ECLI:NL:GHARL:2026:1891

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
21-001975-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van een slachtoffer en het samen met een medeverdachte plegen van openlijk geweld tegen twee slachtoffers. Het hof verwierp het verweer dat opzet op nauwe samenwerking ontbrak en stelde vast dat het geweld plaatsvond op een openbare locatie waarbij de slachtoffers herhaaldelijk werden geslagen en geschopt, ook terwijl zij op de grond lagen.

De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van verdachte, slachtoffers en meerdere getuigen die het geweld en de hevigheid daarvan bevestigen. Het hof achtte de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het geweld aanmerkelijk en concludeerde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de landelijke oriëntatiepunten. Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zou zijn, legde het hof een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen op met een proeftijd van 2 jaar, gecombineerd met een taakstraf van 240 uren. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, waarbij reeds betaalde bedragen door de medeverdachte in mindering werden gebracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen en een taakstraf van 240 uren wegens poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-001975-25
Uitspraakdatum:27 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 16 april 2025 met parketnummer 16-108961-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 maart 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:
  • veroordeling van verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde (kort gezegd: poging tot zware mishandeling van aangever [benadeelde 1] ) en het onder 2 ten laste gelegde (kort gezegd: het samen met medeverdachte [medeverdachte] plegen van openlijk geweld tegen aangever [benadeelde 1] en aangever [benadeelde 2] );
  • oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren;
  • oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;
  • hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] , mr. L. Heddema (namens mr. R. Schreudering) hebben aangevoerd. Namens benadeelde partij [benadeelde 2] is door mr. B. Tieman op 12 maart 2026 per mail een toelichting op de vordering gegeven. Het hof heeft daar ook kennis van genomen.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van aangever [benadeelde 1] (feit 1 primair) en het samen met medeverdachte [medeverdachte] plegen van openlijk geweld tegen [benadeelde 1] en aangever [benadeelde 2] . Daarvoor is hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is hem een taakstraf van 240 uren opgelegd, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair

hij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of met geschoeide voet heeft geschopt /getrapt/gestampt, terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.
subsidiair

hij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of met geschoeide voet te schoppen/trappen/stampen terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag;

2.
hij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , openlijk, te weten, op de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of met geschoeide voet te schoppen/trappen/stampen terwijl die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] op de grond lagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Feit 1 primair:
Onder 1 primair wordt verdachte verweten dat hij op 27 maart 2024 in [plaats] heeft geprobeerd [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meerdere keren te slaan en/of te stompen en met geschoeide voet te schoppen en/of te trappen, waaronder tegen het gezicht en/of het hoofd, terwijl [benadeelde 1] op de grond lag.
De verdediging heeft met betrekking tot dit feit geen verweer gevoerd. Verdachte heeft erkend dat hij [benadeelde 1] mishandeld heeft en dat hij hem meerdere keren tegen het gezicht/hoofd heeft geschopt, terwijl [benadeelde 1] op de grond lag. Deze verklaring is als bewijsmiddel opgenomen in de bijlage bij dit arrest. Hetzelfde geldt voor de verklaring van aangever [benadeelde 1] en een aantal getuigenverklaringen.
Op grond van deze bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde 1] veelvuldig heeft geslagen en geschopt, terwijl [benadeelde 1] op de grond lag. Het slaan en schoppen richtte zich volgens [benadeelde 1] en verschillende getuigen op zowel het lichaam als op het hoofd van [benadeelde 1] . De hevigheid van dit geweld viel daarbij op. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard:
“Ik zag dat persoon 1 (het hof begrijpt: verdachte) helemaal los ging. Ik schrok hier echt van omdat er zoveel geweld werd gebruikt. Ik zag dat slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) op de grond lag en zich niet kon verdedigen.”.
Getuige [getuige 2] verklaart:
“Ik zag dat hij (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) op zijn hoofd geslagen en geschopt werd maar ik zag dat hij een helm op had. Ik zag dat dit een open helm was en dat hij ook in zijn gezicht geraakt werd, in het open gedeelte van de helm. Ik zag dat het het slachtoffer lukte om een aantal keer op te staan, maar ik zag dat hij wederom op de grond geslagen werd. Ik zag dat hij probeerde zich te verweren maar dit was kansloos. Het was echt een eenzijdig gevecht waarbij 2 personen op de grond lagen.”.
