Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1822

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.357.526/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377b BWArt. 1:377c BWArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk ouderlijk gezag wegens verstoorde communicatie en risico voor kinderen

In deze civiele zaak stond het geschil over het gezamenlijk ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen centraal. De moeder was tegen het verzoek van de vader om samen met haar het gezag te krijgen. De rechtbank had eerder het gezamenlijk gezag toegewezen, maar het hof vernietigde deze beschikking.

De ouders communiceren nauwelijks rechtstreeks en alleen via derden, wat leidt tot een verstoorde relatie. De omgangsregeling wordt door de vader wisselend nagekomen en de samenwerking met de gecertificeerde instelling (GI) verloopt moeizaam, wat de uitvoering van de ondertoezichtstelling bemoeilijkt. De GI gaf aan dat de vader geen constructieve bijdrage levert en afspraken niet nakomt.

Het hof oordeelde dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders bij gezamenlijk gezag. Het belang van de kinderen vereist dat beslissingen voortvarend kunnen worden genomen, wat nu niet het geval is. Daarom wijst het hof het verzoek van de vader af en bepaalt dat alleen de moeder het gezag uitoefent. De vader behoudt wel rechten op informatie en consultatie over de kinderen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bepaalt dat alleen de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefent.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.526/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577406)
beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout (NB),
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Engels te Ommen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad), regio Midden-Nederland, locatie Lelystad.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 december 2024 en 23 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 juli 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 9 september 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 15 september 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 29 september 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 19 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, een vertegenwoordiger namens de raad en twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI).
De GI is door het hof in deze procedure als informant aangemerkt en als zodanig opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [in] 2018 [de minderjarige1] is geboren en [in] 2021 [de minderjarige2] .
De kinderen zijn door de vader erkend. Zij hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 25 augustus 2024 heeft de rechtbank bepaald dat voorlopig
- totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist - tussen de vader en de kinderen de volgende omgangsregeling geldt:
- elke zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en de kinderen ook weer bij de moeder terugbrengt, waarbij de vader zowel bij het halen als brengen van de kinderen niet de woning van de moeder mag betreden.
3.3
Bij vonnis in kort geding van 18 november 2024 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat ouders zijn overeengekomen dat er omgang tussen de vader en de kinderen zal zijn:
- vanaf 9 november 2024, drie keer op zaterdag van 12.00 uur tot 14.00 uur bij
[naam1] , waarbij de moeder en/of haar vriendin niet aanwezig zullen zijn,
- na drie keer zal de regeling zoals die in de beschikking van 25 augustus 2024 is
vastgesteld, worden hervat of geldt een regeling zoals in de bodemprocedure wordt
beslist.
3.4
Bij (tussen)beschikking van 27 december 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de op 25 augustus 2024 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt voortgezet onder de voorwaarde dat de omgang plaatsvindt in de woning van en in aanwezigheid van de ouders van de vader en dat een vriendin van de moeder bij de overdracht van de kinderen aanwezig is. De (verdere) beslissing over de omgang en het gezag is aangehouden voor de duur van zes maanden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.
3.5
Bij beschikking van 26 maart 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 maart 2025 tot 26 maart 2026.
3.6
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking van 23 april 2025 heeft de rechtbank de vader samen met de moeder belast met het gezag over de kinderen en bepaald dat er de komende negen maanden onder regie van de GI wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven en een verdeling van de vakanties en feestdagen.
De rechtbank heeft de (verdere) beslissing over de omgang (inclusief de vakanties en feestdagen) aangehouden voor de duur van negen maanden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en de GI verzocht tijdig voor die datum een korte update over de dan huidige stand van zaken te geven.
3.7
Bij vonnis in kort geding van 17 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen van 17 juli 2025 tot en met 26 juli 2025 op vakantie te gaan naar [plaats1] (Turkije).
4. De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is het gezag in geschil. De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 april 2025. Deze grief ziet op de beslissing van de rechtbank om de vader samen met de moeder met het gezag over de kinderen te belasten.
De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader niet mede het gezag krijgt over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
4.2
De vader voert verweer en hij vraagt het hof om het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren). Gezamenlijk gezag vereist echter wel dat de ouders in staat zijn om beslissingen van enig belang over het kind gezamenlijk te nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan een van de ouders moet worden toegekend.
5.3
De raad heeft in zijn rapport van 14 februari 2025 geadviseerd om de beslissing over het gezag aan te houden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject [naam2] ( [naam2] ), waarbij de geboden hulpverlening niet is gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders, maar op het eigen ouderschap. De raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de communicatie tussen de ouders zodanig verstoord is dat het hen nu niet lukt om in gezamenlijkheid beslissingen te nemen over de kinderen.
Indien de ouders samen met het gezag worden belast, acht de raad het in zijn rapport een risico dat de kinderen (nog meer) klem en verloren tussen de ouders raken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, in afwijking van het advies van de raad, bepaald dat ouders voortaan gezamenlijk belast zullen zijn met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
5.4
De moeder heeft zich in hoger beroep -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de raad en haar bezwaren tegen gezamenlijke gezagsuitoefening.
Volgens de moeder is het vaststellen van gezamenlijke gezagsuitoefening in deze zaak, gelet op de verplichtingen die volgen uit artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul, niet mogelijk.
