Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.361.909
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 10:97 BWArt. 358 lid 1 RvArt. 358 lid 2 RvArt. 798 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep kinderen in vaderschapsvaststelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 maart 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep van de kinderen tegen de vaststelling van het vaderschap van [verweerster]. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de overleden man de vader is van [verweerster] en dat zij de geslachtsnaam van haar vader mag dragen. Tevens was een DNA-onderzoek bevolen.

De kinderen stelden zich op het standpunt dat zij belanghebbenden waren en voerden meerdere grieven aan, waaronder het verzoek om mediation en het afwijzen van het vaderschapsverzoek. Het hof heeft echter geoordeeld dat de kinderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt omdat zij niet rechtstreeks bij de vaststelling van het ouderschap betrokken zijn, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof heeft de kinderen daarom niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep en hen veroordeeld in de proceskosten van de procedure in hoger beroep. De kosten zijn vastgesteld op €2.580,- voor advocaatkosten en €362,- griffierecht. De beschikking is openbaar uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de vaderschapsvaststelling en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.909
(zaaknummer rechtbank Gelderland 428576)
beschikking van 31 maart 2026
inzake
in de zaak van
[verzoekster1] ,
wonende in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1] ,
[verzoekster2] ,
wonende in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam2] ,
[verzoeker1] ,
wonende in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam1] ,
[verzoekster3] ,
wonende in [woonplaats4] , gemeente [gemeentenaam3] ,
[verzoekster4] ,
wonende in [woonplaats5] ,
verder te noemen: [de kinderen] ,
advocaat: mr. C.J. Gebuijs,
en
[verweerster],
wonende in [woonplaats6] ,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaat mr. K.J.M. Slangen te Arnhem.
En als informant:
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats7] ,
verder te noemen: de moeder.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 maart 2025 en 26 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 november 2025;
- een verweerschrift namens [verweerster] .
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [verzoekster4] met mr. Gebuijs;
- [verweerster] met mr. Slangen.
2.3
Bij de mondelinge behandeling in deze zaak is tevens [naam1] , zoon van wijlen [naam2] , verschenen. [naam1] heeft verklaard dat hij als belanghebbende was oproepen door het hof om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn. Het hof heeft op 2 februari 2026 aan [naam1] een aangetekende brief verstuurd met de volgende inhoud
: “Op de zitting van 27 februari 2026 heeft u zich in zaak met nummer 200.361.909 gepresenteerd als belanghebbende in deze zaak. Het hof kan echter uw oproepingsbrief niet terugvinden. Om het dossier compleet te maken verzoekt het hof aan u om per ommegaande een kopie van uw oproepingsbrief aan het hof te sturen zodat die brief in het dossier kan worden gevoegd”. [naam1] heeft deze brief niet afgehaald. Bij brief van 12 februari 2026 is er nogmaals een brief met dezelfde inhoud aan [naam1] verstuurd. Ook hier is geen reactie op ontvangen.
Uiteindelijk heeft het hof mr. Gebuijs verzocht de oproepbrief van [naam1] aan het hof te doen toekomen. Bij journaalbericht van 5 maart 2026 heeft mr. Gebuijs de oproepbrief toegestuurd. Gebleken is echter dat [naam1] niet is oproepen in de zaak 200.361.909 en daarmee dus niet als belanghebbende is aangemerkt in de onderhavige zaak. Hij is dan ook ten onrechte aanwezig geweest bij de besloten mondelinge behandeling.

