De moeder stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat de voorlopige toevertrouwing van haar kinderen aan de vader toewijst. De kinderen verblijven sinds 9 maart 2026 bij de vader, na een periode van vier jaar zonder contact tussen vader en kinderen. De raad voor de kinderbescherming stelde dat sprake is van ouderverstoting en dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd.
Het hof oordeelt dat het in het belang van de kinderen is om het contact met de vader te herstellen en het patroon van contactbreuk te doorbreken. Ondanks de lastige ontwikkelingsfase van de kinderen en de emotionele spanningen bij de overdracht, is het hof van mening dat de voorlopige toevertrouwing aan de vader de juiste maatregel is. De moeder heeft geen concreet voorstel gedaan om het contact te herstellen en volhardt in haar weigering tot omgang.
De moeder heeft haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingetrokken, waarna het hof haar niet-ontvankelijk verklaart. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het hoger beroep wordt afgewezen.