Ten slotte spreken ook de verklaringen van getuige [getuige 3]
(“Beide daders trapten echt zonder ook maar iets in te houden. Niet eens alsof je een penalty neemt, maar nog harder dan dat.”)en getuige [getuige 4]
(“Dit was meer iemand de dood intrappen. Dader 1 (het hof begrijpt: verdachte) trapte wel tien keer op slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) en daarna nog een keer of drie à vier in het gezicht van slachtoffer 1.”)boekdelen.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [benadeelde 1] weliswaar een helm droeg toen hij tegen zijn hoofd en gezicht werd geschopt, maar dat hij door verdachte ook in het open gedeelte, in zijn gezicht werd geschopt/getrapt en daar ook is geraakt. Het hof acht de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het op deze wijze meermalen schoppen/ trappen tegen een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, aanmerkelijk. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Contra-indicaties hiervoor heeft het hof niet aangetroffen. Het onder 1 primair ten laste gelegde feit kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.
Feit 2:
Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij zich op 27 maart 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 1] en aangever [benadeelde 2] .
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Zij heeft betoogd dat geen sprake is geweest van het in vereniging plegen van openlijk geweld, omdat opzet op bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte heeft ontbroken. Verdachte bemoeide zich niet met het geweldsincident van zijn medeverdachte en was niet op de hoogte van wat er tussen [medeverdachte] en [benadeelde 2] gaande was.
Het hof volgt de raadsvrouw daarin niet. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Het hof acht de overweging die de rechtbank hierover in het vonnis heeft opgenomen, juist en neemt die over. Deze overweging houdt in:
“Gelet op de bewijsmiddelen (…) komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan het openlijk geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Ten aanzien van verdachte zijn specifieke geweldshandelingen tegen [benadeelde 1] bewezen, en ten aanzien van de medeverdachte geweldshandelingen tegen [benadeelde 2] . Nu alle geweldshandelingen onderdeel uitmaakten van dezelfde plotselinge gewelds-uitbarsting op dezelfde openbare locatie en op hetzelfde moment, waarbij verdachten gezamenlijk optrokken - volgens verdachte kwam de medeverdachte hem te hulp, waarna verdachte is blijven vechten, verder hadden hij en de medeverdachte ‘de overhand’ en zijn zij ook samen vertrokken, aldus verdachte -, hebben beide verdachten zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld in vereniging gepleegd tegen beide slachtoffers.”
In aanvulling hierop slaat het hof ook nog acht de verklaring van [medeverdachte] . Hij heeft verklaard:
“Ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) een duw gaf. Die gozer was dus met nog iemand en die ging zich er ook mee bemoeien en die sprong op [verdachte] af. En op dat moment sprong ik er ook tussen. En toen werd het een soort vechtpartij eigenlijk. [verdachte] tegen die ene en ik tegen die andere”.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het geweld is gestart tussen verdachte en [benadeelde 1] , en dat het zich heeft uitgebreid naar [benadeelde 2] en [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft zich bij verdachte gevoegd om hem te helpen en heeft zelf vervolgens ook diverse geweldshandelingen gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt duidelijk dat het geweld vanuit hen samen tegen beide slachtoffers is uitgeoefend. Het geweld vond plaats op hetzelfde moment, vlak bij elkaar. Het waren geen losse incidenten zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, maar het was één geweldssituatie. Het kan niet anders dan dat verdachte zich bewust is geweest van het geweld dat door [medeverdachte] op [benadeelde 2] werd uitgeoefend. Sterker nog: zijn uitlating
“Uiteindelijk zijn ze opgestaan en toen zij wij ervandoor gegaan. Wat ons betreft was het goed zo, we gaan.”,lijkt erop te wijzen dat verdachte en [medeverdachte] vonden dat aangevers hun portie wel gehad hadden en dat tussen hen een soort afstemming plaatsvond. Hier sluit bij aan de verklaring van [getuige 1] :
“Op een gegeven moment waren er meer omstanders bijgekomen. Ik hoorde toen persoon 1 (het hof begrijpt: verdachte) tegen persoon 2 (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) zeggen: We gaan.”