De vader betwist dat er sprake is van een situatie waarbij artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul aan de orde is en stelt zich op het standpunt dat gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is en in lijn met het wettelijke uitgangspunt dat ouders gezamenlijk het gezag over een kind uitoefenen. Volgens de vader is het belangrijk dat hij in het kader van de ondertoezichtstelling en voor de hulpverlening een gelijkwaardige positie aan de moeder heeft. Daarnaast vindt de vader het belangrijk dat hij als gezaghebbende ouder zelf informatie over de kinderen bij derden kan opvragen.
5.5
Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er geen mondeling overleg tussen de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] plaatsvindt. Zij communiceren alleen via een externe partij ( [naam3] ) of per mail waarbij ook de GI meeleest. Duidelijk is dat de communicatie tussen de ouders te wensen overlaat. Ook de raad heeft tijdens de zitting zijn zorgen uitgesproken over de communicatie tussen de ouders. De raad heeft in dat kader de noodzaak van het starten van het [naam2] -traject benadrukt. De GI heeft hierover aangegeven dat het [naam2] -traject pas kan starten als de speltherapie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kan aanvangen. Volgens de GI zal de gemeente [gemeentenaam] hiervoor pas toestemming verlenen nadat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft verlengd, omdat de huidige termijn voor de ondertoezichtstelling bijna is afgelopen. De raad blijft bij zijn advies om de beslissing in de zaak aan te houden, zodat het verloop van het [naam2] -traject kan worden afgewacht. Tot die tijd zou de moeder alleen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moeten uitoefenen, aldus de raad.
5.6
Verder is gebleken dat de omgangsregeling door de vader wisselend wordt nagekomen en dat de overdrachtsmomenten niet altijd goed verlopen, omdat de vader na de overdracht van de kinderen in de buurt blijft rondhangen. De vader is hierop door de GI aangesproken, omdat dat belastend is voor de moeder en de kinderen. De samenwerking tussen de vader en de GI verloopt moeizaam. De GI heeft hierover tijdens de zitting bij het hof verklaard dat het de afgelopen maanden niet is gelukt om met de vader een afspraak te maken en dat hij ook niet aanwezig was bij het evaluatiegesprek dat onlangs heeft plaatsgevonden. Volgens de GI bemoeilijkt het feit dat de vader gezag heeft in deze situatie juist de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI moet steeds achter de vader aan als er toestemming gegeven moet worden voor bepaalde zaken die voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geregeld moeten worden. Zo heeft de vader, sinds hij mede met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is belast, niet (tijdig) zijn toestemming verleend voor een vakantie van de moeder met de kinderen naar Turkije. De vader stuurde de door hem in te vullen toestemmingsformulieren pas heel laat en niet volledig ingevuld terug naar de GI, waardoor het tot het laatste moment onzeker was of de reis door kon gaan. Dit heeft onrust en spanning bij de moeder en de kinderen veroorzaakt. Er heeft uiteindelijk een juridische procedure moeten plaatsvinden voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor de vakantie.
5.7
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders bij gezamenlijke gezagsuitoefening en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Duidelijk is dat de ouders sinds zij uit elkaar zijn niet in staat zijn gebleken om (zonder de hulp en bijstand van derden) constructief met elkaar te communiceren over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het risico dat de kinderen in de negatieve dynamiek tussen de ouders klem of verloren raken is hierdoor groot.
Daar komt bij dat de moeder geconfronteerd wordt met praktische problemen bij gezamenlijke gezagsuitoefening, zoals hiervoor uiteengezet met betrekking tot de toestemming voor vakanties, wat ook voor onrust en spanning bij de kinderen zorgt.
Het is van groot belang dat de voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] benodigde beslissingen voortvarend genomen kunnen worden, met name gelet op de beslissingen die nog genomen moeten worden over de voor hen in te zetten hulpverlening. De gegronde vrees bestaat dat, als de ouders met elkaar moeten overleggen over zaken die de opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] betreffen, de strijd tussen hen zal oplaaien. Dit zal opnieuw onrust en spanning voor de kinderen opleveren, wat niet in hun belang is. Het hof heeft bij zijn beslissing verder in aanmerking genomen dat de vader sinds de bestreden beschikking geen invulling aan het ouderlijk gezag heeft gegeven wat betreft het contact en de samenwerking met de GI, het contact met de GI zelfs vermijdt en daarnaast de omgangsafspraken verschillende keren niet is nagekomen. Daar komt bij dat het [naam2] -traject nog niet van de grond is gekomen en het naar verwachting nog enige tijd zal duren voordat het traject alsnog kan starten, waarbij ook onzeker is wat de uitkomst daarvan zal zijn. Het hof zal daarom, anders dan de raad heeft geadviseerd, de beslissing in de zaak niet aanhouden om het verloop van het [naam2] -traject af te wachten. Het hof acht het overigens niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat het [naam2] -traject en de speltherapie voorlopig nog niet kunnen starten, omdat de gemeente [gemeentenaam] hiervoor kennelijk pas toestemming geeft nadat de kinderrechter heeft beslist over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
5.8
Gelet op het voorgaande, is voldaan aan artikel 1:253c BW. Het hof is dan ook van oordeel dat het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten, dient te worden afwezen.
5.9
Ten overvloede overweegt het hof nog dat de vader ook zonder gezag het recht heeft om door de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te worden geïnformeerd en geraadpleegd te worden (artikel 1:377b BW) en om bij derden informatie over de kinderen op te vragen (artikel 1:377c BW). Het hof gaat er van uit dat de moeder zich houdt aan de door haar ter zitting gedane toezegging dat zij de vader zal informeren over zaken die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aangaan.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 april 2025, voor zover daarbij de vader samen met de moeder is belast met het gezag over de kinderen, en in zoverre opnieuw beschikkende;
wijst het verzoek van de vader om te bepalen dat hij gezamenlijk met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2018, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2021, af;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, team familierecht, voor aantekening van de beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. J.G. Knot en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 26 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.