Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1952

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.363.855
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.A.M. van Os - ten Have
  • S. Kuijpers
  • L.D.M. Rubens - Snijders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige in netwerkpleeggezin

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft op 22 oktober 2025 een minderjarige onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend, beide tot 22 oktober 2026. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, maar heeft haar bezwaren tegen de ondertoezichtstelling ingetrokken en richt zich alleen op de uithuisplaatsing.

De moeder betoogt dat de uithuisplaatsing onterecht is omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar minder ingrijpende alternatieven en een concreet plan ontbreekt. Zij stelt dat de minderjarige in een loyaliteitsconflict zit en dat ondersteuning thuis mogelijk is. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stellen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld en een verstoorde relatie tussen moeder en kind.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, de minderjarige gehoord en de zitting gehouden op 3 maart 2026. Het hof sluit zich aan bij de motivering van de kinderrechter en oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is. De minderjarige verblijft sinds november 2024 bij netwerkpleegouders waar het goed met haar gaat. De relatie met de moeder is ernstig verstoord en er is geen constructief contact. De moeder toont onvoldoende inzicht en medewerking aan hulpverlening. Gezien de ernst van de problematiek is een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar passend.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige tot 22 oktober 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.855
(zaaknummer rechtbank Gelderland 457722)
beschikking van 31 maart 2026
over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van
[de minderjarige] ,
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ),
advocaat: mr. E. Schriemer,
en
de Raad voor de Kinderbescherming(de raad),
die is gevestigd in Arnhem,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
die is gevestigd in Hengelo,
belanghebbende in hoger beroep,
en
[belanghebbende1]en
[belanghebbende2](de netwerkpleegouders),
informanten in hoger beroep.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 22 oktober 2025 [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend, beide tot 22 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder is de ouder van [de minderjarige] , geboren [in] 2011.
2.2.
De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft sinds november 2024 bij de netwerkpleegouders.
2.4.
Op 7 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot
7 oktober 2025. De kinderrechter heeft ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken tot 4 augustus 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna bij beschikking van de kinderrechter van 21 juli 2025 verleend tot 7 oktober 2025.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. Ook heeft de raad de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft op 22 oktober 2025 de verzoeken van de raad toegewezen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin van [de minderjarige] verleend tot 22 oktober 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft beslist dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder heeft haar bezwaren tegen de ondertoezichtstelling tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.
4.2.
De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst. Als het hof dat niet doet, vraagt de moeder het hof om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot zes maanden.
4.3.
De raad en de GI willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 19 januari 2026;
  • het verweerschrift van de raad.
4.5.
[de minderjarige] heeft op 2 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 3 maart 2026. Aanwezig waren:
-de moeder, met haar advocaat en bijgestaan door een tolk in de Somalische taal;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de netwerkpleegouders.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
Op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI of de raad aan de GI een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding het kind of voor onderzoek van het kind.
Het standpunt van de moeder
5.2.
De moeder voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing onterecht is verleend. De moeder stelt dat de kinderrechter niet heeft onderzocht of de maatregelen proportioneel en subsidiair zijn en niet heeft gekeken naar minder ingrijpende alternatieven. De moeder staat open voor hulpverlening. Er moet worden gekeken of de hulpverlening thuis kan worden ingezet, met intensieve ambulante ondersteuning voor de moeder. De GI heeft geen concreet plan opgesteld, met specifieke doelen van de uithuisplaatsing en interventies die bij de moeder worden ingezet. Zonder dit plan werkt de uithuisplaatsing als een sluiproute naar permanent verblijf buiten huis, zonder duidelijk perspectief. Daarnaast voert de moeder aan dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Ze is loyaal aan de moeder en aan de netwerkpleegouders. Het ene moment mist zij de moeder en wil zij terug naar huis, maar op een ander moment wijst zij de moeder weer af. [de minderjarige] is explosief, kwetsbaar en gevoelig voor beïnvloeding. Dit is geen rechtvaardiging voor een uithuisplaatsing. Veel van deze problemen zouden juist verbeteren met ondersteuning thuis en herstel van begeleid contact met de moeder.
