Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1811

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.354.826
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWVerordening (EU) 2019/1111 (Brussel II-ter)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging voorlopige zorgregeling na scheiding ouders met Poolse nationaliteit

Partijen, beiden van Poolse nationaliteit, zijn ouders van twee minderjarige kinderen en hebben een relatie gehad. Na hun scheiding is een voorlopige zorgregeling vastgesteld door de rechtbank, waarbij de kinderen wisselend verblijven bij beide ouders volgens een vast schema.

Verzoekster kwam in hoger beroep tegen deze regeling en stelde dat de zorgverdeling meer evenredig moet zijn, mede gezien haar stabiele woonsituatie en de beschuldigingen aan het adres van verweerster. Verweerster handhaafde de voorlopige regeling en benadrukte de noodzaak van stabiliteit voor de kinderen.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde in een conceptrapport om de voorlopige regeling niet te wijzigen, wat het hof onderschrijft. Het hof benadrukt het belang van het volgen van de door de rechtbank uitgezette route, waarbij na het definitieve advies van de raad een definitieve zorgregeling zal worden vastgesteld.

Het hof bekrachtigt daarom de voorlopige zorgregeling en prijst de ouders voor hun bereidheid tot praktische afspraken in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige zorgregeling en volgt de rechtbankroute voor een definitieve beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.826
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 584919)
beschikking van 26 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. M. Czarnota,
en
Sandra Maria [verweerster],
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. D.E. Oud.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kinderrechter), van 21 februari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 584919, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een journaalbericht namens [verzoekster] van 12 februari 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens [verweerster] van 16 februari 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens [verzoekster] van 26 februari 2026 met een bijlage.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat en door een tolk in de Poolse taal;
- [verweerster] , bijgestaan door haar advocaat en door een tolk in de Poolse taal, alle drie via
een videoverbinding;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum] en
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] ,
over wie zij samen het gezag uitoefenen.
3.2
[verweerster] heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling tussen [verzoekster] en de kinderen vast te stellen en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.
3.3
[verzoekster] heeft de rechtbank gevraagd om die verzoeken af te wijzen en een co-ouderschapsregeling vast te stellen, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van één kind bij haar en het andere kind bij [verweerster] zal zijn en te bepalen dat [verweerster] aan haar € 374,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen.
3.4
[verweerster] heeft vervolgens aan de rechtbank gevraagd (primair) om de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen, dan wel (subsidiair) om te bepalen dat zij aan kinderalimentatie € 73,- per kind per maand aan [verzoekster] dient te betalen.
3.5
Bij vonnis van 17 april 2025, derhalve daterend van na de bestreden beschikking, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, voor zover hier van belang, [verzoekster] veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van dat vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te verlaten en verlaten te houden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank
een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van het
moment dat [verzoekster] naar haar eigen woning verhuist:
in de ene week:
o van maandag tot en met vrijdag naar school bij [verweerster] zijn, en
o van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij [verzoekster] zijn;
in de andere week:
o van zondag 18.00 uur tot woensdag naar school bij [verweerster] zijn;
o van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij [verzoekster] zijn, en
o vanaf vrijdag uit school weer bij [verweerster] zijn.
De ouder bij wie het nieuwe contactmoment begint haalt [minderjarige1] en [minderjarige2] op;
De rechtbank heeft daarnaast de raad verzocht om te onderzoeken:
-waar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] het best kan worden bepaald;
-welke zorgregeling in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is;
-welke verdeling van de vakanties en feestdagen in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is.
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.
4.2
[verzoekster] is in hoger beroep gekomen van de voorlopige zorgregeling zoals vervat in de bestreden beschikking. Zij vraagt het hof om die beschikking te vernietigen en een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder zijn met een wisselmoment op zondag om 18.30 uur, althans een zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht.
4.3
[verweerster] heeft verweer gevoerd. Zij vraagt het hof om [verzoekster] in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Op 12 februari 2026 heeft [verzoekster] een wijzigingsverzoek gedaan. Zij vraagt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van woensdagmiddag na school (14.00 uur) tot maandag voor school en de andere week van woensdag na school (14.00 uur) tot vrijdagavond 18.00 uur bij haar zijn, althans de zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht.
4.5
Op 16 februari 2026 heeft [verweerster] gereageerd op het wijzigingsverzoek van [verzoekster] . Zij vraagt het hof dat verzoek af te wijzen. Daarnaast persisteert zij bij het door haar gevoerde schriftelijke verweer in hoger beroep.
4.6
Op 26 februari 2026 heeft mr. Czarnota het concept rapport van de raad van 26 januari 2026 aan het hof gestuurd, waarin de raad adviseert over een zorgregeling.