Al met al slaagt het verweer niet en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] openlijk, in vereniging, geweld hebben gepleegd tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt en in een bijlage bij dit arrest is gevoegd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het
het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair

hij op 27 maart 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt en met geschoeide voet heeft geschopt/getrapt/gestampt, terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
hij op 27 maart 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , openlijk, te weten, op de [locatie] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] door die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of met geschoeide voet te schoppen/trappen/stampen terwijl die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] op de grond lagen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Zoals bij de bewijsoverweging uiteen is gezet, heeft verdachte zich ten eerste schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] . [benadeelde 1] heeft hierdoor diverse verwondingen opgelopen. Dat [benadeelde 1] niet erger gewond is geraakt, is niet aan verdachte te danken en ook maar ten dele aan de helm die [benadeelde 1] droeg. Verdachte heeft hem ook meermalen in het (onbeschermde) gezicht, geschopt, dus dat dit niet tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid, lijkt meer een kwestie van geluk. Dat aangever een helm droeg is dan ook géén omstandigheid die aan het verwijtbare van het handelen van verdachte afdoet, zoals de raadsvrouw heeft bepleit. Verdachte heeft op een ernstige manier inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] . Het gebeuren heeft bij hem niet alleen voor fysiek letsel gezorgd, ook heeft het mentaal een behoorlijke impact gehad.
Naast de poging tot zware mishandeling, is ook bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] en tegen [benadeelde 2] . Ook bij [benadeelde 2] is daardoor letsel ontstaan en heeft het gebeuren psychisch de nodige sporen achtergelaten.
Eerder in het arrest is al beschreven - en zo is ook in het vonnis tot uiting gebracht - dat de heftigheid van het slaan en schoppen diepe indruk heeft gemaakt op de getuigen. Dat een dergelijke geweldsexplosie heeft plaatsgevonden voor een supermarkt, en voor de bezoekers zichtbaar was, draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid bij mensen die hiervan getuige zijn geweest en ook - in het algemeen - in de maatschappij.
Uit het strafblad van 12 februari 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. De straf die hem in dat kader is opgelegd, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Dit spreekt in het nadeel van verdachte.
Het hof houdt verder rekening met de landelijk geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting, die voor een (voltooide) zware mishandeling waarbij sprake is van schoppen/trappen tegen het hoofd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden inhouden. In geval van een poging komt dat neer op een gevangenisstraf van 4 maanden. Voor het plegen van openlijk geweld tegen personen waarbij sprake is van enig letsel, houden de oriëntatiepunten een taakstraf van 150 uren in.
Het hof stelt voorop dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, verdachtes strafblad én voornoemde oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak in beginsel een passende bestraffing is. Voor een poging tot zware mishandeling zoals door verdachte begaan, geldt bovendien dat uit artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht volgt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van alleen een taakstraf. Naast een taakstraf moet ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Vanuit het oogpunt van strafdoelen zijn de bewezenverklaarde feiten immers misdrijven waarvoor de maatschappij om te beginnen om vergelding vraagt. In verband met generale preventie moet bovendien een signaal worden afgegeven dat dit soort buitensporig geweld zwaar bestraft wordt.
Anderzijds is het zo dat bij het bepalen van de strafmaat verschillende belangen een rol spelen, waarbij naast de voornoemde ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, ook rekening moet worden gehouden met de persoon van de verdachte.
Uit het dossier en bespreking van de persoonlijke omstandigheden op de zitting van het hof, blijkt een aantal omstandigheden die in het voordeel van verdachte worden meegewogen. Zo heeft verdachte er op zitting op gewezen dat hij sinds de procedure in eerste aanleg een positieve omslag in zijn leven heeft gemaakt. Hij heeft al langere tijd een relatie met zijn vriendin, is vader geworden en voelt zich verantwoordelijk voor zijn gezin. Na een tijd in loondienst te hebben gewerkt, is verdachte nu werkzaam als ZZP-er wat hem goed bevalt. Al zijn tijd gaat naar zijn gezin en werk, uitgaan is er niet meer bij. Verdachte heeft aangegeven dat hij bewust is gestopt met het drinken van alcohol, omdat dit van negatieve invloed is geweest bij de onderhavige feiten. Hij heeft goed contact met zijn familie en ervaart veel steun van hen. Verdachte heeft op de zitting van het hof spijt betuigd en verklaard in te zien hoe kwalijk zijn handelen is geweest en dat daarvoor geen enkele rechtvaardiging bestond. Verdachte heeft bij het hof de indruk gewekt oprecht gemotiveerd te zijn om deze positieve weg voort te zetten.