Het standpunt van de raad
5.3.
De raad voert aan dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft uitspraken gedaan over huiselijk geweld door de moeder. De moeder heeft verklaard dat zij wel eens een tik heeft uitgedeeld, maar herkent zich verder niet in het genoemde geweld. De visies en belevingen van [de minderjarige] en de moeder liggen ver uiteen. Ook als de mishandelingen niet hebben plaatsgevonden, is het zorgelijk dat [de minderjarige] dit vertelt. De relatie tussen [de minderjarige] en de moeder is erg verstoord en het is niet duidelijk wat daarvan de oorzaak is. [de minderjarige] en de moeder hebben behoefte aan contact, maar kunnen hieraan geen invulling geven op een constructieve manier. De ingezette hulp heeft daarin nog geen verandering gebracht. Hulpverlening in een vrijwillig kader is nog steeds ontoereikend en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven om een stabiele en veilige opvoedomgeving voor [de minderjarige] te waarborgen.
Het standpunt van de GI
5.4.
De GI voert aan dat [de minderjarige] beschadigd is door ervaringen in het verleden. Het lukt de GI niet om met de moeder in gesprek te gaan. De gesprekken gaan vooral over de uitleg van de betekenis en doelen van de ondertoezichtstelling en blijven daarin steken. Een inhoudelijk niveau wordt niet bereikt. [de minderjarige] heeft bepaalde dingen nodig van de moeder. De GI heeft het idee dat de moeder ervaart dat [de minderjarige] het probleem is en dat het gedrag van [de minderjarige] moet veranderen.
Het oordeel van het hof
5.5.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 22 oktober 2026 noodzakelijk is. Het hof zal daarom de beslissing van de kinderrechter bekrachtigen. Het hof sluit aan bij de motivering van de kinderrechter en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.6.
In juli 2025 is [de minderjarige] bij de raad in beeld gekomen, omdat er zorgen over haar waren. [de minderjarige] vertelde dat zij door de moeder werd mishandeld, thuis was er vaak ruzie en [de minderjarige] ging een tijd niet naar school. [de minderjarige] woont sinds november 2024 niet meer bij de moeder. Zij verbleef aanvankelijk vrijwillig bij de netwerkpleegouders (vrienden van de moeder), maar de moeder staat sinds juli 2025 niet meer achter die vrijwillige plaatsing, waardoor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verleend.
5.7.
Bij de netwerkpleegouders gaat het goed met [de minderjarige] . Ze ervaart rust, gaat weer naar school en is aangemeld bij [naam] . Daar zal worden gewerkt aan het verwerken van gebeurtenissen uit het verleden en wordt onderzocht hoe het contact tussen [de minderjarige] en de moeder weer kan worden opgestart en ingevuld. De relatie tussen de moeder en [de minderjarige] is ernstig verstoord. Op dit moment hebben ze ruim vijf maanden geen contact met elkaar gehad. Bij de laatste contactmomenten begrepen [de minderjarige] en de moeder elkaar niet, waardoor ze allebei teleurgesteld raakten in het contact. [de minderjarige] heeft gezegd dat ze niet terug wil naar de moeder en is hier stellig in. Zij wil eerst graag erkenning voor wat in het verleden is gebeurd. De moeder staat hier anders in. Zij ontkent de mishandelingen van [de minderjarige] . De moeder lijkt het idee te hebben dat het gedrag van [de minderjarige] het probleem is en dat [de minderjarige] zich moet aanpassen. Hoewel de moeder zegt dat zij open staat voor hulpverlening, blijkt dit in de praktijk niet het geval te zijn. De moeder heeft geen inzicht in haar eigen aandeel in de situatie en legt de oorzaken van de problematiek van [de minderjarige] buiten zichzelf. De GI heeft een plan van aanpak om aan de doelen van de ondertoezichtstelling te werken. De moeder heeft verteld dat zij zelf goed weet hoe ze [de minderjarige] en haar broertje moet opvoeden. Medewerking aan hulpverlening koppelt de moeder aan thuisplaatsing van [de minderjarige] , waardoor op dit moment geen hulpverlening, die volgens de GI en de raad wel degelijk nodig is, tot stand komt. Op dit moment kan de moeder [de minderjarige] niet bieden wat zij nodig heeft. Daarnaast zorgen ook de gespannen relatie tussen [de minderjarige] en de moeder en het ontbreken van contact tussen hen ervoor dat [de minderjarige] nog niet bij de moeder kan wonen. Het hof is daarom van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar moet worden verleend. Gelet op de ernst van de problematiek is het niet haalbaar om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlenen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 22 oktober 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, S. Kuijpers, en
L.D.M. Rubens - Snijders, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.