3.De feiten

3.1
[verweerster] is [in] 1984 in [plaats1] (Suriname) geboren. De moeder van
[verweerster] is [belanghebbende] . De moeder was ten tijde van de geboorte van [verweerster]
ongehuwd.
3.2
In de overgelegde originele geboorteakte van [verweerster] staat geen vader vermeld.
3.3
[de kinderen] zijn de kinderen van [naam3] (verder te noemen: de
man), geboren [in] 1940 te [plaats1] (Suriname) en overleden [in] 2023 in de
gemeente [gemeentenaam1] . Zijn laatste woonplaats was in [plaats2] .
3.4
[verweerster] en de moeder van [verweerster] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man had
ten tijde van zijn overlijden eveneens de Nederlandse nationaliteit.
3.5
Bij verzoekschrift van 22 november 2023 heeft [verweerster] de rechtbank verzocht:
- het vaderschap (ouderschap) vast te stellen van [naam3] , geboren [in] 1940 en overleden [in] 2023, ten aanzien van [verweerster] , geboren [in] 1984 te [plaats1] , Suriname,
- vast te stellen dat [verweerster] heeft verklaard dat zij na de vaststelling van het vaderschap (ouderschap) de geslachtsnaam van haar vader,“ [naam4] ”, zal dragen.
3.6
Bij beschikking van 7 oktober 2024 heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden tot een nader te plannen mondelinge behandeling in 2025 bij de meervoudige kamer en bepaald dat [verweerster] uiterlijk binnen vier weken na de beschikking een originele, recente geboorteakte moet overleggen.
3.7
Bij (tussen)beschikking van 27 maart 2025 heeft de rechtbank voor zover nu van belang:
- bevolen dat een DNA-onderzoek door een deskundige zal worden gedaan ter beantwoording van de volgende vraag:
Is [naam3] , geboren [in] 1940 te [plaats1] (Suriname), de biologische vader/verwekker van [verweerster] , geboren [in] 1984 te [plaats1] (Suriname)?;
-bepaald dat ter beantwoording van deze vraag het DNA-materiaal wordt onderzocht van:
- [verweerster] ;
- de moeder van [verweerster] ,
- één van de dochters van de man (voor zover zij daar zelf niet uitkomen, wijst de rechtbank de oudste dochter Laetitia aan);
- beide zonen van de man;
- bevolen dat voornoemde personen hun medewerking aan voormeld onderzoek dienen te verlenen;
- tot deskundige benoemd dr. [naam5] , klinisch chemicus, dan wel zijn vervang(st)er, verbonden aan het [ziekenhuis] in [plaats3] .
3.8
[in] 2025 is [naam2] overleden. Hij was de oudste
zoon uit het huwelijk van de man en de moeder van [de kinderen] en eerder in de procedure bij de rechtbank aangeduid als belanghebbende 2.
3.9
Bij beroepschrift, ingekomen op 24 juni 2025, hebben [de kinderen] hoger beroep ingesteld tegen de (tussen)beschikking van 27 maart 2025.
3.1
Op 30 juli 2025 heeft mr. Gebuijs namens [de kinderen] aan de rechtbank bericht dat tegen het bevel tot een DNA-onderzoek hoger beroep is ingesteld. Zij heeft daarom verzocht om de zaak aan te houden.
3.11
Op 31 juli 2025 heeft mr. Slangen namens [verweerster] verzocht om de zaak nu zonder nadere mondelinge behandeling af te doen, de verzoeken toe te wijzen en [de kinderen] te veroordelen in de kosten van de deskundige.
3.12
Bij de bestreden beschikking van 26 augustus 2025 heeft de rechtbank:
- vastgesteld dat [naam3] , geboren [in] 1940 te [plaats1] , Suriname, de vader is van [verweerster] , geboren [in] 1984 te [plaats1] , Suriname;
- vastgesteld dat [verweerster] heeft verklaard dat zij na vaststelling van het vaderschap de
geslachtsnaam van haar vader [naam4] zal dragen;
- bepaald dat de kosten van de deskundige van € 200,00 ten laste komen van [de kinderen] ;
- bepaald dat partijen voor het overige ieder de eigen kosten van deze procedure dragen.
3.13
Op 2 december 2025 hebben [de kinderen] het hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 27 maart 2025 ingetrokken. Bij beschikking van het hof van 15 januari 2026 zijn [de kinderen] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek.

4.De omvang van het geschil

4.1
[de kinderen] zijn - naar het hof begrijpt - met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Zij verzoeken:
I. Partijen te verwijzen naar mediation, alvorens de zaak inhoudelijk te behandelen;
II. Primair: de beschikkingen van 26 augustus 2025 en 27 maart 2025, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van [verweerster] tot vaststelling van het vaderschap en om een DNA-onderzoek te gelasten af te wijzen;
III. Subsidiair: de beschikkingen van 26 augustus 2025 en 27 maart 2025, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het DNA onderzoek dient te worden gelast onder de andere kinderen en dat aan het DNA-onderzoek, gelet op de belangen van de kinderen de voorwaarde wordt verbonden dat het DNA materiaal en de gegevens binnen zes maanden na afname worden vernietigd, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.
4.2
[verweerster] voert verweer en verzoekt primair [de kinderen] in hun beroep niet ontvankelijk te verklaren met veroordeling van [de kinderen] in de proceskosten van [verweerster] . Subsidiair verzoekt zij het beroep van [de kinderen] af te wijzen en de beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 augustus 2025 te bekrachtigen, met veroordeling van [de kinderen] in de proceskosten van [verweerster] .

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1
De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 3, onder a van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe, omdat [verweerster] haar gewone verblijfplaats
in Nederland heeft.
5.2
Op grond van artikel 10:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, in beginsel bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder, of, indien dit ontbreekt, van het recht van de staat waar de man en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het hof past evenals de rechtbank Nederlands recht toe op het verzoek over de vaststelling van het ouderschap omdat hiertegen geen grief is gericht.
Ontvankelijkheid
5.3
Voor ligt eerst de vraag of [de kinderen] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en dus hoger beroep kunnen instellen.
5.4
De rechtbank heeft [de kinderen] aangemerkt als belanghebbenden op basis van het procesreglement dat gold ten tijde van het indienen van het verzoek op 23 november 2023. De rechtbank achtte het in strijd met de rechtszekerheid om op die beslissing terug te komen enkel omdat daarna het juridisch kader is aangescherpt in het procesreglement en door een uitspraak van de Hoge Raad. Ook vanwege een mogelijk DNA-onderzoek was de rechtbank van oordeel dat het verzoek direct raakte aan de belangen van [de kinderen] .
5.5
De appelrechter dient ambtshalve te beoordelen of een betrokkene in hoger beroep belanghebbende is. De appelrechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel daarover van de rechter in eerste aanleg, anders dan [de kinderen] hebben betoogd. [1]
5.6
In artikel 358 lid 1 en Pro lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de algemene regel neergelegd dat tegen beschikkingen van de rechtbank in verzoekschriftprocedures hoger beroep kan worden ingesteld door de verzoeker, door de in de procedure verschenen belanghebbenden en door andere belanghebbenden. Artikel 798 lid 1 Rv Pro bepaalt echter dat voor de toepassing van afdeling 1 van titel 6 van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - dat wil zeggen: in het kader van de rechtspleging in andere zaken betreffende het personen- en familierecht dan scheidingszaken - onder belanghebbende wordt verstaan 'degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft'. Ten slotte volgt uit artikel 806 lid 1 Rv Pro dat - in afwijking van het bepaalde in artikel 358 lid 2 Rv Pro - van een beschikking in een andere zaak betreffende het personen- en familierecht dan een scheidingszaak, hoger beroep slechts kan worden ingesteld door de verzoeker en door een belanghebbende als bedoeld in artikel 798 Rv Pro.
5.7
Het hof is van oordeel dat [de kinderen] niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in deze zaak. De stelling van [de kinderen] dat zij direct in hun belangen worden geraakt door de beslissing van de rechtbank over het DNA-onderzoek, het dragen van de naam van de man door [verweerster] en de ontstane familieband volgt het hof niet. De vaststelling vaderschap heeft plaatsgevonden op basis van de gestelde feiten en omstandigheden, omdat [de kinderen] niet hebben meegewerkt aan het DNA-onderzoek. Dat de gerechtelijke vaststelling vaderschap ook gevolgen in de familiaire sfeer heeft voor [de kinderen] , maakt nog niet dat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Het hof sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad in oktober 2024 [2] heeft beslist over belanghebbenden in zaken betreffende gerechtelijke vaststelling vaderschap. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen onder rechtsoverweging 3.3:

De kring van personen die een daartoe strekkend verzoek kunnen doen, is in art. 1:207 lid 1 BW Pro beperkt tot de moeder en het kind. De kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de vaststelling van het ouderschap te zijn betrokken, beperkt zich tot de moeder, het kind en degene van wie verzocht wordt het ouderschap vast te stellen; buiten deze kring vallende personen zijn niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. …”
In dit geval zijn [de kinderen] niet degene die rechtstreeks betrokken zijn bij de vaststelling van het ouderschap zoals hiervoor bedoeld. Het hof zal [de kinderen] daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken in hoger beroep.
Proceskosten
5.8
Voor verzoekschriftprocedures is, met betrekking tot de proceskosten, bepaald dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden (artikel 289 Rv Pro in verbinding met artikel 362 Rv Pro). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of hij in het gegeven geval aanleiding vindt een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.
5.9
[verweerster] heeft verzocht [de kinderen] te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet in dit geval aanleiding [de kinderen] als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de door [verweerster] gemaakte proceskosten in hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep stelt het hof vast op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten à € 1.290) en op € 362,- voor griffierecht.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart [de kinderen] niet-ontvankelijk in hun verzoeken in hoger beroep;
veroordeelt [de kinderen] in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de [verweerster] begroot op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief en op € 362,- voor griffierecht;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en E. Leentjes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.