Het dossier bevat een (niet recent) reclasseringsadvies van 3 december 2024. Het hof neemt dat advies in zoverre mee dat daarin het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Daarnaast wijst de reclassering erop dat er geen problemen zijn op de verschillende leefgebieden en dat er geen aanknopingspunten zijn voor reclasseringsbemoeienis.
Hoewel de bewezenverklaarde feiten oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden rechtvaardigen, ziet het hof in het voorgaande aanleiding om daar grotendeels vanaf te zien. Net als de advocaat-generaal en de rechtbank, acht het hof oplegging van een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf in deze zaak een passender straf. Wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf legt het hof verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient hierop in mindering te worden gebracht. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt. Alhoewel het recidiverisico als laag is ingeschat, dient deze straf tevens als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Oplegging van deze gevangenisstraf is passend en noodzakelijk.
Om recht te doen aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, legt het hof daarnaast een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, op. Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet het hof geen enkele aanleiding om die straf te matigen. Het hof acht dit ook een passende en noodzakelijke straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- voor immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat het door de rechtbank hoofdelijk toegewezen bedrag al door de medeverdachte aan de benadeelde partij is betaald. De vordering is door de verdediging in zoverre ook niet betwist.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het bewezen verklaarde feit letsel opgelopen. Hij heeft dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen bedrag aan immateriële schadevergoeding. Het gevorderde bedrag is voor een deel gemotiveerd met een verwijzing naar afgebroken tanden. Ondanks dat bij de rechtbank al verweer is gevoerd tegen het causale verband tussen het bewezenverklaarde feit en de afgebroken tanden, heeft de benadeelde partij in hoger beroep geen enkele nadere onderbouwing van dit verband gegeven. Het hof zal daarom de afgebroken tanden buiten beschouwing laten en schat de schade naar billijkheid op hetzelfde bedrag als de rechtbank deed. De hoogte van de schade bedraagt € 1.500,-.
Dit bedrag wordt (hoofdelijk) toegewezen. Verdachte moet deze schadevergoeding betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening. Voor de rest van de gevorderde schade is onvoldoende gebleken dat die schade door het strafbare handelen van verdachte is veroorzaakt. Daarom zal dat deel van de vordering worden afgewezen.
Het hof ziet geen aanleiding voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu het bedrag van € 1.500,- al door de medeverdachte betaald is.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Op de zitting is gebleken dat dit bedrag al door de medeverdachte aan de benadeelde partij is betaald. De vordering is door de verdediging in zoverre ook niet betwist.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het bewezen verklaarde feit letsel opgelopen. Hij heeft dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen bedrag aan immateriële schadevergoeding. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom (hoofdelijk) toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.
Het hof ziet geen aanleiding voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu het bedrag van € 1.000,- al door de medeverdachte betaald is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 55, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
178 (honderdachtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2024 tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,- (duizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2024 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. A.H. toe Laer en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. H. Akkerman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 maart 2026.
Bijlage
Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen inzake verdachte is bewezen verklaard de navolgende bewijsmiddelen:
1.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 13 maart 2026 en opgenomen in het (nog op te maken) proces-verbaal van die zitting, voor zover inhoudende:
Ik heb [benadeelde 1] een paar keer tegen zijn hoofd geschopt.
2.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 maart 2024 (p. 90 e.v. van het dossier met nummer PL0900-2024096228), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van verdachte:
Ik heb de jongen een paar klappen gegeven. Dat was de jongen met de helm op (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ). Ik heb hem goed geraakt. Het was een heftige vechtpartij. Ik heb hem ook tegen het hoofd getrapt. Het geweld was wel hard. Mijn vriend [medeverdachte] zag dat ik werd aangevallen en is mij toen gaan helpen. [medeverdachte] wilde mij helpen, maar die vriend van de jongen wilde ook weer zijn vriend helpen dus dit ging over en weer. Het was wel een heftige vechtpartij. Uiteindelijk zijn ze opgestaan en toen zijn wij ervandoor gegaan. Wat ons betreft was het goed zo, we gaan. Ik had een grijze hoodie aan en mijn haar is blond.
