Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
[de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2012.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2012. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen bij de moeder verbleven, met een bijdrage in kinderalimentatie door de vader. De moeder ging in hoger beroep tegen de zorgregeling en de ingangsdatum van de alimentatie, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde over alimentatie voor het oudste kind en wijziging van het inschrijfadres in de Basisregistratie Personen (BRP).
Het hof constateerde dat de vader zich negatief uitlaat over de moeder en de zorgregeling niet wordt nageleefd, wat de ontwikkeling van de kinderen belemmert. Daarom stelde het hof een gelijkwaardige week-op-week-af zorgregeling vast, met een opbouwperiode in april 2026. De vader werd nadrukkelijk aangesproken op naleving. De wijziging van het inschrijfadres van het jongste kind in de BRP naar het adres van de vader werd afgewezen, omdat het hoofdverblijf bij de moeder is vastgesteld.
De ingangsdatum van de kinderalimentatie voor het jongste kind bleef gehandhaafd op 7 april 2025, conform de rechtbank. Het incidenteel hoger beroep van de vader voor alimentatie voor het oudste kind werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep werd gedaan. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof stelt een week-op-week-af zorgregeling vast, wijst wijziging BRP-inschrijving af en verklaart het incidenteel hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk.