ECLI:NL:GHARL:2026:1892

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
21-003793-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 12 lid 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 163 lid 6 WVW 1994Art. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling weigering bloedonderzoek onder invloed

Verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het weigeren mee te werken aan een bevolen bloedonderzoek na een verdenking van rijden onder invloed van GHB. De politierechter legde een taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid op, maar het hof vernietigde dit vonnis vanwege onvoldoende uitwerking van bewijsmiddelen.

In hoger beroep erkende verdachte de weigering mee te werken aan het bloedonderzoek. Het hof nam diverse verklaringen van verbalisanten en het proces-verbaal in overweging, waaronder het feit dat bloedafname niet binnen de wettelijke 90-minutentermijn kon plaatsvinden vanwege bijzondere omstandigheden. Het hof verwierp het verweer van verdachte dat sprake was van een vormverzuim en bewijsuitsluiting.

Het hof achtte het bewezen dat verdachte het bevel tot bloedonderzoek niet opvolgde en veroordeelde hem voor overtreding van artikel 163, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994. Gelet op recidive en eerdere taakstraffen legde het hof een gevangenisstraf van 14 dagen op, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 91 dagen met aftrek van reeds ingehouden tijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf (waarvan 13 voorwaardelijk) en 91 dagen ontzegging rijbevoegdheid wegens weigering bloedonderzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003793-25
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
TEGENSPRAAK
arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 15 augustus 2025 met parketnummer 96-164446-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 maart 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:
  • veroordeling van verdachte voor het hem ten laste gelegde feit (kort gezegd: het weigeren om mee te werken aan een bloedonderzoek);
  • oplegging van een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • oplegging van een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis;
  • oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 91 dagen, met aftrek.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het weigeren mee te werken aan een bevolen bloedonderzoek. Daarvoor is hem een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis opgelegd. Daarnaast is een ontzegging van de rijbevoegdheid van 91 dagen opgelegd, met aftrek van de tijd die het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 30 juni 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in de zin van 359a Sv. omdat de zogenoemde 90-minuten termijn is geschonden. Deze termijnoverschrijding is zo fors (te weten 77 minuten), dat verdachte daardoor langer van zijn vrijheid is beroofd dan wettelijk gezien de bedoeling was. Er is daarom sprake van evident nadeel. Vanwege dit nadeel volstaat een constatering van het vormverzuim niet en dient bewijsuitsluiting te volgen zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen en dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Juridisch kader
Artikel 163, zesde lid, WVW 1994 bepaalt dat de bestuurder die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, verplicht is aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen.
Uit artikel 12, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) volgt dat de bloedafname uiterlijk geschiedt binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of Pro 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
Oordeel hof
Het hof stelt voorop dat verdachte op de zitting van het hof heeft erkend dat hij op 30 juni 2023 (uiteindelijk) geen gevolg heeft gegeven aan het bevel van de hulpofficier van justitie om mee te werken aan een bloed onderzoek. [1] Daarnaast neemt het hof de volgende bewijsmiddelen in aanmerking:

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 juli 2023 , opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023 171043 d.d. 13 juli 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Bij het Operationeel Centrum Noord Nederland was er een melding gedaan dat er iemand in een witte auto schokkend achter het stuur zat. Melder gaf aan dat het zou lijken op een insult. Bestuurder is vervolgens nog weer gaan rijden en verderop tot
stilstand gekomen met de wielen op de stoeprand. Hierop zijn de sleutels uit het
voertuig gehaald zodat deze niet verder kon rijden, waarna wij ter plaatse kwamen.
Ik, [verbalisant 1] , heb op vrijdag 30 juni 2023 om 18:10 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig
ademonderzoek). Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 2] , hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 2] ( [nummer] ), dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: P.
Vervolgens werd de bestuurder als verdacht van overtreding van artikel 8
Wegenverkeerswet 1994 op de locatie aangehouden.
Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vermoedden dat de verdachte uitsluitend onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8 lid 1 of Pro 5
Wegenverkeerswet 1994 verkeerde.
Dit bleek uit:
- Zus van verdachte kwam ter plaatse en gaf aan dat hij in het verleden GHB heeft
gebruikt. Zij herkende dit gedrag van haar broer op het moment dat hij GHB had
gebruikt.
Bevel bloedonderzoek
Op vrijdag 30 juni 2023 om 20:30 uur, [locatie]
[locatie] , heb ik, [verbalisant 3] , in mijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld, dat een weigering een misdrijf oplevert.
De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Dit bleek uit: verdachte gaf aan niet
meer mee te willen werken aan de bloedproef. Dit gaf hij in duidelijke bewoording
aan.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2023, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op vrijdag 30 juni 2023, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met de noodhulp
surveillance in de gemeente [gemeente] . Op bovengenoemde dag en datum, omstreeks 17.25 uur, kregen wij het verzoek om met prioriteit 1, naar [plaats] te gaan naar de [straat] . Op bovengenoemde dag en datum, omstreeks 17.43 uur, kwamen wij ter plaatse.
Na het gesprek met de melder ben ik in de richting van het voertuig gelopen. Ik zag
dat de ambulancemedewerkers nog met de persoon in de auto bezig waren. Ik zag dat er achter het stuur van de witte auto een manspersoon zat. Ik zag dat het voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken] , en dat het een witte Skoda Citigo betrof. Bij het raadplegen van het voertuig, zag ik dat deze op naam stond van [verdachte] , gebaren op [geboortedag] 1985. Ik zag dat de leeftijd wel aardig overeen kwam met de bestuurder, waarop ik de rijbewijsfoto heb geraadpleegd. Ik zag dat deze foto overeenkwam met de persoon die in het voertuig zat, waarop werd vastgesteld dat de persoon waar wij mee te maken inderdaad [verdachte] betrof.
Ik hoorde de ambulanceverpleegkundige zeggen dat zij voornamelijk een vermoeden had van gebruik van verdovende middelen, alleen niet goed wist wat het zou zijn. (...)
Aangezien de zus van [verdachte] aangaf dat het GHB zal zijn, en de ervaring, is er duidelijk een verdenking van het rijden onder invloed van GHB. GHB kan niet getest worden middels de speekseltest. Hierop telefonisch overleg gevoerd met Hulpofficier van Justitie [verbalisant 3] . Deze gaf aan dat wanneer [verdachte] niet mee hoefde naar het ziekenhuis, wij de persoon aan moesten houden en mee moesten nemen naar het bureau voor een bloedproef.
Op het politiebureau aangekomen te 18.35 uur, wist [verdachte] even niet wat er met hem gebeurde. Hierop heb ik hem nogmaals uitgelegd dat hij is aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van GHB. Ik hoorde dat hij dit ontkende. Ik vroeg [verdachte] of hij mee wilde werken aan een bloedproef. Ik hoorde dat hij aangaf mee te willen werken aan een bloedproef. Gezien zijn gesteldheid, legde ik hem uit dat er een verpleegkundige zou komen op het bureau en bloed bij hem af zal gaan nemen. Ik hoorde dat hij bevestigde dat hij dit begreep. Hierop heb ik te 18.37 uur, de GGD gebeld met het verzoek voor bloedafname.
Collega [verbalisant 2] heeft samen met [verdachte] plaats genomen in een verhoorkamer, aangezien het onverantwoord was om [verdachte] alleen te laten. Ik zag dat nadat [verdachte] plaats nam in de stoel, hij gelijk weer voorover begon te hangen en in slaap viel. Hierop hebben we de stoel dusdanig geplaatst dat hij tegen de muur aan kon leunen, om te voorkomen dat hij voorover van de stoel zou vallen.
Op vrijdag 30 juni 2023, omstreeks 19.15 uur, kwam er een verpleegkundige van de GGD ter plaatse om bloed af te nemen. Ik hoorde dat hij hier eerst niet aan mee wilde werken. Inmiddels was ook zijn ambulant begeleider op het politiebureau aangekomen, en heeft [verdachte] er van overtuigd om toch mee te werken aan de bloedproef. Even daarna hoorde ik van collega [verbalisant 2] , die nog altijd bij [verdachte] was, en toezicht heeft gehouden bij het bloedprikken, dat het niet lukte om [verdachte] te prikken. Ik hoorde hem zeggen dat de verpleegkundige had aangegeven dat de aders te diep onder de huid lagen waardoor prikken onmogelijk was voor haar, doordat [verdachte] ook extreem beweeglijk was, waarschijnlijk door GHB-gebruik.
