Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1953

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.362.953
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen

De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2022, die sinds juli 2023 onder toezicht staan en in een gezinshuis verblijven. De moeder, die het gezag heeft, is het niet eens met de verlenging tot oktober 2026 en vordert in hoger beroep een kortere duur van negen maanden.

De kinderrechter had de verlenging toegewezen op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) Stichting Samen Veilig Midden-Nederland. Het hof overweegt dat ondanks positieve omgangsmomenten, er nog steeds ernstige zorgen zijn over de opvoedcapaciteiten van de moeder en dat de kinderen een verzwaarde opvoedvraag hebben. De continuïteit en veiligheid in de verzorging zijn gebaat bij verlenging.

Hoewel de moeder terecht opmerkt dat terugplaatsing het uitgangspunt is en dat de GI zich moet inspannen voor terugplaatsing, blijkt uit het perspectiefonderzoek en eerdere evaluaties dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. Het hof constateert dat de GI onvoldoende inzet op terugplaatsing en dat er onduidelijkheid bestaat over de hulpverlening aan de moeder.

Het hof benadrukt het belang van openheid van de moeder over haar hulpverleningstrajecten en het belang van duidelijkheid over de ondersteuning die de GI biedt. Het advies om een persoonlijkheidsonderzoek te overwegen is niet opgevolgd, wat waardevolle inzichten had kunnen bieden.

Gelet op deze omstandigheden en de noodzaak van continuïteit in de zorg, bekrachtigt het hof de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 oktober 2026 en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.953
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597327
beschikking van 31 maart 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R. Vermeer
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gezinshuisouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 23 september 2025 de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 5 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Het gaat in deze procedure om:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2021 en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2022.
2.2.
De moeder heeft het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan sinds 5 juli 2023 onder toezicht van de GI en zijn vanaf deze datum uithuisgeplaatst. Zij verblijven in een gezinshuis.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te verlengen tot 5 oktober 2026.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de beschikking van 23 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om de uithuisplaatsing tot 5 oktober 2026 te verlengen. Zij komt daarvan in hoger beroep.
Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter gedeeltelijk ongedaan maakt en dat de uithuisplaatsing wordt verleend voor een kortere duur, namelijk voor de duur van negen maanden en voor het overige wordt afgewezen, en anders wordt aangehouden.
4.2.
De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de brief van de raad van 27 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.4.
De zitting bij het hof was op 17 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het belangrijkste punt van de moeder in dit hoger beroep is dat de kinderrechter in een eerdere beschikking heeft overwogen dat zij de beslissing van de Gl over het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onderschrijft en dat het in hun belang is dat zij opgroeien in het gezinshuis. De kinderrechter is volgens de moeder daarom niet meer ontvankelijk voor de positieve ontwikkelingen die zij maakt. De moeder begrijpt dat de kinderen op dit moment niet naar huis kunnen, maar volgens haar kan in de komende maanden wel gewerkt worden aan een thuisplaatsing van de kinderen.
5.3.
Zoals de moeder zelf ook zegt, kunnen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op dit moment niet bij haar worden teruggeplaatst. Gelet op wat er in het verleden is gebeurd, bestaan er duidelijke zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder en betekent het feit dat de omgang met de kinderen goed verloopt nog niet dat de moeder de kinderen zelf kan opvoeden. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van slechts negen maanden, maar het hof ziet op dit moment geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing met drie maanden te verkorten. De zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder zijn nog niet weggenomen, want er is geen zicht op de hulpverlening die de moeder heeft of heeft gehad en daarbij komt dat de kinderen een verzwaarde opvoedvraag hebben. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om de continuïteit van/en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te waarborgen en het hof beoordeelt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook als noodzakelijk.
5.4.
Wel merkt de moeder terecht op in haar beroepschrift dat het uitgangspunt van een uithuisplaatsing is dat er moet worden gewerkt aan terugplaatsing. Een uithuisplaatsing is een maatregel die naar zijn aard tijdelijk is [3] . Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen op termijn weer zelf kan dragen. Van de GI mag dan ook worden verwacht dat zij in het kader van de uithuisplaatsing alle mogelijke hulpverlening inzet die nodig is om tot een terugplaatsing van de kinderen te komen. Maar hier is gebleken dat de GI niet meer inzet op terugplaatsing van de kinderen. De GI heeft op basis van het perspectiefonderzoek van [naam1] geconcludeerd dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt en in de motivering van de beschikking van 3 april 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij het perspectiefbesluit van de GI onderschrijft. Uit het perspectiefonderzoek van [naam1] blijkt dat op 1 oktober 2024 een evaluatie heeft plaatsgevonden tussen de GI, de moeder en de betrokken hulpverleners ( [naam1] en [naam2] ). Tijdens deze evaluatie is besproken dat de omgangsmomenten te beperkt waren en dat een substantiële uitbreiding noodzakelijk was. Daarnaast is, op basis van de destijds beschikbare informatie uit de omgangsmomenten en gesprekken met moeder, geconcludeerd dat het te vroeg was om een definitief oordeel te vellen over het perspectief van de kinderen. Uit de evaluatie kwam naar voren dat de moeder zich openstelde voor de hulpverlening en zich inspande voor het welzijn van de kinderen. Omdat de omgangsduur te beperkt was en de periode waarin de hulpverlening actief betrokken was, nog relatief kort was, is besloten om de omgangsregeling uit te breiden van anderhalf uur naar vier uur per contactmoment in de thuissituatie van de moeder. Deze uitbreiding is geleidelijk doorgevoerd, rekening houdend met de behoeften van de kinderen. De omgangsregeling is toen verlengd tot 20 februari 2025. Daarna kwam het advies van [naam1] dat de meest geschikte opvoedomgeving op dat moment voor de kinderen niet bij de moeder thuis was. Het hof begrijpt dat de moeder kritische noten plaatst bij dit gehele proces. Voor zover het hof op basis van de stukken heeft kunnen beoordelen is het uiteindelijke advies vooral gebaseerd op de waarnemingen van één omgangbegeleidster van [naam1] en lijkt van een gedegen en uitgebreid perspectiefonderzoek geen sprake te zijn.
5.5.
Nog los van de vraag of het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat zij op termijn weer bij de moeder gaan wonen, is het de taak van de GI de moeder te ondersteunen en te begeleiden bij haar hulpvraag. Wel is het belangrijk dat de moeder openstaat voor deze hulp door de GI en dat zij open is tegenover de GI over de hulpverlening die zij heeft of heeft gehad, zoals het traject bij De Waag dat volgens de moeder binnenkort gaat starten. Uit de stukken blijkt namelijk dat de moeder eerder geen inzicht heeft willen geven in eerdere hulpverlening die zij van De Waag heeft gehad. Het hof acht het van belang dat voordat een eventueel vervolgverzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gedaan duidelijkheid komt over de vraag in hoeverre de GI de moeder (gespecialiseerde) hulp heeft aangeboden om beoogde veranderingen te bereiken en in hoeverre de GI de moeder heeft bijgestaan om ervoor te zorgen dat de moeder de door de GI geschikt geachte individuele hulpverlening krijgt. Voor het hof is bijvoorbeeld niet duidelijk wat er is gedaan met het advies van [naam2] eind 2024 om te onderzoeken of een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder kan worden afgenomen, aangezien dit waardevolle inzichten kan bieden in de in deze zaak spelende punten. Inzicht in de problematiek van de moeder en de benodigde hulpverlening is van belang om te kunnen bepalen welke rol de moeder nog kan spelen in het leven van de kinderen.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig zijn. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 september 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Feunekes en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.