ECLI:NL:GHARL:2026:1825

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.345.681/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. G7 RVV 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake sanctie rijden in voetgangersgebied ondanks schending hoorplicht

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden in een voetgangersgebied op 3 december 2022 te Zaandam. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep stelde de betrokkene dat de ambtenaar onbehoorlijk had gehandeld en dat het proces-verbaal onvolledig was, waardoor twijfel aan de juistheid van de sanctie zou moeten bestaan.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar ter plaatse was en dat de aanwezigheid van het zonebord G7 RVV 1990 voldoende aannemelijk was. De betrokkene had niet de gevolgde rijroute opgegeven, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de bebording ontbrak. De stelling dat de betrokkene door een navigatiesysteem langs het centrum werd geleid, werd verworpen omdat het voetgangersgebied duidelijk was aangeduid.

Hoewel de hoorplicht was geschonden, was de betrokkene in de gelegenheid gesteld om schriftelijk zijn gronden aan te vullen, waardoor de schending voldoende was gecompenseerd. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie voor rijden in het voetgangersgebied en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.681/01
CJIB-nummer
: 254254507
Uitspraak d.d.
: 26 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 16 juli 2024, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 11 augustus 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft hier op 26 augustus 2025 op gereageerd.

De beoordeling

1. Het hof stelt vast dat het dictum van de beslissing van de kantonrechter niet overeenkomt met wat in de beslissing is overwogen. Het hof beschouwt de ongegrondverklaring van het beroep als een kennelijke verschrijving die verbeterd moet worden gelezen. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt immers dat de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd vanwege schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter aldus dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond wordt verklaard.
2. De bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter houdende de ongegrond verklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2022 om 3.18 uur op de Dam in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat, anders dan de kantonrechter heeft begrepen, de gronden die zijn aangevoerd met betrekking tot het optreden van de ambtenaar tijdens de staandehouding er niet op zijn gericht om een oordeel te verkrijgen over de behoorlijkheid van dat optreden. Waar het om gaat is dat hieruit blijkt dat de ambtenaar onbehoorlijk heeft gehandeld tegenover de betrokkene waardoor aan de juistheid van het proces-verbaal moet worden getwijfeld. Een en ander klemt te meer omdat in het proces-verbaal niet alle feiten zijn opgenomen die relevant zijn ten aanzien van de staandehouding. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene uitdrukkelijk en consistent heeft betwist dat hij een bord zou zijn gepasseerd. De betrokkene heeft de ambtenaar die hem staande hield uitdrukkelijk verzocht om het bord te tonen, maar dat kon hij niet. Van de aanname dat de ambtenaar het bord vooraf heeft gecontroleerd kan in dit geval dan ook niet worden uitgegaan. Dit wordt ondersteund door het gebrekkige zaakoverzicht waaruit niet eens kan worden opgemaakt waar de betrokkene is staandegehouden, laat staan dat nog na kan worden gegaan of de betrokkene een bord zou zijn gepasseerd. In reactie op het verweerschrift voert de gemachtigde voorts aan dat de betrokkene zich niet in het voetgangersgebied bevond, maar door zijn navigatiesysteem langs het centrum werd geleid. De betrokkene acht het uiterst onaannemelijk dat een professioneel navigatiesysteem hem door een voetgangersgebied zou geleiden. Verder blijkt uit Google Maps dat niet alleen het voetgangersgebied maar ook de omliggende straten worden aangeduid met ‘De Dam’. Het is de betrokkene niet duidelijk of hij in een straat die de naam ‘De Dam’ draagt is staandegehouden of dat de ambtenaar dat onjuist heeft vermeld in zijn verklaring. Nu uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, is het voor de betrokkene achteraf ook niet mogelijk om aan te geven welke route hij exact heeft gereden. De betrokkene heeft immers zijn navigatiesysteem gevolgd en als taxichauffeur rijdt hij dusdanig veel ritten, dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij elke rit opslaat in zijn geheugen.
5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
Feitgegevens
Pleeglocatie: Dam
Pleegplaats: Zaandam
Gedragingsgegevens:
“Ik zag dat het voertuig reed in een door zonebord G7 RVV 1990 aangeduid voetgangersgebied. (…)
Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: hoeft niet.”
7. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een uitdraai van Google Maps bijgevoegd, waarop een gedeelte van de plattegrond van Zaandam is afgebeeld en het betreffende voetgangersgebied is omlijnd.
8. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat de ambtenaar de betrokkene zag rijden in het voetgangersgebied dat middels een zonebord G7 RVV 1990 is aangeduid. De ambtenaar die de gedraging heeft vastgesteld, was dus zelf ter plaatse. In het algemeen mag in zo’n geval worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is. Bovendien geldt voor gedragingen binnen zones, zoals in het onderhavige geval, dat slechts hoeft te worden vastgesteld dat de bebording aanwezig was op de toegangsweg die de betrokkene heeft gevolgd. Daartoe moet de betrokkene die stelt dat de deugdelijke bebording ontbrak aangeven welke route hij heeft gevolgd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Dit brengt mee dat het - anders dan de gemachtigde stelt - niet aan de ambtenaar is om het bord te tonen dat de betrokkene zou hebben genegeerd. De betrokkene heeft de door hem gevolgde rijroute niet opgegeven. Dat uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, maakt niet dat dit van de betrokkene niet kan worden gevraagd. Hierbij merkt het hof op dat de betrokkene is staandegehouden en daarbij is gewezen op de gedraging die hij net daarvoor had verricht. Dat de betrokkene zich op dat moment niet meer voor de geest kon halen welke route hij had gevolgd, acht het hof niet aannemelijk. Gelet hierop kan de betrokkene worden tegengeworpen niet de gevolgde rijroute te hebben opgegeven en bestaat er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een bord G7 ten tijde van de gedraging.
9. Voor wat betreft de grond van de gemachtigde dat de betrokkene zich niet in een voetgangersgebied bevond maar door zijn navigatiesysteem langs het centrum werd geleid, overweegt het hof dat in de gegevens in het zaakoverzicht is vermeld dat de pleeglocatie ‘De Dam’ is. Uit de door de advocaat-generaal overlegde afbeelding blijkt dat het gehele voetgangersgebied is aangeduid met ‘De Dam’ en dat er binnen het voetgangersgebied meerdere afsplitsingen zijn. De stelling van de gemachtigde dat niet alleen het voetgangersgebied maar ook de omliggende straten worden aangeduid met ‘De Dam’, treft dan ook geen doel. Het hof ziet gelet op hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen dat de betrokkene zich in het voetgangersgebied bevond aangeduid middels een bord G7. Dat het voor de betrokkene onduidelijk is waar hij precies is staandegehouden, doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat dat de gedraging is verricht.
10. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de sanctie moet worden gematigd omdat de hoorplicht is geschonden. Weliswaar is de gelegenheid geboden om de gronden van het beroep aan te vullen - op verzoek van de betrokkene -, maar dat die gelegenheid dient te worden geboden vloeit voort uit de beginselen van een behoorlijk procesvoering. Van een extra schriftelijke ronde die de hoorplichtschending zou kunnen compenseren is dus geen sprake geweest. De betrokkene is wel degelijk in zijn belangen geschaad.
11. De grond treft geen doel. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde de verweten gedraging ontkend en verzocht om een nadere termijn om de beroepsgronden aan te vullen. Verder is verzocht om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde is bij brief van 31 mei 2023 - naar kan worden aangenomen nadat hem de stukken waren toegezonden - door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om de gronden van het administratief beroep aan te vullen. Daarbij is de gemachtigde er tevens op gewezen dat de procedure schriftelijk verloopt en geen hoorzitting wordt gehouden. Daarbij is de gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de stukken en het administratief beroep van nadere gronden te voorzien. De gemachtigde heeft bij brief van 28 juni 2023 de gronden van het administratief beroep ingediend. Aldus is, onder verwijzing naar het arrest van
17 augustus 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:6930, de schending van de hoorplicht zodanig gecompenseerd dat het bedrag van de sanctie niet behoeft te worden gematigd. Het hof ziet niet in dat na ontvangst van de brief van de gemachtigde van 28 juni 2023, de officier van justitie de gemachtigde nog een tweede gelegenheid had moeten bieden om de gronden schriftelijk aan te vullen. De gemachtigde heeft ook niet gesteld dat hij zo'n tweede gelegenheid nodig had om de gronden adequaat naar voren te brengen. Deze grond treft geen doel.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof het de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding is er niet. Dat brengt mee dat het hof niet toekomt aan het beoordelen van het standpunt van de gemachtigde met betrekking tot het gewijzigde artikel 13a van de Wahv en de reactie van de advocaat-generaal hierop.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.