5.De motivering van de beslissing

De rechtsmacht en het toepasselijk recht
5.1
[verzoekster] en [verweerster] hebben beiden de Poolse nationaliteit. De zorgregeling is een ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee, omdat het inleidende verzoek is ingediend na 1 augustus 2022, onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, wat overigens nog steeds het geval is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Tegen de toepassing van Nederlands recht is geen grief gericht zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wat staat er in de wet?
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Hoe luiden de standpunten van partijen?
5.3
[verzoekster] stelt dat de rechtbank ten onrechte, in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek, een voorlopige zorgregeling heeft vastgesteld waarbij het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij [verweerster] ligt. De rechtbank is daarbij, volgens [verzoekster] ook weer ten onrechte, uitgegaan van haar onzekere woonsituatie, terwijl haar huidige woning die zij na de bestreden beschikking heeft betrokken, goed geschikt is voor de opvang van de kinderen. Zij is bovendien de biologische moeder van de kinderen, die het altijd gewend zijn geweest om haar dagelijks te zien omdat zij, anders dan [verweerster] die fulltime en in onregelmatige diensten werkt, als hoofdverzorger van de kinderen altijd thuis was. Bovendien drijft [verweerster] , die haar ten onrechte heeft beschuldigd van alcoholmisbruik, een illegale sigarettenhandel aan huis, wat een gevaar vormt voor de veiligheid van de kinderen. De door de rechtbank vastgestelde tijdelijke regeling is niet in het belang van de kinderen, die erg moeten wennen en ook vaak naar de buitenschoolse opvang moeten omdat [verweerster] werkt. [verzoekster] denkt dat een meer evenredige zorgverdeling beter recht doet aan het belang van de kinderen. Zij is het in grote lijnen eens met de zorgregeling die de raad in het op 26 januari 2026 opgemaakte conceptrapport adviseert met dien verstande dat zij liever de kinderen ook op woensdag bij zich zou hebben. [verzoekster] heeft ter zitting nog aangegeven dat zij van mening is dat het hof nu al, mede gelet op het onlangs door de raad gegeven conceptadvies, een beslissing kan nemen over een andere zorgregeling, die ook volgens de raad meer in het belang van de kinderen is.
5.4
[verweerster] voert in haar verweerschrift aan dat de rechtbank een juiste voorlopige zorgregeling heeft vastgesteld, die in het belang is van de kinderen en waarbij rekening is gehouden met de complexe gespannen thuissituatie, waarbij tussen de ouders sprake was van wederzijds wantrouwen, conflicten en tegenstrijdige verhalen. De kinderen waren daarvan getuige. De rechtbank achtte in die omstandigheden een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen.
[verweerster] erkent dat de kinderen moeten wennen aan de nieuwe situatie en dat zij na de scheiding van de ouders een en ander te verwerken hebben. In deze overgangsfase ervaren de kinderen in ieder geval wel rust, stabiliteit en voorspelbaarheid.
De band van de kinderen met beide ouders is zeker in het belang van de kinderen, maar rechtvaardigt niet een gelijke zorgverdeling. Bovendien heeft zij, anders dan [verzoekster] stelt, de afgelopen jaren de hoofdzorg voor de kinderen gedragen, ondanks haar werk in ploegendienst. Zij heeft aantoonbaar een stabiele thuissituatie voor de kinderen kunnen creëren en zij kan in voldoende mate invulling geven aan het dagelijkse ouderschap.
[verweerster] ontkent dat zij handelt in Poolse sigaretten. Het lijkt er op dat [verzoekster] met deze beschuldiging de aandacht van haar eigen (alcohol)problematiek wil afleiden.
[verweerster] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij niet kan instemmen met de door de raad in het recent ingediende conceptrapport gegeven advies.
Wat adviseert de raad?
5.5
De raad heeft tijdens de zitting van het hof geadviseerd om op dit moment de voorlopige zorgregeling niet te wijzigen. In het recent ingediende conceptrapport heeft de raad, in opdracht van de rechtbank, een zorgregeling geadviseerd. De ouders krijgen nog de gelegenheid om daarop te reageren. De raad acht het niet in het belang van de kinderen dat de voorlopige regeling nu door het hof wordt gewijzigd terwijl de rechtbank mogelijk te zijner tijd wederom een andere, definitieve regeling gaat vaststellen.
Hoe oordeelt het hof?
5.6
Het hof is evenals de raad van oordeel dat de huidige voorlopige zorgregeling op dit moment niet moet worden gewijzigd. De rechtbank heeft bepaald dat deze voorlopige regeling zal gelden totdat de rechtbank naar aanleiding van het door de raad uitgebrachte advies en vervolgens de reacties van partijen uiteindelijk over een definitieve regeling zal beslissen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de ouders het niet (geheel) eens zijn met het in het concept-raadsrapport van 26 januari 2026 gegeven advies over een definitieve zorgregeling en daar allebei nog op zullen reageren richting de raad. Het hof acht het in dit stadium belangrijk dat de door de rechtbank uitgezette route zorgvuldig wordt gevolgd en dat de rechtbank, na kennis te hebben genomen van het definitieve raadsadvies – dat nu enkel nog in concept beschikbaar is – en van de daarop door de ouders gegeven reacties, uiteindelijk een definitieve beslissing kan nemen over de zorgregeling. Het is naar het oordeel van het hof voor de kinderen, die sowieso al moeten wennen aan de nieuwe situatie na het uiteengaan van de ouders, niet wenselijk dat zij nu tussentijds worden geconfronteerd met een door het hof gewijzigde regeling, die mogelijk straks door de rechtbank nogmaals gewijzigd zal worden in een definitieve regeling. Het is bovendien niet gebleken dat de huidige voorlopige regeling niet in het belang is van de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
5.7
Uit de verklaringen van [verzoekster] en [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij zelf al een aanpassing in de voorlopige regeling zijn overeengekomen met betrekking tot het tijdstip van de overdracht van de kinderen op vrijdag en dat zij ook incidenteel bereid zijn om de kinderen in afwijking van de vastgestelde voorlopige regeling bij de andere ouder te laten zijn. Het hof acht het prijzenswaardig dat de ouders, ondanks hun uiteenlopende ideeën over de zorgregeling, er toch in slagen om dit soort afspraken te maken en gaat ervan uit dat zij, in het belang van de kinderen, ook de door hen afgesproken wijziging op de vrijdag zullen nakomen zo lang de huidige voorlopige zorgregeling nog voortduurt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 februari 2025, voor zover daarbij een voorlopige zorgregeling is vastgesteld.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en C.M. Schönhagen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.