ECLI:NL:GHARL:2026:1824

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
21-000268-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 lid 5 SvArt. 68 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijspraak rechtspersoon valselijk opmaken en gebruik vervoersbewijzen dierlijke meststoffen

In deze strafzaak stond een rechtspersoon die een mesthandel drijft terecht voor het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) en het gebruik daarvan. De rechtbank Overijssel sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Zowel verdachte als het Openbaar Ministerie stelden hoger beroep in tegen het vonnis. Het hof heeft de zaak behandeld op zittingen in februari en maart 2026, waarbij de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging zijn besproken.

Het hof oordeelt dat het hoger beroep van verdachte tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk is, omdat hoger beroep tegen een vrijspraak van een meervoudige kamer niet openstaat volgens artikel 404, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. Daarnaast verwierp het hof het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat meerdere vennootschappen binnen hetzelfde concern werden vervolgd.

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank Overijssel en verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen de vrijspraak. De vrijspraak blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof bevestigt de vrijspraak en verklaart het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de vrijspraak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000268-22
Uitspraakdatum: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2022 met parketnummer 08-997023-20 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd in [vestigingsadres] .

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissingen betrokken wat besproken is op de zittingen van het hof van 3 februari 2026 en 17 maart 2026 en de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door haar raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. A.C. Huisman, is aangevoerd.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging
Het Openbaar Ministerie heeft verschillende vennootschappen die ten tijde van de ten laste gelegde feiten aan [medeverdachte] als (getrapt) bestuurder en/of aandeelhouder waren gelieerd voor dezelfde gedragingen vervolgt. De betreffende vennootschappen, waarvan verdachte er één is, worden ook in de beroepsschriftuur van de officier van justitie als onderdeel van één en hetzelfde concern gezien. De vervolging van de verschillende vennootschappen voor dezelfde gedragingen is in strijd met het ne bis in idem-beginsel, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Oordeel van het hof
Van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht is geen sprake. De verschillende ten tijde van de ten laste gelegde feiten aan [medeverdachte] gelieerde vennootschappen ontplooien uiteenlopende activiteiten en hebben eigen taken en verantwoordelijkheden binnen het verband van het concern dat zij volgens niet alleen het Openbaar Ministerie maar ook [medeverdachte] vormen. Deze rechtspersonen kunnen daarom net zoals de natuurlijke personen die eventueel betrokken zijn, ieder voor zich strafrechtelijk worden aangesproken op hun mogelijke rol in de ten laste gelegde feiten, die zij volgens de tenlastelegging tezamen en in vereniging met anderen of een ander hebben begaan. Dat de vennootschappen, inclusief verdachte, deel uitmaken van hetzelfde concern vormt dan ook geen beletsel voor hun gelijktijdige vervolging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Vonnis

De verdenking komt erop neer, kort en zakelijk weergeven, dat verdachte:
  • feit 1 en feit 3: samen met anderen of alleen zogenoemde vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken;
  • feit 2 en feit 4: samen met anderen of alleen opzettelijk van die valselijk opgemaakte en/of vervalste VDM’s gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken.
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Het hof is van oordeel dat de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft gehanteerd. Het hof bevestigt daarom het vonnis.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. J. Corthals, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.