3.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever van 28 maart 2024 (p. 13 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [benadeelde 1] :
Op 27 maart 2024 was ik voor de ingang van de [supermarkt] aan de [locatie]
in [plaats] . Ik zag een blonde jongen de [supermarkt] uitlopen, hij keek mij met grote ogen aan. Ik vroeg hem: ‘Is er iets vriend?’ En ineens voelde ik dat ik een goede trap of klap kreeg. Ik lag na deze eerste klap of trap gelijk op de grond. Ik voelde direct allemaal trappen tegen mijn hoofd. Ik voelde dat er een trap tegen mijn neus aankwam, het voelde alsof mijn neus open sprong. Ik voelde dat er warme vloeistof over mijn gezicht liep. De trappen gingen door. Gelukkig had ik een scooterhelm op, maar mijn voorkant van mijn gezicht, inclusief mijn nek en kin zijn niet beschermd.
Mijn neus bloedt nog steeds. Mijn neus doet ook nog ontzettend veel pijn. Ook mijn rug doet (...) pijn (...). In mijn bovenlip heb ik twee tanden door mijn lip, in mijn onderlip één tand er doorheen. Ik heb heel veel hoofdpijn en als ik ga zitten ga ik ook kapot van de pijn. Dit is aan de linkerkant van mijn bil.
4.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2024 (p. 49 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisant:
Op donderdag 28 maart 2024 omstreeks 11:00 uur ben ik naar het adres van de getuige gegaan. Ik vroeg haar of ik haar nog aanvullende vragen kon stellen met betrekking tot het incident van gisteren. Ik hoorde haar zeggen dat dit goed was. Ik hoorde de
getuige [getuige 1], kort samengevat, het volgende verklaren:
Ik zag dat persoon 1 (het hof begrijpt: verdachte) , een blanke man met blond haar, slachtoffer 1, een blanke man met een helm op zijn hoofd, naar de grond duwde. Ik zag dat persoon 1 slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) meerdere keren sloeg en schopte naar en tegen zijn hoofd. Ik zag dat persoon 1 helemaal los ging. Ik schrok hier echt van omdat er zoveel geweld werd gebruikt. Ik zag dat persoon 1 op de grond lag en zich niet kon verdedigen. Ik overdrijf niet dat persoon 1 en persoon 2 (het hof begrijpt: medeverdacht [medeverdachte] ) wel dertig keer hebben geslagen dan wel geschopt tegen slachtoffer 1 en slachtoffer 2 (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ).
Ik zag dat persoon 2 slachtoffer 2 naar de grond duwde. Ik zag dat hij, net zoals
persoon 1 helemaal los ging. Ik zag dat hij, net zoals persoon 1, meermaals slaan en
schopte naar en tegen het hoofd van slachtoffer 2. Ik zag dat slachtoffer 2 zijn helm
had laten vallen en zijn handen voor zijn gezicht hield. Ik zag dat slachtoffer 2
zich niet kon verdedigen.
5.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 27 maart 2024 (p. 53 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als verklaring van getuige [getuige 2] :
Ik kwam aangefietst op de [locatie] vanaf de snelweg in de richting van het winkelcentrum. Toen hoorde ik al een hoop geschreeuw en geroep en ik zag dat er wat aan de hand was. Toen ik aan kwam fietsen zag ik 2 personen geslagen worden door 2 andere personen. Het was een eenzijdig gevecht. Ik zag dat de aanvallers vooral aan het slaan waren. Ik zag dat de 2 slachtoffers zichzelf vooral probeerden te verdedigen tegen het slaan. Ik zag dat zij dit probeerden te doen door de aanvallers weg te duwen en hun handen voor hun gezicht te houden. Ik zag dat ze over hun hele lichaam geslagen en geschopt werden.
Ik zag dat het slachtoffer met zwart haar (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) op de grond viel en werd geslagen door een persoon met bruin haar (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). Hij werd meerdere keren met vuistslagen op het hoofd geslagen door deze persoon en meerdere keren, wel zeker vijf of zes keer, naar het hoofd geschopt en op het hoofd gestampt. Ik zag dat het slachtoffer probeerde op te staan maar ik zag dat hij meerdere keren terug op de grond werd geslagen.