Hierop heeft Hulpofficier van Justitie [verbalisant 3] contact opgenomen met de officier van Justitie. Dit omdat [verdachte] wel mee wilde werken aan een bloedproef, maar dat deze niet voltooid kon worden. Uiteindelijk werd besloten om een verzoek te doen aan een forensisch arts om te proberen om [verdachte] te prikken. Nadat deze omstreeks 20.30 uur ter plaatse was op het politiebureau, hoorde ik de forensisch arts zeggen dat verdachte niet meer mee wilde werken aan een bloedproef. Hulpofficier van Justitie [verbalisant 3] heeft vervolgens [verdachte] bevolen om mee te werken aan een bloedproef. Ik hoorde de hulpofficier van Justitie kenbaar maken wat voor gevolgen dit zal hebben voor het verdere verloop van het proces. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij niet mee wilde gaan werken aan de bloedproef.
Het hof stelt voorop dat het voorschrift om binnen 90 minuten bloed af te nemen op basis van vaste jurisprudentie niet behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW Pro 1994 is omringd en dat niet is gebleken dat verdachte, gelet op de toestand waarin hij verkeerde, enig nadeel heeft ondervonden van het feit dat de forensisch arts de bloedafname niet binnen de 90 minuten kon doen.
Ook is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt vast dat verdachte om 18:10 uur is gevorderd om zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig ademonderzoek en dat op het moment dat verdachte werd bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek de termijn van 90 minuten waarbinnen de bloedafname moet plaatsvinden, was overschreden. Uit het dossier volgt echter ook dat de opsporingsambtenaar binnen een half uur nadat verdachte was bevolen zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek de GGD heeft benaderd om bloedonderzoek uit te voeren en dat verdachte bereid was om aan dat onderzoek dat plaatsvond om 19.15 uur mee te werken. Dat was ruim binnen de door artikel 12 lid 3 Besluit Pro voorgeschreven termijn. Toen bleek dat de bloedafname niet lukte, heeft de opsporingsambtenaar (na overleg met de officier van justitie) een forensisch arts ingeschakeld. Deze kon niet binnen de 90 minuten termijn aanwezig zijn. Gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende gang van zaken is naar het oordeel van het hof vanwege bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 12 lid 3 Besluit Pro afgeweken van de termijn van 90 minuten. Toen de forensisch arts om 20.30 uur bloed wilde afnemen, werd duidelijk dat verdachte hieraan niet wilde meewerken, ook niet nadat de hulpofficier van justitie hem dat had bevolen.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit is daarom geen sprake van een vormverzuim in het vooronderzoek. Het verweer wordt verworpen.
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij, op 30 juni 2023 te [plaats] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Zoals in de bewijsoverweging uiteen is gezet, heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Daarmee heeft hij de strafrechtelijke handhaving van het verbod om een voertuig onder invloed van verdovende middelen te besturen - welk verbod is gegeven ter bevordering van de verkeersveiligheid - belemmerd.
Het hof stelt vast dat de landelijk geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting voor het (als first offender) weigeren van een bloedonderzoek, een geldboete van € 1.300,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden inhouden. Recidive en gevaarlijk rijgedrag werken daarbij strafverzwarend. Daarvan is hier sprake. Dit maakt dat het hof op een andere strafmodaliteit uitkomt.
Uit het strafblad van 12 februari 2026 blijkt namelijk dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De straffen die hem in dat kader zijn opgelegd, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te begaan. Daarnaast blijkt dat bij die veroordelingen (op 19 maart 2021 en 18 december 2019) aan verdachte taakstraffen zijn opgelegd en dat de vervangende hechtenis daarvan ten uitvoer is gelegd. Het hof concludeert daaruit dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Uit het dossier en de bespreking op de zitting van het hof blijken verder geen bijzondere persoonlijke omstandigheden die een strafverhogend of strafmatigend effect op de op te leggen straf hebben. Volgens verdachte is geen sprake van drugsproblematiek en heeft hij een baan die hem goed bevalt. Hij hoopt zijn rijbewijs te kunnen behouden, nu hij dat voor zijn werk nodig heeft.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 14 dagen een passende en noodzakelijke bestraffing. Daarvan legt het hof een gedeelte van 13 dagen in voorwaardelijke vorm op, met een proeftijd van 2 jaren. Deze straf dient tevens als stok achter de deur ten einde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een soortgelijk strafbaar feit.
Naast deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf legt het hof verdachte ook een ontzegging van de rijbevoegdheid op van 91 dagen, met aftrek van de tijd die het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest. Dit betekent dat verdachte zijn rijbewijs niet opnieuw kwijtraakt.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
91 (eenennegentig) dagen.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L.J. Hofstra en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier mr. H. Akkerman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 maart 2026.

Voetnoten

1.Deze verklaring wordt opgenomen in het nog op te maken proces-verbaal van die zitting.