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
57.979
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
7.323
95
Inkomensheffing box 1
21.092
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
60.14
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
21.092
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.682
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
15.41
Inkomen na aftrek inkomensheffing
44.73
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.194
jaar
Arbeidskorting
4.488
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
14.856
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
14.856
Maximum bijdrage loon
75.864
Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen
-
45.787
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
30.077
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
14.856
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
781
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
781
120
Besteedbaar inkomen
43.949
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
43.949
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.662
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.662
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.099
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.409
136a
Draagkrachtruimte
1.253
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
877
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
877
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (200.356.395)
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
03-03-2026
Kenmerk
Bijlage 4
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
628
Alleenstaande ouderkop
282
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
3.662
2.188
Aantal kinderen
3
Kind 1
Kind 2
Kind 3
Leeftijd
3
5
8
Woont bij
AP
AG
1
1
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
25
25
25
Zorgkorting tbv.
AP
AP
AP
Kind 1
Kind 2
Kind 3
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
312
312
312
936
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
312
312
312
936
Zorgkorting
€ p/m
78
78
78
234
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
292
292
292
877
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
292
292
292
877
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
292
292
292
877
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
52
52
52
155
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
52
52
52
155
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
52
52
52
155
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
344
344
344
1.032
Bijdrage kosten kinderen
Aandeel Alimentatieplichtige
€ p/m
265
265
265
795
Af: zorgkorting
€ p/m
- 78
- 78
- 78
- 234
Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting
€ p/m
187
187
187
561
Aandeel Alimentatiegerechtigde
€ p/m
47
47
47
141
Af: zorgkorting
€ p/m
- 0
- 0
- 0
- 0
Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting
€ p/m
47
47
47
141