Ondertussen zag ik ook het andere slachtoffer, met de helm op, (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) geslagen worden. Het was in eerste instantie een staande gevecht, maar ik zag dat hij ook een aantal keren op de grond viel. Ik zag dat hij ook op zijn hoofd geslagen en geschopt werd maar ik zag dat hij een helm op had. Ik zag dat dit een open helm was en dat hij ook in zijn gezicht geraakt werd, in het open gedeelte van de helm. Ik zag dat het het slachtoffer lukte om een aantal keer op te staan maar ik zag dat hij wederom op de grond geslagen werd. Ik zag dat hij probeerde zich te verweren maar dit was kansloos. Het was echt een eenzijdig gevecht waarbij 2 personen op de grond lagen.
6.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 28 maart 2024 (p. 57 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van getuige [getuige 3] :
Beide daders trapten echt zonder ook maar iets in te houden. Niet eens alsof je een
penalty neemt, maar nog harder dan dat.
Ik heb vooral dader 1 (het hof begrijpt: verdachte) op slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) gezien. En hij heeft wel meer dan tien keer keihard tegen slachtoffer 1 geschopt. Het was vooral schoppen.
7.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 28 maart 2024 (p. 61 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van getuige [getuige 4] :
Ik zag dat dader 1 (het hof begrijpt: verdachte) en slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [benadeelde 1] ) redelijk gelijk op elkaar af liepen en elkaar
begonnen te duwen. Vrij snel erna gingen dader 2 (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) en slachtoffer 2 (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) dat ook tegen
elkaar doen. Slachtoffer 1 en 2 werden door de beide daders op de grond geduwd waarop beide daders vooral hard op de slachtoffers intrapten. Ze trapten vooral op het hoofd en bovenlichaam van de beide slachtoffers. Dus dader 1 op slachtoffer 1 en dader 2 op slachtoffer 2.
Dit was meer iemand de dood intrappen.
Dader 1 omschrijf ik als een man met blond haar. Hij trapte wel tien keer op slachtoffer 1 en daarna nog een keer of drie à vier in het gezicht van slachtoffer 1.
8.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2] d.d. 30 maart 2024 (p. 17 e.v. van het hiervoor genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [benadeelde 2] :
Op woensdag 27 maart 2024, omstreeks 20.40 uur, was ik bij de [supermarkt] , gelegen aan de [locatie] te [plaats] . Ik was hier samen met een vriend, genaamd [benadeelde 1] . Ik ben alleen de winkel in gelopen en [benadeelde 1] stond buiten te wachten. Toen ik naar buiten kwam, zag ik dat [benadeelde 1] met een andere jongen hoofd tegen hoofd stond, ik hoorde dat [benadeelde 1] zei: ''wat is er aan de hand''. Ik weet dat één persoon blond haar had en volgens mij een korte grijze jas droeg. Dit was de persoon die hoofd tegen hoofd met [benadeelde 1] stond. Ik zag dat een van de andere jongens een zwartje jas droeg, een petje droeg, een spijkerbroek aan had en volgens mij witte schoenen had.
Ik zag dat [benadeelde 1] weg wilde lopen. Ik ben toen naar [benadeelde 1] gelopen en toen gelijk voelde ik dat ik van alle kanten geslagen werd.
Ik viel toen gelijk op de grond. Toen ik op de grond lag voelde ik dat ik van alle kanten klappen kreeg en dat er op mijn hoofd werd getrapt. Ik voelde dat dit ontzettend harde trappen waren. Ik voelde en zag dat mijn neus en mijn boven- en onderlip gelijk begonnen te bloeden. Ik probeerde met mijn handen mijn hoofd te verdedigen. Dit ging ook zo hard en zo snel, dat ik niet weet door hoeveel personen ik ben geslagen/geschopt. Ik denk dat er ongeveer 1 minuut lang op mij in is geschopt en geslagen. Ik zag vanuit mijn ooghoek, dat [benadeelde 1] ook klappen kreeg en dat er op hem in werd getrapt. Ik was alleen maar mijn hoofd aan het beschermen, ik had namelijk geen helm op en [benadeelde 1] wel. Wel zag ik dat [benadeelde 1] ook op de grond lag.
​​​​​
9.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , d.d. 28 maart 2024 (p. 120 e.v. van het eerder genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [medeverdachte] :
Ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) een duw gaf. Die gozer was dus met nog iemand en die ging zich er ook mee bemoeien en die sprong op [verdachte] af. En op dat moment sprong ik er ook tussen.
En toen werd het een soort vechtpartij eigenlijk. [verdachte] tegen die ene en ik tegen
die anderen (het hof begrijpt: andere).